Onderzoeksgroep
Expertise
Mijn onderzoek richt zich vooral op morfosyntactische variatie en verandering in het Nederlands, en de invloed daarvan op de werking van het taalsysteem. Om dat te bestuderen maak ik gebruik van kwantitatief corpusonderzoek en agentgebaseerde computersimulaties.
Hoe onze eigen lexicale voorkeuren bepaald worden door sprekers van andere taalvariëteiten. Exemplaar-gedreven vs. index-gedreven lectale contaminatie.
Abstract
Mechanismen van taalverandering en -variatie vertrekken vaak van lexicale voorkeuren in grammaticale variatie, d.i. van de vaststelling dat bepaalde woorden ervoor zorgen dat sprekers meer geneigd zijn de ene constructie te gebruiken dan de andere. Een hoogfrequent woord dat een voorkeur heeft voor een constructie kan bijvoorbeeld de betekenis van die constructie beïnvloeden.. Wat echter onduidelijk is, is hoe zulke lexicale voorkeuren kunnen ontstaan. Dit project introduceert twee mechanismen die daarvoor kunnen zorgen, nl. exemplaar-gedreven en index-gedreven lectale contaminatie. Beide mechanismen vertrekken van taalcontact tussen twee variëteiten van dezelfde taal, maar verschillen in hoe zulk contact tot lexicale voorkeuren binnen elke variëteit leidt. Volgens exemplaar-gedreven contaminatie gebeurt dit via de cognitieve opslag van exemplaren, terwijl index-gedreven contaminatie aanneemt dat woorden en constructies fungeren als sociale indices. Een pilootstudie naar nominale morfologische variatie gaf al een positief resultaat. Dit project voert drie bijkomende corpusstudies uit om het effect van beide mechanismen te testen bij verschillende types variatie. Vervolgens worden agent-gebaseerde simulaties van beide mechanismen gebouwd om ze in-silico te valideren en om een aantal exacte theoretische voorstellingen af te leiden. Die voorspellingen worden vervolgens getest met corpusonderzoek en een forced-choice en receptief experiment.Onderzoeker(s)
- Promotor: Pijpops Dirk
Onderzoeksgroep(en)
Project type(s)
- Onderzoeksproject
Directe of indirecte objecten? Het optionele gebruik van het voorzetsel 'aan' bij tweeplaatsige werkwoorden.
Abstract
Het Nederlands kent zowel tweeplaatsige werkwoorden met een direct object als met een indirect object waarbij het gebruik van het voorzetsel aan optioneel is, bv. respectievelijk 'ik bouw (aan) een konijnenverblijf' en 'het contract ontglipte (aan) ons bedrijf'. Er bestaan een aantal werkwoorden waar de aard van het object onduidelijk is, bv. 'hij gehoorzaamt (aan) de heilige wet'. Dit project zoekt uit (i) wanneer en waarom taalgebruikers het voorzetsel aan gebruiken of weglaten bij deze werkwoorden, en (ii) welke objecten zich eerder gedragen als directe of indirecte objecten. Hierbij geeft het antwoord op de eerste vraag ook een indicatie voor de tweede: bij welke werkwoorden gedraagt de alternantie zich eerder als de datiefalternantie (bv. 'Sophia geeft (aan) hem een dikke knuffel') of eerder als de transitief-prepositioneelalternantie (bv. 'Frederik zoekt (naar) zijn vrachtwagen')? Deze vragen worden aangepakt met diepgravend corpusonderzoek en experimenten.Onderzoeker(s)
- Promotor: Pijpops Dirk
- Mandaathouder: Van Herpe Alexander
Onderzoeksgroep(en)
Project type(s)
- Onderzoeksproject