De ontwikkeling van Nederlandse syntaxis bij het leren van het Nederlands als vreemde taal: effecten van immersie, taalachtergrond en training met behulp van syntactische priming. 01/10/2018 - 30/09/2022

Abstract

Achtergrond: In deze tijden van massamigratie leren veel mensen een compleet nieuwe taal op latere leeftijd. Dit is niet evident: Als je twee talen vergelijkt, dan worden er soms heel gelijkaardige, maar tegelijkertijd ook heel verschillende zinsstructuren gebruikt worden om bepaalde betekenissen weer te geven. Nederlandse en Franse actieve zinnen zijn bijvoorbeeld identiek qua structuur (Le chat chasse la souris - De kat jaagt op de muis), maar waar het Nederlands drie verschillende structuren heeft voor de passiefzin, gebruikt het Frans slechts één van die alternatieven (La souris est chassée par le chat). Hoe gaan mensen die een taal leren hiermee om? Doel: Eerder onderzoek wees uit dat tweetaligen informatie over zinsstructuren zo veel mogelijk delen tussen talen, op voorwaarde dat de zinsstructuren in kwestie gelijkaardig genoeg zijn. Hartsuiker and Bernolet (2017) stelden een theoretisch model op voor de ontwikkeling van syntaxis in de L2 waarin taalleerders een aantal verschillende leerfasen doorlopen vooraleer ze uiteindelijk zinsstructuren gaan delen tussen talen. De uitdaging van dit project ligt erin dat we deze theorie willen testen in leeromstandigheden die ecologisch valide zijn. Meer specifiek onderzoeken we de effecten van immersie en van taalachtergrond op de representatie van NT2 (Nederlands als vreemde taal) syntaxis. We gaan tevens na op welke manier syntactische priming kan ingezet worden om de syntactische voorkeuren in de L2 bij te sturen. Methodologie: Alle studies zullen gebruik maken van syntactische priming als tool (Branigan & Pickering, 2017): de zinnen die geproduceerd of begrepen moeten worden, worden voorafgegaan door een primezin met dezelfde of een alternerende zinsstructuur. Als de structuur van een primezin opgeslagen zit in het geheugen, zal de verwerking ervan het produceren en het begrijpen van de zin die volgt beïnvloeden, binnen eenzelfde taal én over talen heen. We vergelijken de representatie van Nederlandse syntaxis tussen verschillende groepen Nederlandstaligen: 1) Vlaamse studenten die het Nederlands als enige moedertaal leerden; 2) Waalse studenten die Nederlands leerden vanaf de leeftijd van 10 jaar; 3) eerste generatie immigranten die Nederlands leren als hun eerste of hun tweede Indo-Europese taal. In de eerste zinsproductiestudie vergelijken we groepen 1 en 2. We onderzoeken of Nederlandse zinsstructuren waarvoor er geen parallelstructuur bestaat in de moedertaal (Frans) wel opgeslagen zitten in het geheugen van taalleerders en we gaan na of de zinsproductievoorkeuren verschillen voor Waalse studenten die al dan niet in een immersiecontext leven. De tweede studie gaat na hoe we ervoor kunnen zorgen dat Nederlandse zinsstructuren die gemeden worden onder invloed van de moedertaal vaker gebruikt worden. Studie 3 omvat een longitudinale studie waarin we onderzoeken in welke mate het leerproces voor Nederlandse syntaxis bij NT2 studenten (groep 3) verschilt voor studenten die eerder al Engels leerden en studenten die Nederlands als eerste Indo-Europese taal leren. Impact: Dit project wil de ontwikkeling van syntaxis in een tweede taal documenteren met gegevens uit echte leersituaties, waardoor het een grote impact kan hebben op het gebied van de taalpsychologie en op het onderzoek naar tweedetaalverwerving. Het project kan bovendien inzicht geven in mogelijke pijnpunten in het NT2 leertraject voor Nederlandse syntaxis, onder andere door de invloed van de syntaxis van de moedertaal, maar ook in de effecten van immersie, kennis van gerelateerde talen en gerichte training op de uiteindelijke representatie van zinsstructuren in het Nederlands. Op deze manier zal de output van het project ook relevant zijn voor docenten uit het NT2 onderwijs.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Project type(s)

  • Onderzoeksproject