Abstract
Dit onderzoek bestudeert de rol van gokken en casino's in de ontwikkeling van badplaatsen (1878-1930). Ondanks de socio-economische betekenis van toerisme blijft dit thema onderbelicht in historisch onderzoek. Dit project richt zich op Oostende, een bloeiende goed verbonden Europese badplaats die gokken gebruikte om haar ontwikkeling te stimuleren. Later werd gokken er steeds controversiëler, verboden (1902) en gedoogd (jaren 1920). Deze context biedt inzicht in zowel de manier waarop gokken zich verankerde als een sleutelsector binnen de kusttoerisme-industrie als hoe resorts fungeerden als knooppunten voor elitemobiliteit met globale implicaties binnen een specifieke lokale context. Het onderzoek hanteert een actorgerichte benadering en analyseert (1) de transnationale netwerken van casino-concessiehouders en (2) hoe verschillende stakeholders het gokklimaat van de stad vormgaven binnen veranderende legale kaders. Door transnationale (Sûreté Publique-dossiers, buitenlandse archieven), nationale (parlementsdebatten, rechtszaken) en lokale (reisgidsen, kranten, stadsarchieven) bronnen te combineren, biedt de studie een globale microhistorische invalshoek. Door kwantitatieve analyse te combineren met kwalitatieve methoden reconstrueert het project de processen die gokken centraal maakten in Oostende's toeristenindustrie. Inzicht in de historische processen achter de ontwikkeling van badplaatsen biedt bredere perspectieven op globale trends die tot op heden voortduren.
Onderzoeker(s)
Onderzoeksgroep(en)
Project type(s)