Onderzoeksgroep

Grammar and Pragmatics

Expertise

Mijn onderzoek vertrekt op de eerste plaats vanuit een cognitief-functioneel en op taalgebruik gebaseerd ("usage-based") perspectief, in combinatie met een pragmatische kijk op de analyse van taal in reële contexten (via het gebruik van corpora). Mijn interesse gaat voornamelijk uit naar de betekenis en het gebruik van grammaticale markeerders van tijd/aspect/modaliteit (in verschillende talen), de interactie tussen grammaticale constructies en pragmatiek, en cognitieve en "constructie-"grammatica's.

Wat kan taalvariatie ons vertellen over insubordinatie? Een vergelijkende analyse van onafhankelijke complementzinnen in geografische en stilistische varianten van het Spaans. 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Dit project onderzoekt dialectvariatie in het grammaticale domein van "insubordinatie", of het conventionele gebruik van een vormelijk ondergeschikte/afhankelijke zin als onafhankelijke hoofdzin (Evans 2007). Het empirische zwaartepunt ligt daarbij op de studie van de verschillende functies waarvoor niet-ondergeschikte complementzinnen met voegwoord que in het Spaans worden gebruikt. Niet-ondergeschikte zinnen met que, veruit de frequentste niet-ondergeschikte constructie in het Spaans, kunnen verscheidene betekenissen uitdrukken in interactie: ze worden ingezet in de uitdrukking van imperatieven in de derde persoon, wensen, negatieve evaluaties, "echo"-uitingen, onenigheid, verandering van onderwerp, enz. Gegeven hun hoge mate aan polysemie, dienen twee gerelateerde onderzoeksvragen zich aan. De eerste betreft de historische dimensie: hoe kan de diachrone ontwikkeling van dit soort constructies best worden gemodelleerd? Om deze vraag te beantwoorden, wordt aangenomen dat synchrone variatie diachrone evoluties reflecteert (Hopper & Traugott 2003: 1). De tweede onderzoeksvraag spitst zich toe op de meervoudige functies van deze constructies: als er verschillende betekenissen mee kunnen worden uitgedrukt, op welke basis moet dan worden uitgemaakt of het effectief gaat om één polyseme constructie of om meer dan één constructie, elk met haar eigen specifieke betekenis (homonymie)? Om een afdoend antwoord te bieden op deze vragen, wordt een kwantitatieve en kwalitatieve corpusanalyse gehanteerd, waarbij het onderzoek theoretisch wordt gekaderd binnen een breder interactionele toepassing van Construction Grammar-modellen van taalgebruik. Verschillende corpora van spontane Spaanstalige conversaties in de belangrijkste dialectgebieden van Europees en Amerikaans Spaans zullen hierbij worden geanalyseerd. Het doel van dit onderzoeksproject is tweeledig. Vanuit descriptief oogpunt zal worden getracht om de gesitueerde betekenissen van niet-ondergeschikte complementzinnen in kaart te brengen en hun distributie over de geselecteerde varianten van het Spaans vast te stellen. Op theoretisch vlak, en in navolging van het algemene constructionele perspectief waarin deze studie is ingebed, zal ernaar worden gestreefd om de gesitueerde betekenissen die uit het corpusonderzoek naar voor komen, te modelleren in de vorm van netwerken van constructies, waarin zowel algemene als erg specifieke patronen kunnen worden opgenomen en er plaats is voor informatie over mogelijke kenmerken die enkel bepaalde dialecten aanbelangen. Op die manier kan het theoretische kader van Construction Grammar worden uitgebreid, zodat variationele data kunnen worden geaccommodeerd. Bovendien werpen de netwerken die zullen resulteren uit de corpusanalyse een ander licht op het lopende debat betreffende de diachrone evolutie van niet-ondergeschikte structuren, aangezien data over synchrone variatie toelaten om substantiële conclusies te trekken over (de directionaliteit van) historische processen van taalverandering in de wereldwijde Spaanssprekende gemeenschap. Tenslotte zal worden nagegaan welke types van contextuele informatie nodig zijn om een omvattende verklaring te geven van het gebruik van dergelijke constructies in concrete interactie (condities op het voorafgaande en volgende discours, structurele voorwaarden, informatiestructuur, enz.), en hoe zo'n contextuele informatie moet worden gerepresenteerd in formele modellen van Construction Grammar.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De interactie tussen tijd en lexicaal en grammaticaal aspect. Een vergelijkend onderzoek naar de polyfunctionaliteit van uitdrukkingen van het heden in het werkwoordelijke paradigma. 01/10/2012 - 30/09/2014

Abstract

Dit project beoogt een studie van de interface tussen Aktionsart (of lexicaal aspect) en grammaticale tijd vanuit een taalvergelijkend perspectief, waarbij de aandacht specifiek zal uitgaan naar de interactie tussen de klasse van dynamische werkwoorden en de uitdrukking van tegenwoordige tijd. De hypothese die hier naar voren wordt geschoven, is dat er in verschillende talen bij de verwijzing naar dynamische (i.e. veranderlijke, nietstatische) gebeurtenissen in het heden een conceptueel probleem optreedt, dat leidt tot een opvallende polyfunctionaliteit van de markeerder in kwestie: tegenwoordige tijd bij statische werkwoorden, en een niettegenwoordige interpretatie bij dynamische (bv., als een verleden of toekomende tijd).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De interactie tussen tijd en lexicaal en grammaticaal aspect. Een vergelijkend onderzoek naar de polyfunctionaliteit van uitdrukkingen van het heden in het werkwoordelijke paradigma. 01/10/2010 - 30/09/2012

Abstract

Dit project beoogt een studie van de interface tussen Aktionsart (of lexicaal aspect) en grammaticale tijd vanuit een taalvergelijkend perspectief, waarbij de aandacht specifiek zal uitgaan naar de interactie tussen de klasse van dynamische werkwoorden en de uitdrukking van tegenwoordige tijd. De hypothese die hier naar voren wordt geschoven, is dat er in verschillende talen bij de verwijzing naar dynamische (i.e. veranderlijke, nietstatische) gebeurtenissen in het heden een conceptueel probleem optreedt, dat leidt tot een opvallende polyfunctionaliteit van de markeerder in kwestie: tegenwoordige tijd bij statische werkwoorden, en een niettegenwoordige interpretatie bij dynamische (bv., als een verleden of toekomende tijd).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De interactie tussen Aktionsart en grammaticale tijd. Een vergelijkend onderzoek naar de polyfunctionaliteit van uitdrukkingen van het heden in het werkwoordelijke paradigma. 01/10/2009 - 30/09/2010

Abstract

Dit project beoogt een studie van de interface tussen Aktionsart (of lexicaal aspect) en grammaticale tijd vanuit een taalvergelijkend perspectief, waarbij de aandacht specifiek zal uitgaan naar de interactie tussen de klasse van dynamische werkwoorden en de uitdrukking van tegenwoordige tijd. De hypothese die hier naar voren wordt geschoven, is dat er in verschillende talen bij de verwijzing naar dynamische (i.e. veranderlijke, nietstatische) gebeurtenissen in het heden een conceptueel probleem optreedt, dat leidt tot een opvallende polyfunctionaliteit van de markeerder in kwestie: tegenwoordige tijd bij statische werkwoorden, en een niettegenwoordige interpretatie bij dynamische (bv., als een verleden of toekomende tijd).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Conceptuele perspectieven: elementen van een cognitieve verklaring van Engelse werkwoordstijden. 01/10/2006 - 31/03/2008

Abstract

De belangrijkste doelstelling van dit project betreft de ontwikkeling van een abstracte en omvattende verklaring van het Engelse tempus-systeem, op basis van cognitieve mechanismen die onafhankelijk gemotiveerd zijn. Het voorgaande onderzoek naar uidrukkingen van tempus, aspect en modaliteit in het Engels zal de empirische fundering bieden voor deze verklaring, die uiteindelijk moet toelaten om systemen van werkwoordelijke tijden in (een) natuurlijke taal op expliciete wijze te modelleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Tijd en subjectiviteit: een cognitief en vergelijkend onderzoek naar het conceptuele statuut van aspectuele en tempus-categorieën in de grammatica 01/10/2003 - 30/09/2006

Abstract

Het onderzoek behandelt de relatie tussen categorieën van tempus (en vormen van grammaticaal aspect) enerzijds, en gradaties van 'subjectivering' in hun semantisch profiel anderzijds. Bovenop hun grammaticale status als grounding predication. Dit type vult initiële instanties van grammaticalisering aan en gaat dus verder dan de transformatie van een lexicale in een grammaticale uitdrukking. Het geeft aanleiding tot de ontwikkeling van niet-referentiële, evaluatieve betekenissen voor items die in prototypische gebruiken nog elementen van temporele verwijzing inhouden. Het onderzoek spitst zich daarom toe op gebruikstypes die zich verwijderen van de beschrijving van objectieve relaties in de tijd, in de richting van subjectieve bekommernissen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Grounding: de epistemische grondslag van deixis en referentie 01/10/2000 - 30/09/2003

Abstract

Het project zet twee onderzoekslijnen uit. De eerste lijn richt zich op het epistemistische karakter van grounding relaties. Een epistemisch perspectief bestudeert de interpretatieve eigenschappen die worden erkend in de referentiële functies van nominale constituenten en vervoegde werkwoordsvormen. Een analyse wordt uitgewerkt waarin dergelijke functies volgen uit algemene bepalingen die door grounding predications worden toegekend aan referenten. Het tweede luik omvat en empirisch programma dat zich toespitst op een methodologische beweging die de studie van prototypische grounding-functies opschort ten voordele van de analyse van perifere betekenissen. Voor individuele grounding predications wordt aangeduid hoe de gebruikstypes die deze constructies vertonen in modale, discursieve en affectieve contexten essentieel zijn voor een bedrip van hun deiktische oriëntering. Het apparaat voor dit onderzoek berust op concepten uit de cognitieve grammatica.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

    Referentie in taal: een fenomenologisch onderzoek naar de tijdelijke en ruimtelijke fundamenten van linguïstische conceptualisering in het kader van cognitieve grammar. 01/10/1994 - 30/09/1996

    Abstract

    Het onderzoek betreft de taaltheoretische begrippen van tijd en ruimte, die vragen om een meta-linguïstische fundering in de fenomenologische traditie. Concreet worden deze funderende begrippen in verband gebracht met referentie en de oorspronkelijke spreeksituatie. Morfologische en syntactische fenomenen worden dan onderzocht vanuit een deictische invalshoek (pragmatisch - functioneel).

    Onderzoeker(s)

    Onderzoeksgroep(en)

      Referentie in taal : een fenomenologisch onderzoek naar de tijdelijke en ruimtelijke fundamenten van linguïstische conceptualiseringen, in het kader van cognitive grammar 01/10/1992 - 30/09/1994

      Abstract

      Het onderzoek betreft de taaltheoretische begrippen van tijd en ruimte, die vragen om een meta-linguïstische fundering in de fenomenologische traditie. Concreet worden deze funderende begrippen in verband gebracht met referentie en de oorspronkelijke spreeksituatie. Morfologische en syntactische fenomenen worden dan onderzocht vanuit een deictische invalshoek (pragmatisch - functioneel).

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)