Onderzoeksgroep
Expertise
Mijn werk biedt een multidisciplinair perspectief op de wijze waarop gemarginaliseerde actoren internationale normvorming (her)vormen. Zowel de gangbare rechtsleer als bestaande feministische kritiek delen eenzelfde reflex: ze trekken een grens tussen 'recht' en 'niet-recht' – verankerd in artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof – en bestempelen vervolgens feministische en LGBTQ+-initiatieven op juridisch vlak als 'mislukt' omdat ze die grens niet overschrijden. Mijn promotieonderzoek verwierp deze afbakening. Door rechtsleer, genderstudies en dekoloniaal gedachtegoed te combineren, ontwikkelde ik een kader dat juridische geldigheid beschouwt als iets dat meervoudig, omstreden en performatief van aard is, en dat onderzoekt wat het vervagen van de grens tussen recht en niet-recht aan het licht brengt. Ik illustreerde dit aan de hand van drie casestudy's: (1) Schaduw-normvorming: hoe feministische activisten de ambivalente juridische status van de agenda voor 'Vrouwen, Vrede en Veiligheid' in stand hielden om de relevantie ervan binnen de VN-Veiligheidsraad te waarborgen. (2) 'Drag'-achtige verdragsvorming: hoe de onderhandelaars van de Yogyakarta-principes de totstandkoming van een mensenrechtenverdrag imiteerden en daarmee de theatricaliteit van internationale normvorming blootlegden. (3) Normvorming door stilte: hoe LGBTQ+-activisten impasses rond het Verdrag inzake misdaden tegen de menselijkheid doorbraken door te weigeren 'gender' te definiëren in het verdragsontwerp. Hiervoor hanteerde ik een robuuste aanpak met meerdere methoden: kritische discoursanalyse, semigestructureerde interviews en thematische codering.