Onderzoeksgroep

Henry van de Velde

Verdwaald in verbeelding: Speuren naar de materiële invloed van media in het architectuurontwerp. 01/10/2020 - 30/09/2022

Abstract

Het onderzoeksproject vertrekt vanuit de observatie dat de historische ontwikkeling van nieuwe soorten media die gebruikt worden om architectuurprojecten voor te stellen samenvalt met verschuivingen in architectuurparadigma's en -stijlen. Het project stelt voor om deze ogenschijnlijk causale relatie te onderzoeken door (1) een originele bijdrage aan de architectuurgeschiedenis te leveren door middel van de analyse van zes case studies en (2) door een conceptueel kader te ontwikkelen waarbinnen de actieve rol van deze media bij de vorming van ideeën, ontwerpen en kennis is te begrijpen vanuit de materiële kwaliteiten van deze media. Het onderzoek bestudeert (1) de transformatie van militaire cartografie in bouwkundige tekeningen in het 17e-eeuwse Frankrijk, in relatie tot de opkomst van het geometrisch landschapsontwerp; (2) de commercialisering van calqueerpapier in het 18e-eeuwse Midden-Europa, in verband met de opkomst van eclecticisme in de architectuur, (3) het gebruik van mallen en afgietsels als een middel om architectuur in het negentiende-eeuwse West-Europa te bestuderen, in relatie tot een zich verder ontwikkelend architecturaal eclecticisme, (4) de commercialisering van fotografie aan het begin van de twintigste eeuw, in relatie tot de modernistische avant-garde, (5) het gebruik van collage in de architectuurpraktijk van de midden twintigste eeuw, dat samenvalt met een op verbeelding gerichte, speculatieve architectuur, (6) de implementatie van Computer Aided Drawing in de architectuurpraktijk aan het einde van de twintigste eeuw, in relatie tot het parametrisch ontwerpen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

In situ pro toto. De na-ooorlogse bouwwerf als een pars pro toto voor de bouwpraktijk. 01/10/2019 - 30/09/2023

Abstract

Dit onderzoeksproject bestudeert de evolutie van Antwerpse na-oorlogse bouwwerven in een internationaal vergelijkend perspectief. Daarmee beoogt het project specifiek een verbreding van het traditionele onderzoeksperspectief binnen architectuurgeschiedenis dat zich sterk richt op de stilistische vormgeving en het gebouwde resultaat en stelt het daartegenover een socio-culturele benadering voor als uitgangspunt. Deze socioculturele benadering heeft tot doel aan te tonen hoe diverse actoren in het veld samenwerkten (of niet) en hoe naast concrete ontwerpen, ook woorden en handen onze gebouwde omgeving hebben gevormd. Hiermee beantwoordt het project niet alleen de steeds terugkerende hedendaagse behoefte om de evolutie van onze architectuurpraktijk te begrijpen, maar vult het ook een hiaat in het huidige internationale debat binnen construction history.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Gemeenschappen van impliciete kennis: Architectuur en haar kennisvormen 01/09/2019 - 31/08/2023

Abstract

'TACK / Communities of Tacit Knowledge: Architecture and its Ways of Knowing' is een Innovatief trainingsnetwerk binnen het Europese Kaderprogramma Horizon 2020. Het richt zich op het begrijpen van de specifieke kennis die architecten gebruiken bij het ontwerpen van gebouwen en steden. TACK brengt tien academische instellingen, drie architectonische instellingen en negen architectenbureaus bijeen in een PhD-trainingsprogramma over de aard van impliciete kennis in de architectuur, met tien PhD-projecten in drie clusters en een overzichtsproject. De cluster 'Het benaderen van impliciete kennis' werkt vanuit een theoretisch en methodologisch perspectief. Het bestudeert hoe materiële vectoren, zoals tekeningen, plannen en modellen, functioneren als bemiddelaars van impliciete kennis. 'Het peilen van impliciete kennis' behandelt concrete gevallen van hoe deze kennis werkt. Het onderzoekt de impliciete codes en conventies van de hedendaagse architectuurpraktijk en de rol van impliciete kennis bij het navigeren van de complexe assemblages van architectuurpraktijk, ontwerp en onderwijs. 'Het verankeren van impliciete kennis' ontwikkelt nieuwe theoretische concepten en nieuwe heuristische benaderingen om deze kennis in de architectuurpraktijk te onderzoeken. Het onderzoekt hoe waardestelsels van specifieke culturele contexten de perceptie van impliciete kennis in de architectuur beïnvloeden, en hoe zelfreflexiviteit het functioneren van deze kennis kan verduidelijken. Tot slot bekijkt 'Het overbrengen van impliciete kennis' hoe dit werkt in het architectuuronderwijs, en welke methoden en hulpmiddelen worden gebruikt om impliciete kennis in de architectuurpedagogiek over te dragen. Het netwerk als geheel onderzoekt en conceptualiseert het karakter van impliciete kennis om beter inzicht te krijgen in welke rol het kan spelen bij de aanpak van nieuwe en dringende problemen in de gebouwde omgeving.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De IJzeren Kolom: Architectuurkennis vanuit materiële productie. 15/07/2020 - 14/07/2021

Abstract

Te vaak wordt in de architectuur de materialisatie van een gebouw beschouwd als de uitdrukking van andere, niet-materiële overwegingen. Dit gebeurt zowel in het architectonisch onderzoek, als in de architectuuropleiding. (Thomas 2007, Moravánszky 2017). Het doctoraatsproject keert deze zienswijze om, door zich te richten op het materiaal zelf en zijn rol in de architectuur. Als casus fungeerde de introductie van de ijzeren kolom als bouwelement vanaf 1840. Drie historische voorbeelden toonden de invloed van verschillende toepassingen van dit materiaal op concrete projecten en meer in het algemeen op het architectonische vocabulaire. Het onderzoek combineerde hiertoe analyses die het ontwerpproces zichtbaar maakten, met een theoretisch kader, dat zich richtte op de betekenis van een materiaal als onderdeel van een bouwcultuur. Drie bekende publieke gebouwen in Europa uit 1872 (Bibliothèque Nationale Paris, Henri Labrouste), 1906 (Sparkasse Vienna, Otto Wagner) en 1968 (Nationalgalerie Berlin, Mies van der Rohe) zijn herlezen als materiële 'microgeschiedenissen'. Mede door het innovatieve gebruik van respectievelijk gietijzer, gewalst ijzer en staal, kunnen deze projecten beschouwd worden als scharnierpunten in de architectuurgeschiedenis. Speciaal ontwikkelde tekentechnieken en materiaalbiografieën volgden het transformatieproces van ijzer vanaf het proces van delven, productie en ontwerp tot in het uiteindelijke gebouw. In alle drie de gevallen daagden de technische mogelijkheden van ijzer de architectonische conventies op een fundamenteel niveau uit, met nieuwe architectonische ideeën tot gevolg. De werktekeningen en schetsboeken van de architecten boden inzicht in het leerproces van het begrijpen en toepassen van deze materiële innovaties. Het tweede deel van het onderzoek bestudeerde de manier waarop een materiële innovatie zich invoegt in een bestaande bouwcultuur. Met behulp van de archeologische methode van 'seriaties' zijn series ijzeren kolommen getekend van gebouwen die relevant waren voor de casussen. Deze tonen hoe materiële concepten verschijnen, verdwijnen en weer terugkomen, in een continu proces waarin de betekenis van materialen telkens wordt herladen. Het doctoraat ontwikkelt methoden en een vocabulaire om de rol van materialen te begrijpen zowel in het ontwerpproces als in de evolutie van de bouwcultuur. Daarnaast beschrijft het de kennis die nodig is om materialen betekenisvol te kunnen inzetten. Het biedt een theoretisch kader voor het begrijpen van materiële transformatie, als een proces dat gebaseerd is op zowel innovatie als continuïteit. Dit nieuwe bewustzijn zal de bouwpraktijk helpen om de toekomstige materiële innovaties in de bouwcultuur te kunnen integreren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Verdwaald in verbeelding: Speuren naar de materiële invloed van media in het architectuurontwerp. 01/10/2018 - 30/09/2020

Abstract

Het onderzoeksproject vertrekt vanuit de observatie dat de historische ontwikkeling van nieuwe soorten media die gebruikt worden om architectuurprojecten voor te stellen samenvalt met verschuivingen in architectuurparadigma's en -stijlen. Het project stelt voor om deze ogenschijnlijk causale relatie te onderzoeken door (1) een originele bijdrage aan de architectuurgeschiedenis te leveren door middel van de analyse van zes case studies en (2) door een conceptueel kader te ontwikkelen waarbinnen de actieve rol van deze media bij de vorming van ideeën, ontwerpen en kennis is te begrijpen vanuit de materiële kwaliteiten van deze media. Het onderzoek bestudeert (1) de transformatie van militaire cartografie in bouwkundige tekeningen in het 17e-eeuwse Frankrijk, in relatie tot de opkomst van het geometrisch landschapsontwerp; (2) de commercialisering van calqueerpapier in het 18e-eeuwse Midden-Europa, in verband met de opkomst van eclecticisme in de architectuur, (3) het gebruik van mallen en afgietsels als een middel om architectuur in het negentiende-eeuwse West-Europa te bestuderen, in relatie tot een zich verder ontwikkelend architecturaal eclecticisme, (4) de commercialisering van fotografie aan het begin van de twintigste eeuw, in relatie tot de modernistische avant-garde, (5) het gebruik van collage in de architectuurpraktijk van de midden twintigste eeuw, dat samenvalt met een op verbeelding gerichte, speculatieve architectuur, (6) de implementatie van Computer Aided Drawing in de architectuurpraktijk aan het einde van de twintigste eeuw, in relatie tot het parametrisch ontwerpen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Van sociobiologie naar stedelijk metabolisme: landschapsontwerp, ecologie en ingenieurskunde in België (1900-2016). 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Vandaag speelt landschapsontwerp een steeds belangrijker rol in ecologische ontwikkeling en infrastructuurplanning, wat leidt tot een herijking van de disciplines landschapsontwerp, ecologie en ingenieurskunde. Lopend onderzoek en ontwerp op het gebied van 'metropolitane landschappen' in België sluit aan bij internationale ontwerptrends, gebaseerd op twee concepten: (1) een balans tussen 'het natuurlijke' en 'het stedelijke' en (2) het potentieel van landschapsontwerp om als een integratief instrument op te treden voor verschillende disciplines en experts. Deze concepten zijn echter niet nieuw. Dit doctoraatsproject mikt op het opbouwen van een historisch besef van de rol van landschapsontwerp in relatie tot: (1) een complex veld van kennisproductie, beleidsvorming en planning en (2) verschuivende concepties van stad en natuur in België sinds de vroege 20ste eeuw. Daardoor zal het onderzoek academische en historische diepte aanbrengen in huidige ontwerpdiscoursen en bijdragen tot recente ontwikkelingen in de stadsgeschiedenis. Het onderzoek volgt een inductieve methode: een originele bijdrage aan de bestaande historiografie en theorie wordt opgebouwd doorheen een analyse van case studies. Het doctoraat is gebaseerd op drie case studies die het mogelijk maken verschuivende allianties tussen ontwerpers, wetenschappers, ingenieurs en beleidsmakers te exploreren tussen 1900 en vandaag, met geografische focus op Brussel: (1) ca. 1900-1929: bioloog Jean Massart en landschapsontwerper/stedenbouwkundige Louis Van der Swaelmen, die een 'ethologische' benadering van landschapsontwerp en een 'sociobiologische' theorie van de stedenbouw ontwikkelden; (2) 1957-1989: landschapsontwerper René Pechère en de Dienst van het Groenplan, die landschapsontwerp en ingenieurskunde verenigden binnen de opvatting van het Belgische territorium als tuin; (3) 1974-2016: bioloog Paul Duvigneaud en de Brusselse Agglomeratie, die het wetenschappelijk domein van de stedelijke ecologie ontwikkelden en in de praktijk brachten in ontwerpen van parken, corridors en netwerken in de Brusselse regio. Volgend op een literatuuronderzoek, worden deze case studies onderworpen aan een netwerk-, discours- en ontwerpanalyse, een antwoord zoekend op volgende vragen: In welke (inter)nationale netwerken opereerden landschapsontwerpers? Welke discours over de stad en de natuur werden ontwikkeld? Hoe werden termen als 'sociobiologie', 'biotechniek' en 'metabolisme' gebruikt en hoe evolueerde hun betekenis? In welke zin beïnvloedde de alliantie met ecologie en infrastructuur het ontwerp en vice versa? Het case study onderzoek is gebaseerd gepubliceerde bronnen en archiefmateriaal, in de twee meest recente cases aangevuld met interviews. Het doctoraatsonderzoek ontwikkelt een nieuwe methodologische aanpak die de transformatie van landschapsontwerp in relatie tot andere disciplines in kaart brengt. Daarenboven biedt het nieuwe perspectieven in lopende academische discussies, zowel in het gebied van stadsgeschiedenis als stedenbouw, en het opent een nieuw areaal aan archivalische en andere bronnen. Het project is bij uitstek innovatief omdat het: (1) ecologie en ingenieurskunde benadert vanuit het perspectief van landschapsontwerp, wat een nieuwe invalshoek biedt op disciplines en kennisdomeinen die tot nu toe meestal apart werden bestudeerd; (2) ideologische, socioculturele en esthetische perspectieven inbrengt in een tot nu toe technische discussie; (3) een belangrijke stap zet in de ontwikkeling van de geschiedenis van landschapsontwerp in België als een academische discipline.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)