Onderzoeksgroep

Persoon en vermogen

Expertise

Renate Barbaix is gespecialiseerd in familiaal vermogensrecht, in het bijzonder erfrecht. Zij doet onderzoek in dit domein via eigen onderzoek en als promotor of begeleider van verschillende doctoraatsonderzoekers.

De functie van en de criteria voor intergenerationeel erfrecht. 01/01/2017 - 31/12/2020

Abstract

Op grond van het Belgische intestaaterfrecht zijn de afstammelingen erfgerechtigd. Het enige criterium voor deze erfgerechtigdheid is de juridische afstammingsrelatie, zodat verschillende gezinsvormen in de kou staan. Niettegenstaande de maatschappelijke evoluties (bv nieuw samengestelde gezinnen, homoseksuele koppels met kinderen, ea) kunnen enkel afstammelingen met een juridische afstammingsband tot de nalatenschap komen; biologische afstamming volstaat niet; sociaal ouderschap evenmin. De vestiging van een juridische afstammingsrelatie is bovendien voldoende; andere vereisten (zoals bijvoorbeeld behoeftigheid, afhankelijkheid of de band met de juridische ouder) bestaan niet. Zowel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als het Grondwettelijk Hof erkennen nochtans deze variëteit aan gezinssituaties. Ook in de omringende landen erkent de (civiele) wetgever dergelijke nieuwe gezinsvormen. Zelfs de Belgische wetgever doet dat, zij het vooralsnog in belendende domeinen, zoals het onderhoudsrecht of het fiscaal recht. Deze ontwikkelingen nopen tot reflectie over de functie en de criteria voor intergenerationeel ab intestaat erfrecht. Dit onderzoek focust op de vraag of juridische afstamming noodzakelijk én voldoende kan zijn om tot ab intestaat erfrechtelijke aanspraken te besluiten. Om deze vraag te beantwoorden zal de functie van intergenerationeel erfrecht worden onderzocht.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De functie van en de criteria voor intergenerationeel erfrecht. 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Het Belgisch intestaat erfrecht tussen verschillende generaties is gebaseerd op juridische afstamming. Het enige criterium om intestaat te erven is dus de juridische bloedverwantschap. Dit criterium omvat echter verschillende familiale situaties niet. Vandaag is het maatschappelijk begrip van familiale relaties niet langer beperkt tot juridische afstammingsrelaties. Er is namelijk een tendens naar meer verschillende familiale relaties die worden ingevuld naar keuze, maar niet per se op een juridische manier vorm (kunnen) krijgen. Ondanks deze maatschappelijke evolutie, kunnen enerzijds kinderen die enkel een socio-affectieve of biologische band hebben met de overledene niet erven omwille van het noodzakelijke vereiste van juridische bloedverwantschap. Omdat juridische bloedverwantschap voldoende is om te erven -geen enkel andere criterium geeft recht op intestaat erfaanspraken-, worden anderzijds noch de financiële behoeftigheid van juridische bloedverwanten noch hun goede of slechte relatie met de erflater in rekening gebracht voor hun erfaanspraken. Nochtans houdt de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Belgisch Grondwettelijk hof in toenemende mate rekening met dergelijke verschillende familiale situaties. Er is dus een evolutie in deze rechtspraak om in mindere mate rechtsgevolgen te verbinden aan het loutere criterium van juridische afstamming. Deze evolutie is ook merkbaar in buitenlandse rechtsstelsels, zoals bv. in Nederland waar het mogelijk is om de erfrechtelijke aanspraken van stiefkinderen op gelijke voet te plaatsen met deze van juridische kinderen. Bovendien is in andere Belgische rechtsdomeinen juridische bloedverwantschap niet het enige criterium waaraan rechten zijn gekoppeld. Zo kunnen in het onderhoudsrecht biologische kinderen een onderhoudsvordering instellen tegen de nalatenschap van hun biologische ouder, wanneer zij financieel behoeftig zijn. Deze maatschappelijke en juridische tendensen leiden tot vragen naar de hedendaagse functie van en de criteria voor intergenerationeel erfrecht. Daarom zal in dit onderzoek worden nagegaan of juridische bloedverwantschap noodzakelijk is om te erven, en of het voldoende is om te erven. Om deze vragen te beantwoorden zal de functie van het erfrecht in de maatschappij worden bepaald.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Verkrijgende verjaring. 01/10/2013 - 30/09/2017

Abstract

Verkrijgende verjaring is een oorspronkelijke wijze van eigendomsverkrijging: iemand die gedurende een bepaalde termijn het bezit heeft van een zakelijk recht (eigendom of een beperkt zakelijk recht zoals bv. vruchtgebruik), verkrijgt dat recht. Het huidige Belgische wetgevend kader voor verkrijgende verjaring is vrij complex en onlogisch. Bovendien plaatst recente rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens deze problematiek internationaal in een nieuw daglicht en in de belangstelling. Het onderwerp heeft een groot praktisch belang (bv. aankoop van een goed (bv. gestolen wagen) waarbij naderhand de verkoper niet de eigenaar blijkt te zijn; samenwoners of erfgenamen die in het bezit komen van waardevolle goederen (bv. waardepapieren) alsook discussies m.b.t. de revindicatievordering in beslagprocedures). Dit onderzoeksvoorstel beoogt een coherente, duidelijke en rechtsvergelijkend onderbouwde theorie aan te reiken met de nodige (beleids)aanbevelingen door middel van een fundamentele studie van de verkrijgende verjaring, met een grondige en kritische analyse van de twee constitutieve voorwaarden bij verkrijgende verjaring: bezit en termijn. Het onderzoek analyseert enerzijds op kritische wijze het bestaande systeem van de verkrijgende verjaring, met bijzondere aandacht voor de verantwoording van het huidige systeem en toetst anderzijds de conformiteit ervan met nationale en internationale bronnen alsook zijn actualiteitswaarde. De centrale onderzoeksvraag luidt: In welke mate is het huidige wettelijke kader inzake de verkrijgende verjaring, gelet op nationale en internationale evoluties, houdbaar en welke aanpassingen kunnen worden voorgesteld?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Groepsverzekeringen en huwelijksvermogensrecht: een mislukt huwelijk? 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

Deze KP BOF-aanvraag beoogt fundamenteel, intradisciplinair onderzoek over de gevolgen van groepsverzekeringen op het huwelijksvermogensrecht. Niettegenstaande de veelvuldige toepassing ervan in de praktijk, leidt de huidige regeling tot grote rechtsonzekerheid, onder meer doordat zij reeds meermaals onverenigbaar werd bevonden met het Grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Het KP BOF project beoogt deze praktijk eerst in kaart te brengen en vervolgens de regeling grondig en kritisch te analyseren en te evalueren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)