Onderzoeksgroep

Overheid en Recht

Expertise

Expertise in Belgisch en vergelijkend bestuursrecht in het algemeen en in het bijzonder in de volgende thema's: - bestuursorganisatierecht (verzelfstandigde besturen, onafhankelijke agentschappen etc.); - bestuurlijke besluitvorming en procedure; - bestuurlijke handhaving; - economisch bestuursrecht (regulering en overheidscontracten); - recht van de ruimtelijke ordening; - Europees bestuursrecht en de verhouding tot het nationaal recht.

Naar een theorie over algemene beginselen van bewijs in het bestuursrecht. 01/10/2019 - 30/09/2023

Abstract

Dagelijks worden er in België talloze beslissingen genomen door allerhande besturen. Sommige beslissingen steunen op feiten die vrij gemakkelijk vast te stellen zijn (geboortedatum, woonplaats,…). Andere beslissingen vereisen echter een nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek en bewijs van alle relevante feiten alvorens de overheid met kennis van zaken een zorgvuldige beslissing kan nemen. Beslissingen over omgevingsvergunningen bijvoorbeeld vereisen een precieze, technische kennis van de ligging van het project, de gevaren van bepaalde exploitaties, de verwachte mobiliteits- en milieuhinder enz. Het opleggen van een tuchtstraf aan een ambtenaar die de feiten ontkent impliceert soms het stellen van allerlei onderzoekshandelingen. Over welke onderzoeks- en bewijsmethoden beschikt het bestuur dan? En op wie rust de delicate en moeilijke bewijslast bij een asielaanvraag? Heel wat bestuurlijke beslissingen worden vernietigd door de bestuursrechter omdat de feiten niet op een behoorlijke, zorgvuldige manier werden vastgesteld of beoordeeld. Soms rijst echter ook de vraag of de controle van de bestuursrechter op de feitenvaststelling door het bestuur wel afdoende is. Hier spelen overwegingen die raken aan fundamentele rechten. Vereist het recht op een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht (art. 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) dat de rechter zich op dit vlak actiever opstelt en niet slechts de zorgvuldigheid van het onderzoek door het bestuur nagaat? Problematisch voor zowel burgers, besturen én bestuursrechters, is dat in België elke theorievorming over het bewijsrecht in bestuurszaken ontbreekt. Wie draagt de bewijslast? Wie moet wat bewijzen en welke bewijsmiddelen zijn daarbij toegelaten? En wat is de taak van de rechter bij het onderzoek van de feiten? Een antwoord op deze vragen zou een belangrijke leemte opvullen in de juridisch-academische kennis. Het doel van dit onderzoek is te komen tot een globale theorievorming inzake het bewijs in het bestuursrecht en dit zowel in de bestuurlijke fase als in de fase voor de bestuursrechter. Hiertoe onderzoeken we de rechtspraak van de Raad van State en een selectie van bijzondere bestuursrechters en zoeken we via rechtsvergelijkend onderzoek inspiratie in buitenlandse rechtsstelsels. Weten wie wat moet bewijzen via welke bewijsmiddelen en hoe de rechter het voorliggende bewijs moet evalueren/controleren is essentieel voor de rechtszekerheid en dus voor de rechtstaat. Zowel het wetenschappelijk als maatschappelijk belang van dit thema staat dan ook buiten kijf. De resultaten van het onderzoek kunnen niet alleen een houvast bieden aan burgers, besturen en rechters; ze kunnen tevens een inspiratiebron zijn voor de regelgever voor het opstellen van een algemeen juridisch kader met betrekking tot bewijs in het bestuursrecht.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Partijdigheid in het Belgische bestuursrecht: analyse van de effectiviteit van de jurisdictionele rechtsbescherming. 01/10/2019 - 30/09/2020

Abstract

Een bouwonderneming die meedong naar een overheidsopdracht maar verloor, verneemt dat er nauwe persoonlijke banden bestaan tussen personen in het bestuur en de begunstigde van de opdracht. Een kandidaat voor een benoeming stelt vast dat de voormalige werkgever van de kandidaat die als eerste werd gerangschikt in de jury zetelde. Een gemeenteambtenaar tegen wie een tuchtonderzoek loopt, leest in de krant dat zijn burgemeester er al van uitgaat dat hij schuldig is en streng gestraft moet worden. In al deze situaties zou de persoon in kwestie de eindbeslissing kunnen aanvechten bij de bestuursrechter met een beroep op het verbod van partijdigheid dat rust op het bestuur. Een kort vooronderzoek wijst echter uit dat de slaagkans van een dergelijk beroep in België laag is. Het voorgestelde onderzoek heeft tot doel na te gaan wat de expliciete en impliciete redenen zijn voor het hoge aantal falende beroepen en wat het relatief belang van die redenen is. Dat gebeurt via een systematische analyse van de rechtspraak van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen over een periode van 8 jaar. Het onderzoek zal onthullen waar precies de 'achilleshielen' van het onpartijdigheidsbeginsel liggen, zijnde de factoren die een effectieve rechterlijke afdwinging ervan bemoeilijken. Via vergelijking met andere rechtssystemen zullen, waar mogelijk, oplossingen voor de geïdentificeerde problemen worden aangereikt.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De Architect en het Recht in een Context van Collaboratief Design. 01/04/2018 - 31/03/2019

Abstract

De architect van vandaag ontwerpt niet langer in isolement. Hij werkt en staat in contact met diverse andere professionele actoren, zoals experten op het vlak van mobiliteit, sociologie en ingenieurswetenschappen. Zijn rekenschapsplicht strekt zich uit tot ver buiten de relatie met zijn cliënt; de architect draagt ook een verantwoordingsplicht ten aanzien de overheden betrokken in het ruimtelijkeordeningsbeleid en ten aanzien van de gebruikers van de publieke ruimte (burgers). In een eerste stap wil dit project deze ontwikkelingen in kaart brengen. Het steunt daarvoor op een nauwe samenwerking met collega's van de Faculteit Ontwerpwetenschappen. Vervolgens wordt de verander(en)de professionele context waarin architecten opereren in verband gebracht met het juridische kader dat bepalend is voor de juridische positie van de architect in België. Het project focust daarbij op het recht van de ruimtelijke ordening, het bouwrecht sensu stricto en het intellectueel eigendomsrecht. Voor elk van die domeinen, rijst de vraag of en in welke mate het recht achterop hinkt. Ten slotte rijst de vraag, voor die gevallen waarin het recht er nog niet in slaagt om in te spelen op de actuele uitdagingen, hoe het recht zou kunnen / moeten evolueren? Met het oog op het identificeren van oplossingen en aanbevelingen, kijken we naar het buitenlandse recht door middel van rechtsvergelijkend onderzoek.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Legaliteit en Governance van de Bestuurlijke Discretionaire Bevoegdheid in het Recht van de Ruimtelijke Ordening: 'Esthetische waarde' als Stedenbouwkundig Relevant Criterium. 01/10/2016 - 30/09/2019

Abstract

Over smaken valt niet het twisten en dat is niet anders in de architectuur. Maar betekent dat ook dat besturen nooit aan esthetische regulering kunnen doen in het stedenbouwrecht? Onderzoek in het domein van de psychologie heeft uitgewezen dat ons oordeel over de schoonheidswaarde van onze omgeving belangrijke gevolgen heeft voor ons welzijn als individuen en als samenleving. Als een esthetisch aangename omgeving inderdaad van algemeen belang is, lijkt het legitiem dat de overheid enige controle uitoefent op de esthetiek van gebouwen en buurten. Stedenbouwkundige overheden beschikken over het algemeen over een grote appreciatievrijheid (discretionaire bevoegdheid) op het vlak van esthetische regulering. Maar precies omdat esthetiek als iets subjectiefs wordt gezien, is niet iedereen het erover eens dat een dergelijke vrijheid wenselijk is. De vraag rijst meer bepaald wie mag (mee)beslissen over de definitie van 'schoonheid' in deze context. Architecten, als relevante experten? Het publiek? Dit is ook belangrijk omdat esthetische regulering raakt een fundamentele rechten. Eigenaars verwijzen naar hun eigendomsrecht, architecten menen dat hun artistieke (menings)vrijheid geen censuur verdraagt. Het publiek, ten slotte, kan van oordeel zijn dat het recht heeft op een aangename leefomgeving, wat dan weer als aspect van het recht op privéleven kan worden gezien. Het project bestudeert hoe het Vlaams ruimtelijk ordeningsrecht omgaat met deze vragen en zoekt daarvoor inspiratie in het recht van de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Nederland.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De oprichting van verzelfstandigde besturen vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief: internationale impuls, nationale beheersing en de verzoening van deze trends. 01/10/2014 - 30/09/2016

Abstract

Het recht met betrekking tot de oprichting van verzelfstandigde besturen binnen de bestuursorganisatie van Europese staten wordt thans gekenmerkt door twee trends. Enerzijds verplicht of moedigt het internationaal of supranationaal recht overheden aan om verzelfstandigde besturen op te richten. De regulatoren in de nutssectoren, wier statuut in steeds grotere mate het voorwerp uitmaakt van Europese regelgeving, vormen hiervan het meest bekende voorbeeld. Anderzijds vinden er op het nationale niveau pogingen plaats om de evolutie naar verzelfstandiging af te remmen. Er rijzen steeds meer vragen naar de verenigbaarheid van deze bestuursvorm met fundamentele constitutionele principes en in sommige staten werd al kaderregelgeving uitgevaardigd, die de voorwaarden vastlegt waaronder tot verzelfstandiging kan worden overgegaan. Beide trends worden eerst afzonderlijk bestudeerd, om ten slotte te onderzoeken in welke mate zij conflicteren en hoe ze eventueel kunnen worden verzoend. Het onderzoek gebeurt integraal vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De oprichting van verzelfstandigde besturen vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief: internationale impuls, nationale beheersing en de verzoening van deze trends. 01/10/2012 - 30/09/2014

Abstract

Het recht met betrekking tot de oprichting van verzelfstandigde besturen binnen de bestuursorganisatie van Europese staten wordt thans gekenmerkt door twee trends. Enerzijds verplicht of moedigt het internationaal of supranationaal recht overheden aan om verzelfstandigde besturen op te richten. De regulatoren in de nutssectoren, wier statuut in steeds grotere mate het voorwerp uitmaakt van Europese regelgeving, vormen hiervan het meest bekende voorbeeld. Anderzijds vinden er op het nationale niveau pogingen plaats om de evolutie naar verzelfstandiging af te remmen. Er rijzen steeds meer vragen naar de verenigbaarheid van deze bestuursvorm met fundamentele constitutionele principes en in sommige staten werd al kaderregelgeving uitgevaardigd, die de voorwaarden vastlegt waaronder tot verzelfstandiging kan worden overgegaan. Beide trends worden eerst afzonderlijk bestudeerd, om ten slotte te onderzoeken in welke mate zij conflicteren en hoe ze eventueel kunnen worden verzoend. Het onderzoek gebeurt integraal vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De oprichting van verzelfstandigde besturen vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief: internationale impuls, nationale beheersing en de verzoening van deze trends 01/10/2011 - 30/09/2012

Abstract

Het recht met betrekking tot de oprichting van verzelfstandigde besturen binnen de bestuursorganisatie van Europese staten wordt thans gekenmerkt door twee trends. Enerzijds verplicht of moedigt het internationaal of supranationaal recht overheden aan om verzelfstandigde besturen op te richten. De regulatoren in de nutssectoren, wier statuut in steeds grotere mate het voorwerp uitmaakt van Europese regelgeving, vormen hiervan het meest bekende voorbeeld. Anderzijds vinden er op het nationale niveau pogingen plaats om de evolutie naar verzelfstandiging af te remmen. Er rijzen steeds meer vragen naar de verenigbaarheid van deze bestuursvorm met fundamentele constitutionele principes en in sommige staten werd al kaderregelgeving uitgevaardigd, die de voorwaarden vastlegt waaronder tot verzelfstandiging kan worden overgegaan. Beide trends worden eerst afzonderlijk bestudeerd, om ten slotte te onderzoeken in welke mate zij conflicteren en hoe ze eventueel kunnen worden verzoend. Het onderzoek gebeurt integraal vanuit Europees rechtsvergelijkend perspectief.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)