Onderzoeksgroep

Centrum voor Computerlinguïstiek en Psycholinguïstiek (CLiPS)

Expertise

Taalverwerving bij jonge kinderen Taal leren Taal bij dove kinderen met een cochleair implantaat

Fundamentele frequentie in het brabbelen en eerste woordgebruik van horende en gehoorgestoorde kinderen: intrinsieke toonhoogte. 01/01/2021 - 31/12/2024

Abstract

In zowat alle talen van de wereld worden hoge vocalen (zoals de /i/ in hier en de /u/ in 'koe') uitgesproken met een hogere toonhoogte dan lage vocalen (zoals de /a/ in 'daar'). Dit fenomeen wordt intrinsieke vocaaltoonhoogte genoemd. Hoe kunnen we dit fenomeen verklaren? Wetenschappers hebben twee verklaringen voorgesteld: 1. Dat heeft in essentie te maken met hoe ons spraakapparaat werkt: voor de uitspraak van /i/ of /u/ wordt de tong hoog geheven vooraan in de mond. Die spanning van de tong heeft uiteindelijk als resultaat dat de stembanden worden aangespannen, en dus een hogere toonhoogte produceren. Bij lage vocalen gebeurt net het omgekeerde, met een lagere toon als gevolg. 2. Dat heeft te maken met de intenties van de spreker: die wil de vocalen zo veel mogelijk van elkaar doen verschillen om zo klaar en duidelijk mogelijk te praten. Wetenschappers zijn het echter niet eens over welke verklaring de juiste is, maar wel over het volgende: als de eerste verklaring correct is dan moet intrinsieke vocaaltoonhoogte ook voorkomen in het brabbelen van een baby. En dan moet het fenomeen ook voorkomen in het brabbelen van een baby die doof geboren wordt. Verwonderlijk: dit is nog nooit systematisch en op grote schaal onderzocht. Dat gaan we in dit onderzoeksproject doen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

"Klare spraak": spraak gericht aan jonge kinderen met en zonder gehoorbeperking. 01/01/2018 - 31/12/2021

Abstract

In dit project onderzoeken wij spraak aan jonge kinderen gericht (IDS, "infant directed speech"). Sinds het baanbrekende werk van Snow & Ferguson (1977) is er een consensus gegroeid dat IDS een aantal karakteristieken vertoont die IDS onderscheiden van ADS ("adult directed speech"). Een prototypisch voorbeeld zijn de vocalen: in IDS worden vocalen duidelijker uitgesproken dan in ADS, wat o.m. kan worden afgeleid uit de grotere vocaalruimte in IDS (Kuhl 2000). Recent werd deze consensus echter fundamenteel in vraag gesteld. Martin et al. (2015) besluiten hun studie van IDS en ADS in het Japans als volgt: "Mothers speak less clearly to infants than to adults." Dat is net de tegenovergestelde bevinding dan wat eerder als een bewezen feit werd aangenomen. In dit project willen wij deze contrasterende bevindingen nader onderzoeken gebruik makend van een groot longitudinaal corpus van IDS en ADS in het Nederlands. Twee variabelen gaan wij daarbij vooral bekijken die in het verleden grotendeels over het hoofd werden gezien: 1. de longitudinale ontwikkeling: hoe verandert IDS relatief t.a.v. de chronologische leeftijd, en nog belangrijker, de "talige leeftijd" van een kind? "Talige leeftijd" operationliseren we in termen van de ontwikkeling van de cumulatieve woordenschat en van de uitingslengte. 2. Karakteristieken van het kind als gesprekspartner: verschilt de spraak aan een normaal horend kind gericht van de spraak gericht aan een doof kind met een cochleair implantaat?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Artificieel horen: neurale netwerken en de akoestische identificeerbaarheid van kinderen met een cochleair implantaat. 01/10/2017 - 30/09/2021

Abstract

Ongeveer 1 op 1000 pasgeborenen wordt gediagnosticeerd met bilateraal, ernstig tot zeer ernstig gehoorverlies. Gehoorapparaten, zoals cochleaire implantaten (CI), hebben ongekende perspectieven gecreëerd voor deze kinderen. Hoewel CI in het algemeen leiden tot een opmerkelijke vooruitgang in de gesproken taalvaardigheid van slechthorende kinderen, blijft hun spraak niettemin vaak afwijken van die van normaal horende kinderen, zelfs als zij het apparaat al verschillende jaren gebruiken. Volwassen sprekers zijn dan ook in staat om het onderscheid te maken tussen de spraak van deze CI-kinderen en die van normaal horende kinderen. Verrassend genoeg zijn de precieze spraakeigenschappen waarop volwassenen zich baseren om tot dergelijke oordelen te komen tot dusver ongrijpbaar gebleven: dat maakt het moeilijk voor clinici om specifieke behandelingen te ontwikkelen. In dit project willen we recente ontwikkelingen in het computationeel leren van "diepe representaties" gebruiken om vat te krijgen op deze kenmerken. Connectionistische modellen (zoals neurale netwerken) hebben veelbelovende resultaten laten zien in het modelleren van ruwe audio-signalen, zoals opgenomen spraak. Door de zorgvuldige analyse, visualisatie en interpretatie van dergelijke modellen, willen we achterhalen welke specifieke eigenschappen in de spraak van CI-kinderen verantwoordelijk zijn voor de identificeerbaarheid van hun spraaksignaal.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

FWO Sabbatsverlof 2019-2020 (Steven Gillis). 01/10/2019 - 30/09/2020

Abstract

Het doel van deze wetenschappelijke opdracht is drieledig: 1. Spraak- en taalontwikkeling bij congenitaal dove kinderen met een cochleair implantaat (CI): voorbereiding van een state-of-the-art overzicht van recent onderzoek; 2. Spraak en taalontwikkeling bij congenitaal dove kinderen met een auditief hersenstamimplantaaat (ABI): analyse van een recent verzameld longitudinaal spraakcorpus van deze nieuwe populatie; 3. Ontsluiting van longitudinale en cross-sectionele spraakcorpora verzameld door de onderzoeksgroep: ontsluiting via TalkBank.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Hersenstamimplantaten en taalontwikkeling 01/10/2017 - 30/09/2020

Abstract

De gesproken taalverwerving van congenitaal dove kinderen met een auditief hersenstamimplantaat (ABI, Auditory Brainstam Implant) wordt onderzocht. ABI is een relatief recente techniek die kan toegepast worden bij kinderen met een ernstig gehoorverlies dat toegeschreven kan worden aan o.m. het ontbreken van een gehoorzenuw. Onderzoek van de spraakperceptie van jonge kinderen met een ABI werd intussen al spraarzaam beschreven in de internationale literatuur, maar een linguïstisch gefundeerde beschrijving van het spraakproductie ontbreekt quasi volledig. Het doel van dit project is om de fonologische en lexicale ontwikkeling van kinderen met een ABI te beschrijven, tegen de achtergrond van de spraak- en taalontwikkeling van normaal horende kinderen en ernstig gehoorgestoorde kinderen met een cochleair implantaat. De focus van het project zal liggen op de longitudinale ontwikkeling van het woordgebruik van kinderen met een ABI. Daarbij wordt de cumulatieve woordenschat in kaart gebracht, en wordt de balans tussen gesproken en woorden en gebaren onderzocht. Daarnaast zal gekeken worden naar de fonologische ontwikkeling: welke segmenten worden in welke volgorde verworven? Welke fonologische deletie en substitutiepatronen kunnen ontdekt worden in de woordproducties? Wat is de consistentie, de variabiliteit en de accuraatheid van de woordproducties?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Identificeerbaarheid en verstaanbaarheid van de spraak van gehoorgestoorde kinderen met een cochleair implantaat 01/10/2017 - 30/09/2019

Abstract

Tot voor kort bleven kinderen die doof geboren werden hun hele leven doof. Dit vormde een enorme belemmering voor de ontwikkeling van gesproken taal. Tegenwoordig kunnen dove kinderen met een probleem in het slakkenhuis geholpen worden door een cochleair implantaat (CI) zodat ze al op zeer jonge leeftijd kunnen "horen", of beter gezegd: ze kunnen geluiden waarnemen. Het eerste wat de ouders van deze kinderen zich afvragen is: "Zal mijn kind met een implantaat kunnen horen?" Het antwoord hierop is in ieder geval positief. De tweede vraag is meestal: "Zal mijn kind spreken en klinken zoals zijn normaalhorende leeftijdsgenootjes?" Deze vraag blijft tot dusver onbeantwoord. Dit aspect wordt in dit onderzoek vanuit twee perspectieven beschouwd, namelijk de identificeerbaarheid en de verstaanbaarheid van kinderen met een cochleair implantaat. Recente onderzoeken tonen aan dat er in de spraak van zes- tot zevenjarige CI-kinderen kleine verschillen te vinden zijn ten opzichte van de spraak van normaalhorende kinderen. Maar zijn deze meetbare details ook hoorbaar voor het menselijke oor? Zijn ze met andere woorden opvallend genoeg om de spraak van CI-kinderen betrouwbaar te kunnen identificeren? Dit zal onderzocht worden door personen te laten luisteren naar opnames van de spraak van CI-kinderen, kinderen met een hoorapparaat en normaalhorende kinderen. Een tweede onderzoeksvraag betreft de verstaanbaarheid van de spraak van CI-kinderen. Vooraleer deze kinderen naar de basisschool gaan, is het namelijk van wezenlijk belang om te weten of hun spraak ook verstaanbaar is voor personen die niet vertrouwd zijn met de spraak van CI-kinderen. In dit project gaan we de verstaanbaarheid beoordelen door gebruik te maken van verschillende methoden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een akoestische analyse van woordklemtoon en ritme in vroege interacties van Nederlandstalige kinderen en hun ouders: Een longitudinale studie. 01/10/2015 - 30/09/2018

Abstract

Onderzoek toont aan dat neonatale kinderen het woordklemtoonpatroon en het ritme van hun inputtaal herkennen. Het is echter niet geweten wanneer en hoe de kinderen deze perceptuele kennis gaan gebruiken in hun eigen spraakproductie. Dit onderzoeksproject analyseert de verwerving van woordklemtoon en ritme in de periode waarin kinderen brabbelen en hun eerste woorden produceren. Het onderzoek naar woordklemtoon en ritme in de spraak van jonge kinderen is bijzonder relevant aangezien deze prosodische aspecten van cruciaal belang zijn voor de algemene taalontwikkeling.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Identificeerbaarheid en verstaanbaarheid van de spraak van gehoorgestoorde kinderen met een cochleair implantaat. 01/10/2015 - 30/09/2017

Abstract

Tot voor kort bleven kinderen die doof geboren werden hun hele leven doof. Dit vormde een enorme belemmering voor de ontwikkeling van gesproken taal. Tegenwoordig kunnen dove kinderen met een probleem in het slakkenhuis geholpen worden door een cochleair implantaat (CI) zodat ze al op zeer jonge leeftijd kunnen "horen", of beter gezegd: ze kunnen geluiden waarnemen. Het eerste wat de ouders van deze kinderen zich afvragen is: "Zal mijn kind met een implantaat kunnen horen?" Het antwoord hierop is in ieder geval positief. De tweede vraag is meestal: "Zal mijn kind spreken en klinken zoals zijn normaalhorende leeftijdsgenootjes?" Deze vraag blijft tot dusver onbeantwoord. Dit aspect wordt in dit onderzoek vanuit twee perspectieven beschouwd, namelijk de identificeerbaarheid en de verstaanbaarheid van kinderen met een cochleair implantaat. 1) Identificeerbaarheid Recente onderzoeken tonen aan dat er in de spraak van zes- tot zevenjarige CI-kinderen kleine verschillen te vinden zijn ten opzichte van de spraak van normaalhorende kinderen. Maar zijn deze meetbare details ook hoorbaar voor het menselijke oor? Zijn ze met andere woorden opvallend genoeg om de spraak van CI-kinderen betrouwbaar te kunnen identificeren? Dit zal onderzocht worden door personen te laten luisteren naar opnames van de spraak van CI-kinderen, kinderen met een hoorapparaat en normaalhorende kinderen. 2) Verstaanbaarheid Een tweede onderzoeksvraag betreft de verstaanbaarheid van de spraak van CI-kinderen. Vooraleer deze kinderen naar de basisschool gaan, is het namelijk van wezenlijk belang om te weten of hun spraak ook verstaanbaar is voor personen die niet vertrouwd zijn met de spraak van CI-kinderen. In dit project gaan we de verstaanbaarheid beoordelen door gebruik te maken van verschillende methoden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Bootstrapping operaties in de taalverwerving: een computationeel psycholinguistische benadering. 01/01/2014 - 31/12/2017

Abstract

We onderzoeken hoe kinderen abstracte linguïstische categorieën leren. Daarvoor worden computersimulaties van bootstrapping operaties ontworpen: hoe kan kennis uit één domein gebruikt worden om kennis te verwerven van een ander domein? In de simulaties wordt reële omgevingstaal aan jonge kinderen gebruikt en wordt nagegaan hoe grammaticale woordcategorieën en grammaticaal geslacht via een combinatie van distributionele, fonologische en morfologische bootstrapping verworden kunnen worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Klemtoon en ritme in de vroege spraak van horende kinderen en dove kinderen met een cochleair implantaat: Een longitudinaal onderzoek. 01/11/2013 - 31/10/2017

Abstract

Baby's zijn van bij de geboorte gevoelig voor het ritme van de omgevingstaal: zij luisteren preferentieel naar woorden die het meest frequente klemtoonpatroon van de moedertaal hebben, en zij kunnen een onderscheid maken tussen het "staccato" ritme van Romaanse talen en het "morse" ritme van Germaanse talen. Dus de klemtoonpatronen en de ritmiek van de omgevingstaal spelen al van heel vroeg in het eerste levensjaar een belangrijke rol in bijvoorbeeld de segmentatie van spraak. Hierover is o.m. onder impuls van P. Jusczyck de laatste decennia veel onderzoek over verricht. Het is dan ook opmerkelijk dat relatief weinig geweten is over hoe en wanneer baby's en peuters die ritmiek in hun eigen vocale productie brengen. In dit project onderzoeken wij de klankproducties van baby's en peuters tijdens de eerste twee levensjaren, m.n. de brabbels (pretalige consonant-vocaal sequenties) en de vroege woordproducties. Wij zullen nagaan of en hoe in die klankproducties klemtoon gerealiseerd wordt aan de hand van (1) perceptuele beoordelingen en (2) metingen van de akoestische correlaten van klemtoon (F0 fluctuaties, duurverschillen en intensitietsverschillen in disyllabische vocaliseringen). Daarnaast zullen wij het ritme van vocaliseringen onderzoeken met metrieken die in de literatuur al gebruikt werden voor het meten van de verschillen tussen "stress-timed" en "syllable-timed" talen. Uiteraard zijn wij in dit onderzoek in de eerste plaats geïnteresseerd inde relatie tussen de correlaten van klemtoon en ritme in de vocale productie van de kinderen met die van hun primaire verzorgers. Een tweede doelstelling betreft de rol van het gehoor in de prosodische ontwikkeling. Verloopt de prosodische ontwikkeling gelijkaardig bij normaal horende kinderen en bij doof geboren kinderen met een cochleair implantaat? Wat is precies de rol van de "hoorleeftijd" in de prosodische ontwikkeling? Met dit project beogen wij dus een fundamentele bijdrage te leveren tot de kennis over de prosodische ontwikkeling in de pretalige en de vroegtalige ontwikkeling, een domein dat tot op heden in de literatuur eerder schaars aan bod is gekomen. En wij willen een baanbrekend onderzoek verrichten naar de prosodische ontwikkeling bij dove kinderen met een cochleair implantaat. Klemtoon en ritme werden – voor zover ons bekend – nog nooit onderzocht in deze populatie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een akoestische analyse van woordklemtoon en ritme in vroege interacties van Nederlandstalige kinderen en hun ouders: een longitudinale studie. 01/10/2013 - 30/09/2015

Abstract

Onderzoek toont aan dat neonatale kinderen het woordklemtoonpatroon en het ritme van hun inputtaal herkennen. Het is echter niet geweten wanneer en hoe de kinderen deze perceptuele kennis gaan gebruiken in hun eigen spraakproductie. Dit onderzoeksproject analyseert de verwerving van woordklemtoon en ritme in de periode waarin kinderen brabbelen en hun eerste woorden produceren. Het onderzoek naar woordklemtoon en ritme in de spraak van jonge kinderen is bijzonder relevant aangezien deze prosodische aspecten van cruciaal belang zijn voor de algemene taalontwikkeling.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De accuraatheid van de spraakproductie van jonge kinderen: normaal horende kinderen en dove kinderen met een cochleair implantaat. 01/01/2013 - 31/12/2016

Abstract

Het doel van het project is de vroege spraakproductie te onderzoeken in twee groepen van kinderen die verschillen in auditieve peceptie, nl. kinderen met normaal gehoor (NH) en dove kinderen met een cochleair implantaat (CI). De kinderen werden longitudinaal gevolgd tussen 6 en 24 maanden (NH), en 24 maanden vanaf de activiatie van hun CI. In dit al volledig verzamelde en getranscribeerde corpus worden de lexicale producties onderzocht op hun accuraatheid, wordt de accuraatheid van de twee groepen vergeleken, en wordt gezocht naar een verklaring voor de verschillen en overeenkomsten in accuraatheid. Ultiem willen wij een beter inzicht verwerven in de rol van de auditieve perceptie in de ontwikkeling van de spraakproductie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Meervoudsvormen van Antwerps Jiddische zelfstandige naamwoorden (AYNP). 01/09/2012 - 31/08/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds EU. UA levert aan EU de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Morfosyntactische taalvaardigheid bij dove kinderen met een cochleair implantaat: een cross-linguïstisch onderzoek naar het Nederlands en het Duits (MORLAS). 01/07/2012 - 30/09/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds EU. UA levert aan EU de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Taalaanbod in de taalverwerving: horende kinderen met verschillende SES achtergrond en dove kinderen met een cochleair implantaat. 01/01/2011 - 31/12/2014

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dual electric-acoustic speech processor with linguistic assessment tools for deaf individuals with residual low frequency hearing. (DUAL-PRO) 01/07/2008 - 30/06/2010

Abstract

Tot op heden kunnen patiënten met sensori-neural gehoorverlies geholpen worden hetzij met klassieke hoortoestellen (op basis van akoestische stimulatie), hetzij met cochleaire implantaten (op basis van electrische stimulatie). Vaak wordt er voor klassieke hoortoestellen geopteerd bij matige tot zware slechthorendheid (tot 90 dB gehoorverlies) en voor cochleaire implantaten (CI) in geval van doofheid (gehoorverlies > 90dB). Met het oog op een optimale perceptie van het spraaksignaal werden CIs voornamelijk ontworpen om de midden- en hoge frequenties van het geluid te coderen (spectrale codering). De implantaten presteren evenwel minder goed in de lage frequenties (temporele codering). Deze bevatten voornamelijk informatie aangaande tonaliteit, musicaliteit en timbre. Vele CI-gebruikers komen derhalve tot een goed spraakverstaan en ¿productie, maar vertonen belangrijke deficieten in de perceptie van muziek en de intonationele aspecten van taal. In het geval van jonge kinderen hebben dergelijke deficieten een belangrijke invloed op het algehele taalontwikkelingsproces. Men kan dus verwachten dat een verbetering in de perceptie van lage frequenties hun talige capaciteiten zal doen toenemen en derhalve ook hun kans op integratie in het reguliere onderwijs drastisch zal doen verhogen. Momenteel is er evenwel geen eenduidige oplossing om CI spraakprocessoren aan te passen met het oog op een betere codering van de lage frequenties. De pogingen die tot nog toe werden ondernomen resulteerden weliswaar in de beoogde verbetering in muziekperceptie, maar hadden als ongewild neveneffect dat er duidelijke problemen optraden met betrekking tot foneemperceptie. Een beloftevol alternatief bestaat erin een spraakprocessor te ontwerpen die de voordelen van het klassiek hoorapparaat en het cochleair implantaat in één toestel combineert: de akoestische stimulatie van de lage frequenties geeft dan informatie over de temporele aspecten van het geluid, terwijl de implanttechnologie de midden- en lage frequenties stimuleert en derhalve spectrale informatie verschaft. Een dergelijke hybride stimulatie heeft een enorm potentieel, in het bijzonder voor mogelijk CI-kandidaten op basis van doofheid in de hoge frequenties, maar met residueel gehoor in de lage frequenties. Doelstellingen van het project: (i) het optimaliseren van het gehoor van de dove patiënt door het ontwikkelen van een nieuw hoortoestel waarin beide types van stimulatie worden gecombineerd in één toestel en één oor (ipsilaterale hybride akoestisch-electrische stimulatie); (ii) het ontwikkelen van een testbatterij voor het meten van prosodische perceptie, d.i. ritme en melodie van de taal; (iii) aan de hand van deze testbatterij de kwaliteit van de huidige generatie van cochleaire implantaten en van klassieke hoortoestellen te vergelijken met die van het nieuw ontwikkelde hybride electrisch-akoestische prototype.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Syntaxis voor de geest. Gesproken taalontwikkeling en ontwikkeling van Theory of Mind in dove kinderen met een cochleair implantaat. 01/12/2007 - 30/11/2010

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De invloed van het gehoor op de vroege lexicale ontwikkeling van dove kinderen met en zonder cochleair implantaat. 01/01/2007 - 31/10/2007

Abstract

Bij congenitaal dove kinderen met een Cochleair Implantaat kan men observeren dat de vroege taalverwerving doorgaans via twee modaliteiten verloopt; zowel met gesproken woorden als gebaren; dove kinderen zonder CI verwerven de taal veelal monolinguaal, d.m.v. gebaren. Door de vroege lexicale ontwikkeling van beide groepen longitudinaal te bestuderen en bovendien te vergelijken met die van normaal horende kinderen, zal het onderzoek de vraag beantwoorden of er in kinderen met CI sprake is van een simultane ontwikkeling, waarbij er invloed van de éne modaliteit op de andere is; dan wel van twee gescheiden ontwikkelingspaden voor beide modaliteiten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Taal en spraak van jonge Nederlandstalige kinderen: Horende kinderen en dove kinderen met een cochleaire implantatie. 01/01/2006 - 31/12/2009

Abstract

In dit project onderzoeken we de prelexicale en de vroeglexicale spraak- en taalproductie bij jonge dove kinderen met een cochleaire implantatie (CI) en we vergelijken de verwervingsstadia en -patronen met een groep van horende leeftijdsgenoten. Cruciaal is de vraag of implantatie in het eerste/tweede levensjaar tot gevolg heeft dat kinderen met een CI op het vlak van de spraak- en taalontwikkeling toch binnen de 'normale' grenzen van hun horende leeftijdsgenoten bevinden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Akoestisch fonetische karakteristieken van de spraak na een cochleaire implantatie in het eerste levensjaar. 01/10/2005 - 30/09/2009

Abstract

Het doel van het project is om de spontane spraak te analyseren van congenitaal dove baby's die op heel vroege leeftijd een cochleaire implantatie hebben gekregen. (1) In hoeverre stemmen de akoestische-fonetische karakteristieken (frequentie, resonantie, intensiteit, timing) van het brabbelen van CI kinderen overeen met die van horende leeftijdsgenoten? (2) Manifesteren de typische fonetische kenmerken van "dovenspraak" zich in de spraak van 6-jarige CI kinderen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Uitspraakvariatie in het Standaardnederlands: sjwa-insertie in Vlaanderen en Nederland. 01/10/2005 - 30/09/2008

Abstract

Dit project beoogt de studie van sjwa-insertie in gesproken Standaardnederlands. Met sjwa-insertie wordt bedoeld: de invoeging van een sjwa in heterorganische consonantenclusters aan het woordeinde (bv. melk > mellek, dorp > dorrep) en middenin het woord (bv. werken > werreken, kalme > kalleme). Sjwa-insertie kan in verband worden gebracht met verschillende intra- en extralinguïstische factoren. Zo verbinden fonologen sjwa-insertie met factoren als klemtoon, syllabestructuur, de samenstelling van het consonantencluster en het aantal syllaben in het woord. Ook factoren als spreeksnelheid, woordfrequentie en de kwaliteit van de liquida zouden een rol kunnen spelen. Verder is bekend uit dialectstudies dat in de ene regio meer sjwa-insertie voorkomt dan in de andere. Ten slotte zou ook de manier waarop de spraak ontlokt is voor verschillen kunnen zorgen. Dit postdocproject wil deze variabelen empirisch onderzoeken en nagaan hoe ze onderling samenhangen. Dit zal gebeuren op basis van een ruime steekproef van sprekers uit verschillende regio's in Vlaanderen en Nederland.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Lexicale en morfosyntactische ontwikkeling bij jonge kinderen met een cochleaire implantatie : een crosslinguïstisch onderzoek van het Nederlands en het Hebreeuws. 01/01/2005 - 31/12/2008

Abstract

(1) De studie van de lexicale en morfosyntactische aspecten van de taalverwerving in een populatie van CI kinderen, in vergelijking met een groep van NH kinderen (gelijk(e) leeftijd I taalontwikkelingniveau). In dit opzicht sluit het dit project perfect aan bij het lopende FWO Onderzoeksproject over spraak- en taalverwerving bij jonge CI kinderen. (2) Een crosslingurstische vergelijking van gematchte CI kinderen die Nederlands resp. Hebreeuws als moedertaal verwerven. waardoor de toetsing van specifieke hypothesen over taalverwervingsmechanismen mogelijk wordt, gezien de interessante opposities tussen deze typologisch heel verschillende talen (zie verder). De afgeleide doelstellingen hebben betrekking op interventieprogramma.s na een CI. discrepanties tussen de verwerving bij CI en NH kinderen. kunnen specifieke repercussie hebben voor interventieprogramma's.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Syntactische aspecten van taalontwikkelingsstoornissen : de verwerving van determineerders. 01/10/2004 - 30/09/2007

Abstract

De doelstelling van het project is het ontwikkelingspatroon te bestuderen van de vroege morfosyntaxis van 3 groepen van kinderen met een taalstoornis (kinderen met SLI, hoortoestel, cochleair implantaat, CI) in vergelijking met een controlegroep van normaalhorende kinderen en na te gaan of de resultaten kunnen gekoppeld worden aan de klinische eigenschappen van deze kinderen. De focus ligt op één specifiek aspect van de nominale syntaxis, nl. de verwerving van lidwoorden. Het onderzoek richt zich op de volgende vragen: (i) op welke manier verschilt de verwerving van het lidwoordsysteem bij SLI-kinderen met die van kinderen met een normale taalontwikkeling? Is er een tijdelijke of permanente achterstand in de projectie van een overeenkomstig syntactisch niveau en indien dit het geval is, wat is de oorzaak voor deze achterstand?; (ii) is er een verschil in syntactische ontwikkeling tussen CI-kinderen en kinderen die klassieke hoortoestellen gebruiken (cfr. Van den Broek 1998 contra Geers 2003 voor spraakperceptie en -productie)?; (iii) is er een gelijklopende ontwikkeling tussen de syntaxis van zeer vroeg geïmplanteerde CI-kinderen en een normaalhorende controlegroep of zijn er gelijkenissen met andere taalstoornissen die typische grammaticale gebreken vertonen?; (iv) Wat zijn de factoren die een invloed hebben op de verwerving van de syntaxis van lidwoorden bij CI-kinderen? (v) uit theorie-intern oogpunt: zijn er argumenten om de projectie van een D-positie toe te schrijven aan neurologische rijping? Is deze projectie gevoelig voor input en derhalve beïnvloedbaar door een toename in auditieve perceptie?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een constructivistische analyse van 'fillers' in Nederlandse kindertaal. 01/10/2004 - 30/09/2007

Abstract

Wanneer jonge kinderen hun eerste meerwoordzinnen produceren, gebruiken ze vaak `fillers'. Dat zijn vocaliseringen die geen conventionele woorden zijn. Zo is het in voorbeeld (a) niet duidelijk waar de syllabes [m] en ['] voor staan. Meestal hebben fillers de vorm van een syllabische nasaal of een sjwa, zoals in de zinnen (a) en (b). Soms bestaan ze uit meerdere syllabes, zoals in zin (c). (a) [m] pick ['] flowers (Engelstalige jongen van 1 jaar en 6 maanden, uit Peters & Menn, 1993) (b) ['] oiseau ['] vole (Franstalig meisje van 1 jaar, uit Veneziano & Sinclair, 2000) (c) [lala] open door (Engelstalige jongen van 1 jaar en 10 maanden, uit Feldman & Menn, 2003) Fillers komen typisch voor op plaatsen waar in de volwassen taal functiemorfemen (zoals lidwoorden, pronomina) staan. Als dusdanig zijn het voorbeelden van een taalleermechanisme dat pas recent volledig erkend werd: `vorm-gedreven' leren, waarbij het kind eerst een vorm verwerft en pas daarna de betekenis en de functie van die vorm doorgrondt. Intuïtief uitgedrukt: het kind heeft klankmateriaal op bepaalde plaatsen in de input ontdekt, maar noch de vorm noch de functie ervan accuraat geanalyseerd. Toch probeert het die elementen al in de eigen taaluitingen te integreren. Slechts na enige tijd ontdekt het kind de volledige distributie, functie en vorm van wat functiemorfemen blijken te zijn. Dit leermechanisme staat in schril contrast met `functie-gedreven' verwerving zoals die in nativistische theorieën aan bod komt: morfosyntactische verwerving wordt daar gezien als een zich ontrollend stramien van morfosyntactische functies die lexicaal opgevuld worden. Tot nu toe is er in het Nederlands nauwelijks onderzoek gebeurd naar fillers (met uitzondering van Wijnen et al., 1994). Het doel van dit onderzoeksproject is om de rol van fillers te onderzoeken in de verwerving van het Nederlands, en om het mechanisme van het `vorm-gedreven' leren te analyseren vanuit een constructivistische benadering van taalverwerving.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Databank van veertiende-eeuwse niet-lineaire Nederlandse teksten. Opbouw en linguïstisch onderzoek. 01/01/2004 - 31/12/2007

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Reductieverschijnselen in de hedendaagse standaardtaal in Vlaanderen en Nederland. 01/10/2003 - 30/09/2005

Abstract

Dit project beoogt de studie van reductieverschijnselen in spontaan, d.w.z. niet-voorgelezen, Standaardnederlands. Reductie wordt onderzocht in mono-, bi- en trisyllabische woorden, meerbepaald in pronomina, suffixen en leenwoorden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van spraak die reeds verzameld, gedigitaliseerd en getranscribeerd is voor het Corpus Gesproken Nederlands en in het kader van het VNC-project Variatie in de uitspraak van het Standaardnederlands. Het spontane VNC-materiaal bestaat uit gesprekken met leerkrachten Nederlands. Uit het Corpus Gesproken Nederlands worden drie componenten geselecteerd: toespraken, mondelinge presentaties en lessen (van niet-neerlandici). Deze drie types spontane spraak zijn zeker vergelijkbaar: telkens gaat het om niet-uitgezonden taal die door één persoon voor een publiek wordt uitgesproken. Specifieke doelstelling van het project is na te gaan of we evidentie vinden voor de stelling dat de uitspraak van hoogopgeleide sprekers zonder taalkundige training verschilt van de uitspraak van leerkrachten Nederlands, die vaak als prototypische standaardtaalsprekers worden beschouwd. Het hier geschetste onderzoek sluit aan bij de hernieuwde belangstelling voor de standaardtaal in Vlaanderen en Nederland, waarbij variatiepatronen in het Standaardnederlands bestudeerd worden vanuit het perspectief van divergentie en convergentie. De studie ligt ook in het verlengde van internationaal onderzoek naar variatie in de standaardtaal, b.v. in het Duits (o.a. Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland) en het Frans (o.a. Frankrijk, Canada, België).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

FLaVoR: Flexible Large Vocabulary Recognition: Incorporatie van taalkundige kennisbronnen in een modulaire spraakherkennersarchitectuur 01/10/2002 - 30/09/2006

Abstract

In dit project wordt onderzocht of de 'alles-in-een' strategie die in de huidige spraakherkenners gevolgd wordt, waarbij taak-specifieke, syntactische, en lexicale kennis verweven is in een enkel op eenvoudige formalismen gebaseerd taalmodel, vervangen kan worden door een modulaire architectuur waarbij naast akoestisch-fonetisch en intonatie-gerelateerde parameters ook generische en domeinspecifieke taalkundige informatiebronnen worden gebruikt.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De verwerving van fonoactische en prosodische kennis bij kinderen : een empiristisch, inductief alternatief voor de huidige nativistische, deductieve benadering. 01/10/2002 - 30/09/2004

Abstract

In het huidige onderzoek naar de verwerving van fonologie wordt vaak beroep gedaan op Optimality Theory als verklaringskader. Volgens dit nativistisch, deductief model wordt linguïstische kennis in het taalsysteem van het kind gerepresenteerd, en vormt daar een aparte module met expliciete taalkennis (de `competence'). In dit project exploreren / ontwikkelen we een empiristisch, inductief alternatief voor deze benadering. Een empiristisch, inductief model wordt hierbij omschreven als een model waarin het mentaal lexicon centraal staat bij de verwerving. Linguïstische kennis wordt in het lexicon opgebouwd en opgeslagen. Dit contrast tussen taalsysteem en lexicon zal in vier cruciale verschilpunten uitgewerkt worden: 1. Regels versus analogie 2. Stadia versus lexicale diffusie 3. Minimale versus maximale rol van de input 4. Competence versus processing In dit project focussen we op de verwerving van fonotaktische en prosodische kennis. Deze twee thema's worden immers vaak aangehaald als voorbeelden van deductieve verwerving.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Spraak- en taalverwerving bij jonge kinderen met een CI (Cochleaire inplantatie). 01/10/2002 - 30/09/2003

Abstract

De spraak- en taalverwerving bij baby's met een cochleaire inplantatie (CI) wordt onderzocht. De specificiteit van de studie betreft de leeftijd van inplantatie : baby's geïnplanteerd in de prelinguale periode - ca. 6 maanden - worden vergeleken met baby's geïnplanteerd in het tweede levensjaar. De effecten op het auditieve, articulatorische en taalverwervingsvlak worden onderzocht.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

    Reductieverschijnselen in de hedendaagse standaardtaal in Vlaanderen en Nederland. 01/10/2001 - 30/09/2003

    Abstract

    Dit project beoogt de studie van reductieverschijnselen in spontaan, d.w.z. niet-voorgelezen, Standaardnederlands. Reductie wordt onderzocht in mono-, bi- en trisyllabische woorden, meerbepaald in pronomina, suffixen en leenwoorden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van spraak die reeds verzameld, gedigitaliseerd en getranscribeerd is voor het Corpus Gesproken Nederlands en in het kader van het VNC-project Variatie in de uitspraak van het Standaardnederlands. Het spontane VNC-materiaal bestaat uit gesprekken met leerkrachten Nederlands. Uit het Corpus Gesproken Nederlands worden drie componenten geselecteerd: toespraken, mondelinge presentaties en lessen (van niet-neerlandici). Deze drie types spontane spraak zijn zeker vergelijkbaar: telkens gaat het om niet-uitgezonden taal die door één persoon voor een publiek wordt uitgesproken. Specifieke doelstelling van het project is na te gaan of we evidentie vinden voor de stelling dat de uitspraak van hoogopgeleide sprekers zonder taalkundige training verschilt van de uitspraak van leerkrachten Nederlands, die vaak als prototypische standaardtaalsprekers worden beschouwd. Het hier geschetste onderzoek sluit aan bij de hernieuwde belangstelling voor de standaardtaal in Vlaanderen en Nederland, waarbij variatiepatronen in het Standaardnederlands bestudeerd worden vanuit het perspectief van divergentie en convergentie. De studie ligt ook in het verlengde van internationaal onderzoek naar variatie in de standaardtaal, b.v. in het Duits (o.a. Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland) en het Frans (o.a. Frankrijk, Canada, België).

    Onderzoeker(s)

    Onderzoeksgroep(en)

      Psycholinguïstiek: verwerkings- en verwervingsprocessen van lezen en spellen. 01/01/2001 - 31/12/2005

      Abstract

      De doelstelling van deze wetenschappelijke onderzoeksgemeenschap is de integratie van Vlaamse, Nederlandse en internationale expertise omtrent de studie van (i) de verwerving van lezen en spellen en (ii) de verwerkingsprocessen bij ervaren lezers en spellers. Centraal staat de studie van het lezen en spellen van woorden (herkenning en productie van geschreven woorden), meer bepaald de rol die de fonologie en de morfologie daarbij spelen en het belang van de manier waarop de spelling van de taal deze linguïstische dimensies representeert. Concrete doelen zijn: uitvoering van gezamenlijk empirisch onderzoek door diverse sub-teams van de WOG (experimenten, corpusanalyses, simulaties), meer bepaald in een cross-linguïstisch perspectief, uitwisseling van expertise in de vorm van personeel en middelen, organisatie van workshops en één internationaal congres.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

      Psycholinguïstiek : verwerkings- en verwervingsprocessen van lezen en spellen. 01/01/2001 - 31/12/2005

      Abstract

      De doelstelling van deze Wetenschappelijke Onderzoeksgemeenschap is de integratie van de Vlaamse, Nederlandse en internationale expertise omtrent de studie van (i) de verwerving van lezen en spellen en (ii) de verwerkingsprocessen bij ervaren lezers en spellers. Centraal staat de studie van het lezen en spellen van woorden (herkenning en productie van geschreven woorden), meer bepaald de rol die de fonologie en de morfologie daarbij spelen en het belang van de manier waarop de spelling van de taal deze linguïstische dimensies representeert. Concrete doelen zijn: uitvoering van gezamenlijk empirisch onderzoek door diverse subteams van de WOG (experimenten, corpusanalyses, simulaties), meer bepaald in een cross-linguïstisch perspectief, uitwisseling van expertise in de vorm van personeel en middelen, organisatie van workshops en één internationaal congres.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

      Tekstanalyse en zelflerende systemen voor prosodie. 01/01/2001 - 31/12/2004

      Abstract

      Doel van dit project is empirisch te onderzoeken of een natuurlijk klinkende prosodie kan worden gegenereerd op basis van twee methodes die recent succesvol zijn gebleken in andere taalverwerkingsdomeinen: (a) robuuste analyse van tekst met behulp van technieken uit information retrieval en information extraction, en (b) geavanceerde zelflerende en meta-lerende systemen.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

      Taalverwerving bij jonge kinderen met een cochleaire implantatie : een longitudinaal effectenonderzoek van hun auditieve, spraak- en taalontwikkeling. 01/01/2001 - 31/12/2004

      Abstract

      In dit project onderzoeken we de auditieve ontwikkeling, de spraak- en taalverwerving bij congenitaal dove kinderen met een cochleair implantaat (CI) geïmplanteerd tijdens het tweede levensjaar. Het doel is systematisch het effect van de CI te onderzoeken op verschillende aspecten van de taal- en spraakontwikkeling: ? Onderzoek van het effect van een CI op het auditieve vlak; ? Onderzoek van het effect van CI op het articulatorisch vlak (de spraak); ? Onderzoek van het effect van CI op de taalverwerving en communicatieve ontwikkeling. In essentie willen we nagaan hoe de toegang tot auditieve informatie evolueert en welke impact die toegang tot de gesproken taal heeft op de eigen spontane spraak en taal van het kind. De wetenschappelijke doelstellingen van het onderzoeksproject zijn (i) descriptief en (ii) fundamenteel psycholinguïstisch. (i)Descriptief: een longitudinale beschrijving van de auditieve ontwikkeling en de spraak-, taal- en communicatie-ontwikkeling na een CI. De descriptie zal ons een antwoord geven op de vraag: verloopt de taalverwerving kwalitatief en kwantitatief zoals bij normaal horende baby's? Is er een kwalitatief en/of kwantitatief onderscheid in de auditieve ontwikkeling, spraak- en taalontwikkeling tussen baby's afhankelijk van de leeftijd waarop ze een CI krijgen? (ii) Fundamenteel psycholinguïstische doelstellingen: ? Onderzoek van de perceptie van segmentele en suprasegmentele karakteristieken van de spraak in relatie tot hun productie; ? Onderzoek van de fonologische ontwikkeling op segmenteel en suprasegmenteel vlak met bijzondere aandacht voor de evolutie van truncatiepatronen; ? Onderzoek van de lexicale en morfosyntactische verwerving met speciale aandacht voor de evolutie van `functiewoorden' of gesloten klasse woorden t.a.v. open klasse woorden, een oppositie gerelateerd aan perceptuele saillantie; ? Onderzoek van communicatieve ontwikkeling, met bijzondere aandacht voor (1) het gebruik en de plaats van spraak tgo. (conventionele) gebaren, (2) het gebruik van interactionele middelen (aandacht trekken/richten/'), (3) de omvang en het gebruik van types interactiebeurten door kind en volwassen conversatiepartner.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

      Een computationeel psycholinguïstische benadering van primaire taalverwerving. 01/10/2000 - 30/09/2012

      Abstract

      Het doel van dit project is de ontwikkeling van een computationeel psycholinguïstisch model van de primaire taalverwerving dat gekenmerkt kan worden als een datagedreven model waarin algemene (i.e., niet specifiek talige) leermechanismen vanuit de input taalkennis (grammatica, lexicon, etc.) verwerven. De term 'computationeel psycholinguïstisch' karakteriseert de aard van het model dat we voor ogen hebben, een model van de taalverwervings- en taalverwerkingsprocessen die de primaire taalverwerving mogelijk maken en bewerkstelligen. De samenstellende delen van die term preciseren ook een methodologische optie: het voorgestelde onderzoek omvat namelijk twee luiken: (1) een psycholinguïstisch luik waarin de verwerving van de natuurlijke taal bestudeerd wordt bij kinderen, gebruik makend van de gangbare psycholinguïstische methodologie, d.i. analyse van corpora van spontane spraak en experimentele toetsing van hypothesen die evt. door het corpusonderzoek gegenereerd worden. (2) een computationeel luik waarin een computermodel van dezelfde taalaspecten wordt geïmplementeerd, gebruik makend van de principes van 'gelijkenis-gebaseerd redeneren'. De relatie tussen de luiken is tweevoudig: (i) De ontwikkeling van een theorie over taalverwerving waarin de rol van structurele aspecten van de taalinput en het zelf-organiserend vermogen van de taalverwerver centraal staan. (ii) Een gezamenlijk studie-object maakt het mogelijk om een vruchtbare wisselwerking tussen de psycholinguïstische data en theorievorming en het computationeel model te bewerkstelligen. Dit houdt o.m. in dat gegevens uit de natuurlijke taalverwerving in de twee luiken van het onderzoek gebruikt worden, nl. als primair studieobject in het psycholinguïstisch luik en als effectief inputmateriaal voor de artificiële verwerver; de performantie van die laatste zal bovendien geëvalueerd worden aan de hand van de taalverwerving en -ontwikkeling van kinderen.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

      Syntaxis als knelpunt in taaltechnologisch onderzoek. Aanpassing van geheugen-gebaseerde leersysteem voor en door syntactisch onderzoek met autonome intelligente agenten. 01/10/2000 - 30/09/2002

      Abstract

      Dit project verkent de mogelijke integratie van twee sub-disciplines van de Artificiële Intelligentie aan de hand van de problematische rol van syntaxis binnen beide. Het syntactisch onderzoek binnen Memory Based Reasoning spitst zich toe op de optimalisering van twee classificatietaken: classificatie van segmentering (afbakenen van constituenten) en classificatie van desambiguering (toekennen van grammaticale categorieën). De robotische experimenten zoals die door de Origins of Language onderzoek van het AI-lab van de VUB worden uitgevoerd, kunnen eveneens worden geherinterpreteerd als classificatie-experimenten. In beide domeinen is deze classificatie problematisch. Overkoepelende experimenten, waarin eigenschappen van zowel MBR als het OoL-onderzoek worden gecombineerd, zullen proberen nieuwe inzichten aan te brengen voor beide onderzoeksdomeinen. zodat een aantal belangrijke beperkingen kunnen worden overkomen.

      Onderzoeker(s)

      Onderzoeksgroep(en)

        De verwerving van fonoactische en prosodische kennis bij kinderen : een empiristisch, inductief alternatief voor de huidige nativistische, deductieve benadering. 01/10/2000 - 30/09/2002

        Abstract

        In het huidige onderzoek naar de verwerving van fonologie wordt vaak beroep gedaan op Optimality Theory als verklaringskader. Volgens dit nativistisch, deductief model wordt linguïstische kennis in het taalsysteem van het kind gerepresenteerd, en vormt daar een aparte module met expliciete taalkennis (de `competence'). In dit project exploreren / ontwikkelen we een empiristisch, inductief alternatief voor deze benadering. Een empiristisch, inductief model wordt hierbij omschreven als een model waarin het mentaal lexicon centraal staat bij de verwerving. Linguïstische kennis wordt in het lexicon opgebouwd en opgeslagen. Dit contrast tussen taalsysteem en lexicon zal in vier cruciale verschilpunten uitgewerkt worden: 1. Regels versus analogie 2. Stadia versus lexicale diffusie 3. Minimale versus maximale rol van de input 4. Competence versus processing In dit project focussen we op de verwerving van fonotaktische en prosodische kennis. Deze twee thema's worden immers vaak aangehaald als voorbeelden van deductieve verwerving.

        Onderzoeker(s)

        Onderzoeksgroep(en)

          Fonetische karakterisering van lexicale tooncontrasten in Limburgse dialecten. 01/01/2000 - 31/12/2001

          Abstract

          Dit project beoogt een expliciete fonetische beschrijving van de tooncontrasten in drie Limburgse dialecten en de interactie van deze contrasten met het intonatiesysteem van de respectieve taalvarianten. Deze beschrijving is gebaseerd op een dataverzameling van spraakmateriaal dat akoestisch wordt geanalyseerd. Op basis hiervan worden hypothesen geformuleerd die getest worden aan de hand van perceptie-experimenten.

          Onderzoeker(s)

          Onderzoeksgroep(en)

            Een computationeel psycholinguïstische benadering van primaire taalverwerving. 01/10/1999 - 30/09/2001

            Abstract

            Het doel van dit project is de ontwikkeling van een computationeel psycholinguïstisch model van de primaire taalverwerving dat gekenmerkt kan worden als een datagedreven model waarin algemene (i.e., niet specifiek talige) leermechanismen vanuit de input taalkennis (grammatica, lexicon, etc.) verwerven. De term 'computationeel psycholinguïstisch' karakteriseert de aard van het model dat we voor ogen hebben, een model van de taalverwervings- en taalverwerkingsprocessen die de primaire taalverwerving mogelijk maken en bewerkstelligen. De samenstellende delen van die term preciseren ook een methodologische optie: het voorgestelde onderzoek omvat namelijk twee luiken: (1) een psycholinguïstisch luik waarin de verwerving van de natuurlijke taal bestudeerd wordt bij kinderen, gebruik makend van de gangbare psycholinguïstische methodologie, d.i. analyse van corpora van spontane spraak en experimentele toetsing van hypothesen die evt. door het corpusonderzoek gegenereerd worden. (2) een computationeel luik waarin een computermodel van dezelfde taalaspecten wordt geïmplementeerd, gebruik makend van de principes van 'gelijkenis-gebaseerd redeneren'. De relatie tussen de luiken is tweevoudig: (i) De ontwikkeling van een theorie over taalverwerving waarin de rol van structurele aspecten van de taalinput en het zelf-organiserend vermogen van de taalverwerver centraal staan. (ii) Een gezamenlijk studie-object maakt het mogelijk om een vruchtbare wisselwerking tussen de psycholinguïstische data en theorievorming en het computationeel model te bewerkstelligen. Dit houdt o.m. in dat gegevens uit de natuurlijke taalverwerving in de twee luiken van het onderzoek gebruikt worden, nl. als primair studieobject in het psycholinguïstisch luik en als effectief inputmateriaal voor de artificiële verwerver; de performantie van die laatste zal bovendien geëvalueerd worden aan de hand van de taalverwerving en -ontwikkeling van kinderen.

            Onderzoeker(s)

            Onderzoeksgroep(en)

              Syntaxis als knelpunt in taaltechnologisch onderzoek. Aanpassing van geheugen-gebaseerde leersysteem voor en door syntactisch onderzoek met autonome intelligente agenten. 01/10/1998 - 30/09/2000

              Abstract

              Dit project verkent de mogelijke integratie van twee sub-disciplines van de Artificiële Intelligentie aan de hand van de problematische rol van syntaxis binnen beide. Het syntactisch onderzoek binnen Memory Based Reasoning spitst zich toe op de optimalisering van twee classificatietaken: classificatie van segmentering (afbakenen van constituenten) en classificatie van desambiguering (toekennen van grammaticale categorieën). De robotische experimenten zoals die door de Origins of Language onderzoek van het AI-lab van de VUB worden uitgevoerd, kunnen eveneens worden geherinterpreteerd als classificatie-experimenten. In beide domeinen is deze classificatie problematisch. Overkoepelende experimenten, waarin eigenschappen van zowel MBR als het OoL-onderzoek worden gecombineerd, zullen proberen nieuwe inzichten aan te brengen voor beide onderzoeksdomeinen. zodat een aantal belangrijke beperkingen kunnen worden overkomen.

              Onderzoeker(s)

              Onderzoeksgroep(en)

                Vlaamse luik van het project Corpus gesproken Nederlands. 01/06/1998 - 30/11/2003

                Abstract

                Het Nederlands-Vlaamse programma Corpus Gesproken Nederlands heeft tot doel een verzameling van ongeveer 10 miljoen gesproken woorden samen te stellen. Op technologisch vlak is een dergelijk corpus essentieel voor de verdere ontwikkeling van Nederlandstalige automatische spraakherkenning, en helpt op deze manier de toekomst van het Nederlands als cultuurtaal in het veeltalig Europa veilig te stellen. Het Corpus Gesproken Nederlands is ook voor andere onderzoeksgebieden van bijzonder belang. Voorbeelden zijn lexicografie, taalonderwijs, spraak- en taalontwikkeling bij kinderen, sociolinguïstiek, psycholinguïstiek, fonetiek/fonologie en conversatieanalyse.

                Onderzoeker(s)

                Onderzoeksgroep(en)

                Computationele psycholinguistiek : natuurlijke en artificiele taalverwerving en -verwerking. 01/01/1998 - 31/12/2003

                Abstract

                Zijn taalverwerving en (volwassen) taalgebruik mogelijk zonder aanname van abstracte linguïstische representaties? Deze vraag wordt bestudeerd aan de hand van een nieuwe methodologie: technieken uit drie verschillende disciplines worden gebruikt, nl. het taalverwervingsonderzoek, de psycholingu'stiek en de Artificiële intelligentie. De eerste twee disciplines bestuderen de reële taalleerder/-gebruiker, terwijl de laatste de Artificiële taalleerder/-gebruiker bestudeert. In het verleden werden Artificiële leermodellen gebruikt om effecten te simuleren die in het reÙle taalgebruik werden geobserveerd. Hoewel simulaties de computationele kracht van het leersysteem demonstreren en interessante hypothesen suggereren omtrent de eigenlijke taalgebruiker, werden ze nooit gebruikt om hypothesen te falsifiÙren uit (ontwikkelings)psycholinguïstische studies. In het voorgestelde project willen we Artificiële taalleerders/-gebruikers niet enkel inzetten om het reÙle taalgebruik te simuleren maar tevens om factoren te isoleren die het gedrag van het model beïnvloeden en vervolgens de effecten van diezelfde factoren te bestuderen in psycholinguïstische experimenten en in taalverwervingsonderzoek. Als de effecten bij de Artificiële leerder/gebruiker verschillen van die bij de reÙle leerder/gebruiker, kan het leermodel worden aangepast om uiteindelijk zijn gedrag in overeenstemming te brengen met dat van de taalgebruiker. Deze methode waarbij de resultaten omtrent taalverwerving en psycholingu'stiek worden gerelateerd aan computationeel werk en omgekeerd is dus een heuristiek om eigenschappen te ontdekken van de representatie van taal in de reÙle taalleerder/-gebruiker.

                Onderzoeker(s)

                Onderzoeksgroep(en)

                De uitspraak van het standaard-Nederlands. Variatie en varianten in Vlaanderen en Nederland. 01/01/1998 - 31/12/2001

                Abstract

                Mijn onderzoek heeft tot doel de uitspraak van het Standaard-Nederlands (SN) in Nederland en België te vergelijken. Meer bepaald wil ik de uitspraaknorm voor Nederland vergelijken met de uitspraaknorm voor Vlaanderen. Als norm voor Vlaanderen geldt het VRT--Nederlands. Als norm voor Nederland is voor het NOS-Nederlands gekozen. Omdat ik op zoek ga naar een (abstracte) norm, is een hoogst formele vorm van spraak (m.n. voorgelezen SN) aangewezen. Hiervoor zijn de nieuwsuitzendingen van de VRT- en de NOS-radio uitermate geschikt. De centrale vraag van mijn onderzoek luidt: Wat zijn de verschillen tussen noordelijk- en zuidelijk Standaard-Nederlands'? Hoe komt het dat je meteen kunt horen of iemand een Nederlander of een Vlaming is? Het is mijn bedoeling om op deze vraag een antwoord te vinden door een gedetailleerd perceptief en akoestisch onderzoek te doen naar de realisatie van vocalen, consonanten, intonatiepatronen, ... van enkele VRT- en NOS-radionieuwslezers.

                Onderzoeker(s)

                Onderzoeksgroep(en)

                  Vergelijkende analyse van de Oekrainse grammatica. 01/09/1997 - 31/08/1999

                  Abstract

                  Het European Pre- and Proto-Morphology project is een internationaal onderzoeksproject o.l.v. Prof. W. Dressler (Wenen) over de verwerving van de morfofonologie. De bedoeling van dit project is tweevoudig: (1) Onderzoek van de vroegste stadia van de morfo(fono)logie: hoe komen kinderen van 'rote learning' (verwerving van ongeanalyseerde gehelen) en het gebruik van extragrammaticale morfologie (truncaties, reduplicaties, oppervlakte analogieën, e.d.) in een premorfologisch stadium tot de produktieve morfologie? (2) De morfologische ontwikkeling in individuele talen wordt onderzocht, en crosslinguïstische studies over geselecteerde morfologische categorieën moeten generalizeringen schragen. In het project worden een 25-tal (vooral) Europese talen bestudeerd die een aantal typologische categorieën omspannen. De variatie in de morfologische complexiteit is aanzienlijk. Een overzicht van de in het project betrokken talen: Baskisch, Koreaans, Kroatisch, Nederlands, Estisch, Frans, Georgisch, Duits, Grieks, Hebreeuws, Huichal, Hongaars, Italiaans, Litouws, Maltees, Pools, Russisch, Sloveens, Spaans, Zweeds, Thai, (Tunesisch) Arabisch, Turks, Oekraiens, Ucateco Maya.

                  Onderzoeker(s)

                  Onderzoeksgroep(en)

                    De verwerving van talige kennis. 01/01/1997 - 31/12/1997

                    Abstract

                    Onderzoeker(s)

                    Onderzoeksgroep(en)

                      Een datagedreven model van taalverwerving : computationele en psycholinguïstische studies. 01/01/1996 - 31/12/2000

                      Abstract

                      Het doel van het project is de ontwikkeling van een computationeel psycholinguïstisch model van morfosyntactische verwerving van het Nederlands. Het omvat twee luiken: een psycholinguïstisch luik waarin de verwerving van de morfosyntaxis bestudeerd wordt, m.b. de morfologische en distributionele reflexen van het kenmerk 'finiet', en een computationeel luik waarin een computermodel van dezelfde taalaspecten wordt geimplementeerd, gebruik makend van de principes van 'gelijkenis gebaseerd redeneren'.

                      Onderzoeker(s)

                      Onderzoeksgroep(en)

                        Electronisch archief voor de taaltechnologie van het Nederlands. 01/10/1995 - 31/12/1996

                        Abstract

                        Het doel van dit project is het installeren, ontwikkelen, ter beschikking stellen en verrijken van een elektronische 'server' voor software, data- verzamelingen, kennisbanken, en corpora die verband houden met taaltechnologisch onderzoek voor het Nederlands. Deze gegevens worden via de "informatiesnelweg" aan de Vlaamse, Nederlandse en internationale onderzoeksgemeenschap m.b.t. taaltechnologie ter beschikking gesteld. Een dergelijke informatiedienst is essentieel voor de ontwikkeling van de Nederlandstalige taaltechnologie: (i) voor het verzekeren van de herbruikbaarheid van onderzoeksgegevens en (ii) voor het vermijden van een onproduktieve herhaling van of overlapping in onderzoeksinspanningen, en (iii) als een didactische informatiebron voor studenten in de taaltechnologie en computerlinguistiek.

                        Onderzoeker(s)

                        Onderzoeksgroep(en)

                          Geheugen-gebaseerde acquisitie en verwerking van morfologische en syntactische kennis van taaltechnologische toepassingen. 01/07/1995 - 30/06/1996

                          Abstract

                          Het doel van dit project is de ontwikkeling van een computationeel model van morfofonologische en syntac tische verwerving en verwerking, gebaseerd op princi pes ontleend aan het geheugen-gebaseerd redeneren. In dit kader wordt gestreefd naar de abstractie van taalkundige kennis op een taalonafhankelijke en een domeinonafhankelijke wijze.

                          Onderzoeker(s)

                          Onderzoeksgroep(en)

                            Computerlinguistiek en taaltechnologie. 01/01/1995 - 31/12/1999

                            Abstract

                            De Onderzoeksgroep 'Computerlinguistiek en taaltechnologie' heeft als doel de Vlaamse expertise op het vlak van computerlinguistiek en taaltechnologie samen te brengen en te versterken. De voornaamste hoofdlijnen: (i) Het samenbrengen van de versnipperde onderzoeksinspanningen op het vlak van de natuurlijke taalverwerking in Vlaanderen, met het oog op de uitbouw van een multidisciplinair gevoede taaltechnologie voor het Nederlands. (ii) Het specifiek richting geven aan de onderzoeksactiviteiten van de deelnemende onderzoeksgroepen met het oog op een zo ruim mogelijke herbruikbaarheid van de resultaten van de onderzoeksinspanningen in een Europees perspectief.

                            Onderzoeker(s)

                            Onderzoeksgroep(en)

                              FONILEX : een uitspraaklexicon voor het Nederlands in Vlaanderen. 01/01/1995 - 30/06/1997

                              Abstract

                              Dit project stelt een gegevensbank samen met de uitspraak van een representatief staal van woordvormen uit het Nederlandse in de Vlaamse uitspraak variant. De gegevensbank is bedoeld als instrument ter ondersteuning van spraakonderzoek, m.b. voor gebruik in foneemgebaseerde herkenners, systemen voor synthese van tekst-naar-spraak en systemen die spraak- en taalverwerking integreren.

                              Onderzoeker(s)

                              Onderzoeksgroep(en)

                                De verwerving van talige kennis : cognitieve en taaltechnologische aspecten. 01/01/1994 - 31/12/1997

                                Abstract

                                In dit project bestuderen wij het proces van taalverwerving via een data-gestuurde benadering en via het uitvoeren van experimenten met artificieel leeralgorithmes waarbij beeldleren kan ingevoerd worden.

                                Onderzoeker(s)

                                Onderzoeksgroep(en)

                                  Woordstructuren in het Nederlands. 01/01/1990 - 31/12/1990

                                  Abstract

                                  Onderzoeker(s)

                                  Onderzoeksgroep(en)

                                    Woordstructuren in het Nederlands. 01/01/1990 - 31/12/1990

                                    Abstract

                                    Onderzoeker(s)

                                    Onderzoeksgroep(en)

                                      Een ontwikkelingspsycholinguïstisch onderzoek van de vroege taalverwerving naar een functioneel verklaringsmodel. 01/10/1989 - 30/09/1999

                                      Abstract

                                      Onderzoek van de vroegste stadia van de primaire taalverwerving binnen een functioneel kader. Bijzondere aandacht gaat naar de interactie van cognitieve en sociaal-interactionele determinanten van de taalverwerving. Alle strata van het taalsysteem worden in het onderzoek betrokken. Het onderzoeksdesign is longitudinaal en observationeel van aard aangevuld met experimentele tests van geselecteerde hypothesen. Voor de dataverwerking wordt gebruik gemaakt van deels zelf ontwikkelde CHILDES software tools.

                                      Onderzoeker(s)

                                      Onderzoeksgroep(en)