Onderzoeksgroep

Internationale Politiek (IP)

Expertise

Internationale vrede en veiligheid - bijzondere expertise: beleid en besluitvorming omtrent kernwapens/atoomwapens, massavernietigingswapens: -- afschrikking; nucleaire doctrines van kernwapenstaten, vnl VS en Rusland -- proliferatie: Iran, Saudi-Arabië, Noord-Korea -- nonproliferatie: Nucleair Non-proliferatie Verdrag (NPV) -- NAVO nucleair beleid, o.a. Amerikaanse tactische kernwapens -- Belgisch nucleair beleid (oa Kleine Brogel, F-16/F-35),… -- bilaterale wapenbeheersingsakkoorden VS-Rusland (ABM, INF, New START,…) -- Nucleair Verbodsverdrag -- nucleaire veiligheid; nucleair terrorisme -- raketschild - Europese veiligheid: -- NAVO -- Europese defensie -- relaties met Rusland (Oekraïne crisis, Putin,…) - terrorisme: -- radicalisering (vb Belgische Syrië-strijders) -- terrorisme -- nucleair en radiologisch terrorisme - insider threat - dwangmatige diplomatie

Analyse van de insider threat in de kritische infrastructuur in België. 01/01/2019 - 31/12/2021

Abstract

De algemene doelstelling van dit onderzoeksproject is de insider threat binnen gevoelige sectoren in ons eigen land in kaart te brengen en aanbevelingen te doen om het probleem adequater aan te pakken. Jaarlijks worden duizenden werknemers preventief op hun trustworthiness gescreend door de overheid (NVO, FANC) waarna al dan niet een veiligheidsattest/machtiging wordt afgeleverd. In de nabije toekomst zal in België het aantal sectoren (ook in de privé) dat dergelijke screening zal moeten organiseren, toenemen. Problematisch is dat zeker in tijden van terrorisme en (snelle) radicalisering het gevaar bestaat dat individuen deviant gedrag vertonen nadat een veiligheidsattest/machtiging werd afgeleverd. Vandaar de nood aan "after care" en dus het adequaat preventief opvolgen van diegenen die een veiligheidsattest/machtiging hebben gekregen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Analyse van de insider threat in de kritische infrastructuur in België. 01/01/2019 - 31/12/2021

Abstract

De algemene doelstelling van dit onderzoeksproject is de insider threat binnen gevoelige sectoren in ons eigen land in kaart te brengen en aanbevelingen te doen om het probleem adequater aan te pakken. Jaarlijks worden duizenden werknemers preventief op hun trustworthiness gescreend door de overheid (NVO, FANC) waarna al dan niet een veiligheidsattest/machtiging wordt afgeleverd. In de nabije toekomst zal in België het aantal sectoren (ook in de privé) dat dergelijke screening zal moeten organiseren, toenemen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het nucleair ontwapeningsdebat in Z-Europa: het geval van het Nucleair Verbodsverdrag 01/02/2021 - 30/04/2021

Abstract

De doelstelling van het project is om het nucleair ontwapeningsdebat in Z-Europa (Spanje, Portugal, Italie, Griekenalnd, Cyprus en Malta) te beschrijven, ontstaan sinds het onderhandelen van het Nucleair Verbodsverdrag (2017).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Impact van het Nucleair Verbodsverdrag (internship EU Non-Proliferation and Disarmament Consortium) 01/10/2020 - 31/12/2020

Abstract

De doelstelling van het project is om na te gaan in welke mate het Nucleair Verbodsverdrag (2017), dat in januari 2021 van kracht wordt, reeds impact heeft in NAVO-lidstaten, zoals België, Nederland, Duitsland en Frankrijk.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

EU Non-Proliferation and Disarmament Internship: Nucleaire transporten in België. 30/07/2018 - 26/10/2018

Abstract

De doelstelling van dit onderzoeksproject is drieërlei: 1) de dreiging van nucleaire transporten in België in kaart brengen; 2) beschrijven op welke manier vandaag hierover publiekelijk wordt gecommuniceerd; 3) suggesties ter verbetering doen betreffende deze communicatie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Politiek gemotiveerde misdaad in het licht van de huidige migratiestromingen. 01/10/2017 - 28/02/2018

Abstract

Dit rapport is geschreven in het kader van het ISF-gefinancierd project 'PoMigra' (= Politically motivated crime in the light of current migration flows'). Het brengt een systematisch literatuuroverzicht van onderzoek tussen 2012 en 2017 omtrent verschillende vormen van politiek gemotiveerde misdrijven in België, en wat dit onderzoek stelt omtrent de datagaring door politionele en justitiële diensten in België. Meer specifiek, wij hebben publicaties verzameld en geanalyseerd omtrent (a) Salafi/Jihadi misdrijven, (b) xenophobe misdrijven, (c) extremistische misdrijven en (d) misdrijven tussen migranten. Dit rapport stelt ons daardoor in staat om het huidig onderzoek in België rond deze thema's beter te begrijpen, hetgeen essentieel is in het beter begrijpen van de uitdagingen, bedreigingen, en relaties met het thema 'migratie' van deze problematiek. Vooreerst werd het duidelijk dat een grote meerderheid van het onderzoek in België rond politiek gemotiveerde misdrijven gericht was of Salafi/ Jihadi misdrijven. Andere vormen van politiek gemotiveerde misdrijven – zoals xenophobe misdrijven en extremisme – ontvangen substantieel minder aandacht door onderzoek in België. Bovendien is er weinig tot geen werk gepubliceerd omtrent links extremisme en misdrijven met een politieke motivatie tussen migranten. Dit zijn substantiële lacunes in het onderzoek rond dit thema. Ten tweede, het beschikbare onderzoek neigt voornamelijk aandacht te geven aan het omschrijven van de aard en oorzaken van deze fenomenen. Geen van beiden onderwerpen is echter een makkelijke taak. De conceptuele en praktische ambiguïteit rond de verschillende vormen van politiek gemotiveerde misdrijven maakt deze oefening zeer complex. Dit heeft een impact of de inschattingen rond de aard en oorzaken van deze fenomenen (zeker in het kader van onderzoek naar xenophobe misdrijven en extremisme). Er zijn weinig objectieve datasets beschikbaar. Desalniettemin, enkele van de overkoepelende lessen die door onderzoek getrokken worden richten zich voornamelijk op het belang van een lokaal ingebed, comprehensief en inclusief beleid ter preventie van verschillende vormen van politiek gemotiveerde misdrijven. Als laatste, met betrekking to de datagaring door politionele en justitiële diensten in België, het komt niet als een verrassing dat we weinig onderzoek hebben gevonden dat substantiële aandacht geeft aan deze thema's. Het is in het algemeen duidelijk geworden dat het moeilijk is om dit probleem te definiëren en empirisch te vatten. Zowel politionele en justitiële diensten als academici worstelen met dit probleem.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van framing in het kader van het Humanitair Initiatief betreffende nucleaire ontwapening. Case-studies: VK en VS (EU Non-Proliferation Consortium) 13/03/2017 - 09/06/2017

Abstract

Het project wil het Humanitair Initiatief betreffende nucleaire ontwapening benaderen vanuit het theoretisch perspectief van "framing". Meer bepaald wil het nagaan hoe en waarom de effectiviteit van de retoriek van het Humanitair Initiatief een verschillende impact zal hebben in het VK en de VS.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Politiek gemotiveerde misdaad in het licht van actuele migratiestromingen (Pomigra). 31/01/2017 - 31/07/2017

Abstract

Het project wil nagaan in welke mate de actuele migratiestromingen in België een invloed hebben op het communiceren over de problematiek van misdaad en terrorisme: 1) in de media (kranten 2012-2016); 2) in politieke partijprogramma's; en 3) op websites van bepaalde extremistische organisaties. Het project (op vraag van OCAD) maakt deel uit van het Europees Pomigra project.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van stigmatizering in het delegitimeren van kernwapens (EU Non-Proliferation Consortium internship) 03/10/2016 - 31/12/2016

Abstract

Het project wil analyseren op welke manier stigmatisering kan helpen om kernwapens te delegitimeren en hun rol in de huidige defensie politiek van de kernwapenstaten te verminderen. Aannemend dat normen een significante rol spelen in de internationale politiek, het project zal eerst en vooral focussen op het concept stigma (in het algemeen) en bekijken hoe dat een rol kan spelen in beleidsverandering. Verschillende reacties zijn in principe mogelijk bij diegene die gestigmatizeerd wordt. In het laatste deel wordt de notie stigmatisering toegepast op het zogenaamde Humanitaire Initiatief dat de bedoeling heeft om kernwapens te delegitimeren, ook in de vorm van een kernwapenverbod. De hoop is alvast dat door kernwapens en diegenen die kernwapens bezitten te stigmatiseren, dat een maatschappelijk en politiek debat binnen de kernwapenstaten opgestart wordt dat naar een fundamentele herziening van hun defensiebeleid kan leiden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de veiligheid van radioactieve stoffen. 01/12/2013 - 30/11/2016

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds FANC. UA levert aan FANC de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Motivaties, besluitvorming en niet-technische indicatoren van nucleaire proliferatie. 01/10/2008 - 30/09/2012

Abstract

Het uitgangspunt van het onderzoeksproject is de groeiende kloof tussen enerzijds het actuele aantal kernwapenstaten en anderzijds het groeiende aantal staten dat technologisch gezien de capaciteit bezit deze wapens te ontwikkelen (+/- 45 staten). Aan de ene kant moet men zich dus de vraag stellen waarom staten kernwapens willen ontwikkelen, aan de andere kant moet de vraag beantwoord worden waarom maar een relatief klein aantal van de +/- 45 capabele staten effectief over een kernwapen beschikken. Het relatief trage tempo van nucleaire proliferatie (+/- 9 kernwapenstaten) kan echter geen aanleiding geven tot ongebreideld optimisme. De kernwapentesten van India, Pakistan en mogelijk ook Noord-Korea; het oprollen van het A.Q Khan-netwerk; het ontdekken van het clandestiene atoomwapenprogramma van Irak; de bezorgdheid over het al dan niet vreedzame karakter van het Iranese atoomprogramma;¿bevestigen dat nucleaire proliferatie meer dan ooit een enorme uitdaging is voor de internationale orde, zelfs na het einde van de Koude Oorlog. In het verleden werd nucleaire proliferatie vaak op een technocentrische manier benaderd (nucleaire proliferatie als een 'technisch probleem'), waarbij men zich hoofdzakelijk focuste op het beschermen van nucleaire voorraden en op het verhinderen dat er specifieke nucleaire materialen of technologie zou verspreid worden. Zeer weinig aandacht werd geschonken aan de 'demand-side' van proliferatie, en bovendien leek er een consensus te bestaan over de oorzaken van proliferatie: externe (militaire) bedreigingen leiden staten ertoe kernwapens te willen ontwikkelen, het afschrikkingsmiddel (deterrence) om deze dreiging te neutraliseren. Ofschoon het theoretisch debat over de oorzaken van nucleaire proliferatie na de Koude Oorlog nieuw leven werd ingeblazen, bleef de dynamiek van nucleaire proliferatie onduidelijk. Dit project heeft dan ook de doelstelling om vertrekkend vanuit de 'nucleaire paradox' een antwoord te bieden op volgende onderzoeksvragen: (1a) Wat drijft een staat ertoe kernwapens te willen ontwikkelen? (1b) Wat drijft een staat ertoe bestaande kernwapenprogramma's stop te zetten of reeds verworven kernwapens te ontmantelen? (2) Hoe verloopt het nucleaire besluitvormingsproces? (3) Welke niet-technische indicatoren kan men identificeren? (4) Welke maatregelen kan men op basis van de onderzoeksresultaten opstellen en hoe zijn deze integreerbaar in andere non-proliferatie maatregelen?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vrede en disciplinering. Een politiek-theoretisch onderzoek naar vredesvorming in de internationale politiek: de Noord-Atlantische regio (1945-2007). 01/10/2008 - 30/09/2009

Abstract

De oorspronkelijke doelstelling van de leer der internationale betrekkingen was inzicht te verkrijgen in de oorzaken van oorlog opdat de voorwaarden van vrede beter bekend zouden worden en de kans op vrede zou toenemen. Een spijtig gevolg hiervan was dat voornamelijk de oorlog aandacht kreeg, en dat vrede als concept veelal in de kou bleef staan. Een belangrijke verklaring is dat vrede, in duidelijke tegenstelling tot oorlog, niet problematisch werd (en wordt) geacht. Vrede is per definitie wenselijk en moet dus niet gedefinieerd worden. Een zelfde onkritische houding tot vrede bestaat er onder de algemene bevolking met betrekking tot de idee dat Europa specifiek, en het Westen in het algemeen, sinds 1945 een vredeszone is. Een dergelijke, schijnbaar natuurlijke waarheid noopt tot waakzaamheid en studie. Binnen de leer der internationale betrekkingen kunnen er, met betrekking tot het vraagstuk van de vrede, ruwweg twee scholen onderscheiden worden: het realisme en het liberalisme (waarbij de laatste gedurende de laatste twee decennia een constructivistische variant heeft ontwikkeld). Beide stromingen, maar niet de constructivistische variant, hanteren een beperkte ontologie van vrede. Ze definiëren vrede immers als de "mere absence of war." Wel geven ze verschillende oorzaken aan: een dominante macht of hegemon garandeert vrede voor de realisten; economische interdependentie, internationale instellingen en recht, en de democratie veroorzaken volgens de liberalen vrede. Het constructivisme, op vrede toegepast in de literatuur rond veiligheidsgemeenschappen (security communities) definieert vrede breder als de "dependable expecation of peaceful change". Hier echter nog meer dan bij het liberalisme komt de nadruk te liggen op democratie als voorwaarde voor vrede. Democratieën voeren immers geen oorlog met elkaar omdat ze elkaar kunnen vertrouwen. Maar, en op dit punt wenst dit project een bijdrage te leveren, hoe herkennen democratieën elkaar? Deze herkenning is immers noodzakelijk wil men wederzijds vertrouwen kunnen ontwikkelen. Wij zullen betogen dat education een belangrijke rol speelt in dit herkenningsproces. Dominante staten leren de andere staten aan hoe een goede democratie functioneert en aangezien de staten dus actief geconstrueerd werden als betrouwbare democratieën vervalt het probleem van de herkenning. Bovendien verschaft deze verklaring inzicht in de ontologie van vrede: deze wordt binnen deze optiek een gedisciplineerde en gelegitimeerde orde. Om deze bewering hard te maken zal er enerzijds een politiek-theoretisch onderzoek naar de samenhang tussen education en vrede worden gedaan alsook de mogelijkheid om deze theorie te extrapoleren naar het internationale niveau onderzocht. Centrale concepten hierbij zijn de "staat als burger" en "diplomatie als educatief medium". Anderzijds zullen we het theoretische model ook op haar empirische geldigheid testen. Heeft education met andere woorden een significante rol gespeeld in het totstandkomen en in de recente uitbreiding van de Westerse vrede? Hierbij zullen we focussen op de debatten rond zes vormende momenten of organisaties die inhoud gaven aan deze vrede: het Marshallplan, de oprichting van NAVO, de oprichting van EGKS, de oprichting van OVSE, de uitbreiding van NAVO, en de uitbreiding van EU. Wie stuwde deze processen? Hoe werden ze gerechtvaardigd? Werden er aan deelname eisen gesteld qua binnenlandse politieke organisatie? Werd actieve promotie van zowel deze processen zelf als van de gestelde eisen noodzakelijk geacht? Hoe werd er door de ontvangende staten of kandidaat-lidstaten op gereageerd? Deze vragen, die onze onderzoeksvraag - hoe constitueert education burgerschap? En hoe constitueert education, via burgerschap, vrede? ¿ operationaliseren, worden beantwoord op basis van een analyse van zowel primaire bronnen als secundaire literatuur.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vrede onder de loep: een politiek-theoretisch onderzoek naar de rol van educatie en macht in het totstandkomen van vrede. Case-study: Europa na 1945. 01/01/2008 - 31/12/2008

Abstract

Dit project tracht de betekenis van vrede te verhelderen. De hypothese bestaat erin dat educatie en macht centrale concepten en gebruiken zijn die van nut kunnen zijn voor het begrijpen van het bewerkstelligen en consolideren van vrede. Steun voor deze bewering zal op drie niveau's worden gezocht: politieke theorieën, theorieën van internationale betrekkingen, en geschiedenis. De Europese vrede en veiligheid zal als case-study gebruikt worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

"Coercive diplomacy" als instrument van het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie (EU). 01/02/2007 - 30/09/2008

Abstract

"Coercive diplomacy" (dwangmatige diplomatie) komt overeen met het overtuigen van de tegenpartij om te stoppen met een bepaalde actie en dit door middel van dreiging, inclusief eventueel gelimiteerd gebruik van geweld. Faktoren die maken dat dwangmatige diplomatie succesvol is, zijn: de motivatie van beide partijen (in absolute termen), wat op zich gerelateerd is aan de grootte van de eis en aan de grootte van de ermee gepaard gaande belangen; asymmetrie qua motivatie en belangen (in relatieve termen); de schrik voor escalatie bij de tegenpartij; sanctiegevoeligheid bij de tegenpartij; geloofwaardigheid van diegene die dreigt, wat op zijn beurt afhankelijk is van de middelen alsook de reputatie van diegene die dreigt; de steun voor de dreiging bij de publieke opinie, zowel intern als extern; de rol van tijd (vb ultimatum); en het aanbieden van positieve "incentives". De onderzoeksvraag van dit project is tweeërlei: 1) In welke mate is "coercive diplomacy" een krachtdadig instrument voor het Buitenlands,- en Veiligheidsbeleid van de EU ? Met andere woorden, in welke mate beantwoorden de eigenschappen van de EU aan de hogergeschetste variabelen die bepalen of "coercive diplomacy" kans maakt tot slagen ? 2) In hoeverre bevestigt het mogelijk succesvol gebruik van het instrument "coercive diplomacy" door de EU het bestaand theoretisch kader omtrent "coercive diplomacy" ? Zijn meer bepaald economische instrumenten (zoals economische sancties) voldoende, of moet er een geloofwaardige militaire stok achter de deur worden gehouden ? De analyse is van kwalitatieve aard, en meer bepaald zal gebruik worden gemaakt van case-study onderzoek op basis van literatuuronderzoek en interviews. Case-study: het EU beleid ten aanzien van het nucleair programma van Iran sinds 2003.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Project website