Lopende projecten

Wie infecteert er wie? Het ontrafelen van pathogeen-transmissie in populaties knaagdieren bestaande uit verschillende gastheren. 01/11/2020 - 31/10/2023

Abstract

Hoewel veel opkomende infectieziekten worden veroorzaakt door pathogenen die hun oorsprong vinden in populaties wilde dieren blijven de ecologische mechanismen die bepalen hoe deze pathogenen overleven in de natuur slecht bestudeerd. Dit komt omdat het praktisch moeilijk is om voldoende veldgegevens te verzamelen tijdens epidemieën en omdat lange-termijn data noodzakelijk is. In dit project wil ik onderzoeken hoe verschillen in knaagdiergemeenschappen de prevalentie, persistentie en controle van pathogenen beïnvloeden die verschillende gastheersoorten kunnen infecteren. Deze mechanismen liggen immers aan de basis van een veelbesproken debat in conservatiebiologie: of verlies in biodiversiteit resulteert in een stijging of daling van het aantal infectieuze pathogenen dat van dier naar mens kan overspringen? Het onderzoek zal gebeuren aan de hand van een unieke collectie knaagdierstalen die werden verzameld tijdens veldwerk uitgevoerd in de Democratische Republiek Congo en Tanzania, en die ik zal testen op de aanwezigheid van verschillende pathogenen. Deze velddata zal ik combineren met extra veldexperimenten en simulaties van wiskundige modellen om uiteindelijk drie hypothesen te testen: (i) pathogenen neigen ernaar om verschillende gastheren te infecteren, (ii) persistentie van pathogenen is voornamelijk het resultaat van één gastheersoort, en (iii) de controle van deze gastheersoort volstaat om het pathogeen uit de knaagdiergemeenschap te elimineren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een nieuwe aanpak van aversieve conditionering van wolven om conflicten met extensieve veeteelt en schapenbegrazing te verminderen. 01/11/2020 - 31/10/2022

Abstract

Grijze wolven (Canis lupus) hebben recent grote delen van West-Europa heroverd waar ze meer dan een eeuw lang uitgeroeid waren. De keerzijde van dit natuurbehoudssucces is een toenemend conflict tussen natuur en extensieve landbouw, met name schapenhouderij. Op inrasteren na, wat enkel op kleine kuddes haalbaar is, is er geen duurzame manier om in gebieden met grootschalige extensieve schapenbegrazing depredatie te voorkomen. Hier wil ik van het natuurlijke gedrag van wolf gebruik maken om rigoureus te testen of we wolven kunnen conditioneren om schapen te vermijden, via aversieve conditionering. Ik zal hier verschillende methodes testen en optimaliseren, met name of wilde wolven 1), stimuli waarop ze aversief geconditioneerd werden en die ze associëren met schapen mijden, 2) minder prederen op schapen na aversieve voedselconditionering, en 3) of ze schapen voorzien van aversieve attributen vermijden. We voorzien autonome conditionerings-vallen in de buurt van schaapskuddes binnen wolventerritoria, die we via een netwerk van camera-vallen zullen monitoren. Deze vallen zijn bedoeld om wolven bij triggering van de val direct te bestraffen, en deze bestraffing te combineren met een tweede stimulus (bv een sterke geur), zodanig dat de conditionering ook op deze geur van toepassing is. Indien efficiënt, kunnen deze principes op termijn verder geoptimaliseerd worden om depredatie te voorkomen in gebieden waar andere methodes van kudde-bescherming niet mogelijk of wenselijk zijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van microbiele symbionten in het gebruik en spectrum van waardplanten bij oligofage komkommervliegen (Tephritidae). 01/11/2020 - 31/10/2022

Abstract

Herbivore insecten behoren tot de meest soortenrijke diergroepen. Het is echter niet duidelijk hoe deze diversiteit is ontstaan. Men vermoedt dat de evolutionaire interactie tussen insecten en hun waardplanten een belangrijke rol speelt. De grote variatie aan gifstoffen van planten en de gespecialiseerde ontgiftingsmechanismen in insecten zorgde voor co-evolutie en soortvorming. Het gebeurt echter dat deze soorten soms nieuwe waardplanten aanvallen. Zo kan er series van waardplant verschuivingen ontstaan dat mogelijk uiteindelijk leidt tot soortvorming. Het is onduidelijk welke mechanismen hiervoor verantwoordelijk zijn maar er word vermoed dat micro-organismen een rol spelen (de microbiële facilitatie hypothese). Er is steeds meer bewijs dat dieren intieme associaties hebben met microben, die een belangrijke invloed kunnen uitoefenen op het fenotype. In dit project gaan we in op deze vragen. We focussen ons op fruitvliegen die zich voeden met komkommerachtigen maar recentelijk soms nieuwe waardplanten aanvallen. In een eerste fase zullen we nagaan of verschillende soorten fruitvliegen gelijkaardige microbiota en metabolische responsen hebben op hun waardplanten. Daarna zullen we onderzoeken hoe de metabolische responsen van de vlieg en zijn microbiota reageren op een dieet van nieuwe waardplanten. In een laatste experiment zullen we testen hoe het verstoren van hun microbiota, de fitness van de vliegen beïnvloed.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vermijden van een lokaal natuurlijk zoogdierreservoir van SARS‐CoV‐2 in België. 01/06/2020 - 31/05/2021

Abstract

Het SARS‐CoV‐2 heeft zijn oorsprong in een Aziatische vleermuissoort maar het is ondertussen duidelijk dat het naast mensen ook verschillende niet‐verwante zoogdiersoorten kan besmetten. Gezien de circulatie van het virus onder mensen bestaat de kans dat zij het overdragen op wilde soorten; mocht dat gebeuren, dan kan er een nieuw reservoir ontstaan dat uiterst moeilijk te controleren zal zijn. Dit moet vermeden worden maar het is nog niet duidelijk welke in de natuur voorkomende soorten in België ontvankelijk zijn voor het virus. Het binnendringen van het virus in een gastheercel gebeurt door een binding aan het ACE2 proteïne, en wordt verder gefaciliteerd door de furine en TMPRSS2 proteases van de gastheer; deze eiwitten komen bij alle soorten voor maar hun sequenties (en bijgevolg de structurele kenmerken die vereist zijn voor interactie met het virus) kunnen verschillen en dat bepaalt of de gastheer gevoelig is voor infectie. Om na te gaan welke soorten mogelijk besmet kunnen worden, zullen wij de sequenties van de betrokken genen van de verschillende Belgische zoogdiersoorten bepalen, in samenwerking met de eiwitspecialisten van het department Farmacie de mogelijke structurele en functionele implicaties van variaties in aminozuursequenties in kaart brengen en aan de hand daarvan evalueren welke inheemse zoogdieren mogelijk een reservoir kunnen worden. Op basis daarvan kunnen dan specifieke maatregelen worden uitgewerkt om het ontstaan van dergelijk reservoir te vermijden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

BIODIV-AFREID: Biodiversiteitsveranderingen in Afrikaanse wouden en opduikende infectieziekten: moeten we ons zorgen maken? 01/03/2020 - 28/02/2023

Abstract

Dit project zal onderzoeken hoe biodiversiteitsomstandigheden de verspreiding van pathogenen in menselijke populaties in Afrikaanse wouden al dan niet bevorderen. Dit is cruciaal voor het voorspellen en beheersen van het risico op nieuwe uitbraken onder veranderende biodiversiteitsscenario's. Om dit proces te onderzoeken, stellen we 1 ° voor om veranderingen in biodiversiteit te koppelen aan veranderingen in gemeenschappen van reservoirs en de ziekteverwekkers die ze dragen en 2 ° om verschillen in deze reservoirgemeenschappen te koppelen aan de menselijke gezondheid. De voorgestelde onderzoeksactiviteiten zullen zich concentreren op Monkeypox- en Ebola-virussen, maar een breder spectrum van ziekteverwekkers zal worden opgenomen, zodat we een bereik kunnen bestrijken van ziekteverwekkers die relatief vaak voorkomen in een verscheidenheid aan kleine zoogdieren (MPXV) tot ziekteverwekkers die zeldzaam zijn en worden aangetroffen in alleen zeer weinig soorten (EBV). De voorgestelde studie zal worden uitgevoerd in DR Congo en Ivoorkust, in gebieden waar deze opkomende ziekten eerder zijn waargenomen en optimaal gebruik maken van de grote monstercollecties die eerder door de consortiumpartners in deze gebieden zijn verzameld.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

BioRodDis: beheer van biodiversiteit in bossen en stedelijke groene ruimten. Verdunnings- en versterkingseffecten bij knaagdiermicrobioom en door knaagdieren overgedragen ziekten. 01/02/2020 - 31/01/2023

Abstract

Ons project is gericht op het ophelderen van de verbanden tussen biodiversiteit en ziekten op lokale en Europese schaal met behulp van gestandaardiseerde beoordelingen van biodiversiteit en ziekterisico's. Dit project zal dit probleem aanpakken door nieuwe belangrijke onderzoeksrichtingen te integreren, d.w.z. gastheer microbiome en meerdere niveaus van pathogene diversiteit aan de ene kant, seizoensgebonden en meerjarige dynamiek aan de andere kant, inclusief scenario's voor klimaatverandering, en interacties met sociaal-economische contexten. Deze wetenschappelijke vragen zijn een essentiële voorwaarde om de bestaande modellering van de relatie tussen biodiversiteit en ziekten te verbeteren en om een ​​kader te ontwikkelen waarmee voorspellingen kunnen worden gedaan over de effecten van ecosysteembeheerpraktijken op de menselijke en dierlijke gezondheid, biologische beschermingsstrategieën en / of klimaatverandering op de gezondheid van mens en dier. Als zodanig moeten en zullen deze vragen worden behandeld in samenwerking met de belangrijkste lokale en Europese belanghebbenden en beleidsmakers. Onze resultaten zullen worden verspreid onder een groter publiek, via een breed scala aan communicatiekanalen, en rekening houdend met de juiste taal en nationale / sociaal-professionele kenmerken van de verschillende doelgroepen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Opstellen van 'best practices' en een beslissingsboom over het gebruik van diervriendelijke bestrijdingsmiddelen bij ratten en muizen. 01/02/2020 - 30/04/2021

Abstract

De Vlaamse overheid heeft opdracht gegeven voor een studie over diervriendelijke methoden voor ongediertebestrijding van ratten en muizen. Dit project wordt uitgevoerd door INBO, UAntwerpen werd ingehuurd als externe consulent voor dit project.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Co-infecties, heterogeniteit en gedrag: modellen en echte knaagdieren. 01/01/2020 - 31/12/2023

Abstract

De meeste epidemiologische modellen voor infecties richten zich slechts op één ziekteverwekker, maar in werkelijkheid worden gastheren vaak door meer dan één pathogeen geïnfecteerd. Bovendien gaan veel modellen uit van willekeurige of zelfs homogene vermenging van individuen binnen gedefinieerde categorieën en houden ze geen rekening met heterogeniteit van gastheereigenschappen of gedragsveranderingen als gevolg van infectie. In dit project zullen we deze vragen behandelen met een Afrikaanse knaagdierenpopulatie als modelsysteem. Aan de hand van een uitgebreide set van bestaande capture-mark-recapture data van veeltepelmuizen Mastomys natalensis in Tanzania, met meer dan 9.000 bloedmonsters verzameld tijdens maandelijkse opnames sinds 2007 en nog steeds lopend, zullen we in staat zijn om co-infecties met verschillende pathogenen te onderzoeken, positieve en negatieve associaties tussen deze pathogenen te beschrijven en een longitudinale studie uit te voeren naar de dynamiek van de transmissie van deze pathogenen. Aan de hand van experimenten in het labo en in grote omheinde proefterreinen op het veld zullen we gegevens verzamelen over de onderlinge interacties van de pathogenen op transmissieniveau, en de effecten van (co-)infecties op contact rates en gedrag (en vice versa), rekening houdend met heterogeniteit. Deze gegevens en inzichten zullen de basis vormen voor de ontwikkeling van wiskundige modellen die rekening houden met deze aspecten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Stress, ziekte en maatschappelijk gedrag: wat zijn de gevolgen van omgevingsdruk op gedrag individuele fitness en transmissie van parasieten? 01/11/2019 - 31/10/2023

Abstract

Uitbraken van Zoönotische ziektes (ziektes overgedragen door dieren zoals bv. Ebola) hebben recent de belangrijke rol van dieren in ziekteoverdracht benadrukt. Zoönotische ziektes zijn vooral van belang wanneer mensen en dieren vaak met elkaar in contact komen. Ziektetransmissie is afhankelijk van contact tussen een geïnfecteerd individu met een vatbaar individu en de waarschijnlijkheid dat een vatbaar individu geïnfecteerd wordt. Habitatsveranderingen zorgt voor een transitie in de beschikbaarheid en verspreiding van bronnen wat invloed heeft op het aantal contacten tussen individuen en met toenemende stress ook invloed heeft op vatbaarheid voor ziektes. Daarom is betere kennis over hoe milieustress invloed heeft op veranderingen in ziekteoverdracht fundamenteel. De veeltepelmuis zal gebruikt worden om te onderzoeken hoe milieustress overleving, gedrag en virustransmissie beïnvloed. Hierbij zullen verschillende benaderingen toelaten de fysiologische invloed van stress in zowel labo- als veldexperimenten te onderzoeken, gecombineerd met een state-of-art technologie om gedrag van in het wild levende knaagdieren te volgen. De veeltepelmuis is drager van verschillende zoönotische ziektes en is een succesvolle soort in dichtbevolkte gebieden. Daarom is dit niet enkel een pioniersstudie die fundamentele inzichten zal opleveren maar zal deze studie ook bijdragen tot de opbouw van kennis over de invloed van habitatsveranderingen op transmissie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Teekoverdraagbare ziektes in het Noordzee Gebied: een One Health perspectief (NORTHTICK) 01/09/2019 - 28/02/2023

Abstract

Infecties overgedragen via tekenbeten zijn een toenemend probleem in het Noordzeegebied. De algemene doelstelling van dit multidisciplinaire en transnationale project is om substantiële progressie te maken in deze domeinen: (i) risico-analyse van tekenbeten, (ii) efficiënte preventieve maatregelen, (iii) optimalisatie van diagnostiek, (iv) aanbevelingen voor de beste behandeling van patiënten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Next generation animal tracking: op zoek naar ecologische signalen. 01/01/2019 - 31/12/2023

Abstract

De voorbije jaren spelen GPS trackers een steeds belangrijkere rol binnen ecologisch onderzoek. Een snelle technologische ontwikkeling heeft er enerzijds toe geleid dat trackers steeds kleiner zijn, en dus voor meer diersoorten gebruik kunnen worden, maar ook dat deze met bijkomende sensoren kunnen worden uitgerust. GPS trackers worden dan ook steeds vaker gebruikt om het gedrag en bewegingspatronen van dieren vanop afstand te volgen. De methodes om de grote hoeveelheid data die deze trackers quasi continu kunnen generen te analyseren staan echter nog enorm achter waardoor er momenteel onvoldoende gebruik kan gemaakt worden van de spatio-temporele informatie die in deze data vervat zit. Om deze methodes verder te ontwikkelen werd een multidisciplinair consortium samengesteld met partners die toonaangevend zijn in domeinen zoals gedragsecologie, statistische ecologie, ICT, GIS-technologie en visuele analyse. De integratie van inzichten uit de verschillende disciplines is essentieel om op korte termijn de impuls te genereren die nodig is om de methodes te onwikkelen die toelaten om Big Movement Data ten volle te benutten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Zoönose- en plaagdierecologisch onderzoek voor duurzame leefbaarheid op het raakvlak tussen mens en wildlife in Omo Basin, Zuid-Ethiopië. 01/01/2019 - 31/12/2022

Abstract

De activiteiten voor het levensonderhoud van de plattelandsgemeenschappen in Ethiopië gaan ten koste van de biodiversiteit in gebieden met een hoge mate van contact tussen mens en dier. Dit project is gericht op het verbeteren van de academische en onderzoekscapaciteit aan de Wolaita Sodo Universiteit (WSU), waarbij de nadruk ligt op ecologische interacties op het raakvlak tussen mens en dier en het genereren van een betere kennis van mens-wildconflicten om mogelijke verzachtende maatregelen op te helderen. De tussentijdse resultaten (outputs) die van het project worden verwacht, omvatten een beschrijving van het mens-wildconflict en de economische impact ervan, onderzoek naar zoönose-epidemiologie met de nadruk op leishmania-sis, onderzoek naar wetland-naar-drooglandverschuivingen en de effecten ervan op kleine zoogdierpopulaties en -conflicten. De ruimtelijke en temporele gegevens over mens-wildconflicten zullen worden verzameld. De resultaten zullen worden vertaald in beleidsopgaven en worden verspreid onder lokale gemeenschappen, belanghebbenden en beleidsmakers voor acties. Verbetering van het menselijk welzijn (beschermd milieu, verbeterde gewasproductiviteit en betere gezondheid) zijn de belangrijkste effecten die met het project worden beoogd.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Identificatie van prioritaire zones voor natuur- en bosbeheer omtrent de bestrijding van Lyme borreliose op basis van nieuwe inzichten on de ecologie van teken. 01/01/2019 - 31/12/2022

Abstract

De ziekte van Lyme wordt overgedragen door de teek Ixodes ricinus en is in recente jaren toegenomen. Om efficiënt aan preventie te doen is het belangrijk om te weten op welke door mensen bezochte plaatsen de abundantie aan geïnfecteerde teken het hoogst is. Eerder onderzoek heeft relaties aangetoond tussen bostypes en aantal teken, maar het is nog onduidelijk welke factoren de ruimtelijke spreiding van teken binnen een gebied bepalen. In dit doctoraatsproject zal ik de spreiding van teken in bossen nagaan in relatie tot het gebruik van sites door recreanten. Verder zal ik nagaan waarom teken op deze specifieke locaties voorkomen. Een aspect dat hierbij belangrijk kan zijn is de plaats waar teken afvallen van de vorige gastheer waarop ze gevoed hebben, zoals reeën of kleinere dieren. Ik zal onderzoeken op welke locaties gastheren het meeste tijd doorbrengen en waar teken preferentieel van de gastheer afvallen. Daarnaast zal ik onderzoeken welke omgevingsfactoren gekoppeld zijn aan sterfte van teken. In dergelijke condities zal er minder nood aan bestrijding zijn. De resultaten van dit onderzoek zullen samengevat en vertaald worden voor bosbeheerders en beleidsverantwoordelijken, zodat zij het bosbeheer beter kunnen afstemmen op tekenrisico's en meer efficient tekenaantallen reduceren. Dit zal leiden tot besparing van tijd en middelen en gezondheidsrisico's voor recreanten beperken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Going viral: transmissiedynamiek en contactgedrag bij kleine knaagdieren onderzoeken gebuikmakend van nieuwe technologie. 01/01/2019 - 31/12/2021

Abstract

Vele diersoorten zijn drager van ziektes die overdraagbaar zijn naar mensen, met serieuze gezondheids- en economische gevolgen. Daarom is er een belangrijke nood aan de opbouw van kennis over hoe deze ziektes zich in dierpopulaties handhaven. Zoals mensen mengen ook dieren zich niet willekeurig met anderen, maar het accuraat bepalen van sociale gedragingen, zoals het contact-gedrag tussen dieren is moeilijk, zelfs voor grote makkelijk observeerbare soorten. Hiervoor is vaak een grote tijds- en financiële investering nodig. Voor kleine, nacht-actieve dieren zoals knaagdieren is het bepalen contact-gedragingen tot nu toe onmogelijk. Daarom hebben wij Social Contact Network (SCoNe) loggers ontwikkeld. Deze loggers wegen minder dan 1,5g, kunnen tot 28 dagen lang aan een halsband worden bevestigd en kunnen interacties tussen maximaal 70 dieren bepalen. Wij willen deze loggers gebruiken om een beter inzicht te krijgen in het contact-gedrag van de veeltepelmuis in Tanzania en de invloed hiervan op virustransmissie. De veeltepelmuis kan ziektes zoals Lassa koorts en de plaag overbrengen. Deze soort heeft verschillende worpen per jaar van meer dan 20 jongen waardoor deze muizen in bepaalde periodes overvloedig kunnen voorkomen, met veel gewasschade tot gevolg. Een betere kennis over hoe het gedrag van muizen varieert doorheen populatieveranderingen en hoe dit de overdracht van ziektes beïnvloed zal helpen in het beschermen van gewassen, zal gezondheidsadvies kunnen sturen en zal antwoorden kunnen geven op fundamentele vragen over ziekteoverdracht. Door hun klein formaat en open-source ontwerp kunnen SCoNe loggers makkelijk aangepast worden aan de noden van andere onderzoekers waardoor ook het gedrag van andere soorten onderzocht kan worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De link tussen persoonlijkheid en infectierisico in natuurlijke populaties van het Afrikaanse knaagdiersoort Mastomys natalensis met het Morogoro arenavirus. 01/10/2018 - 30/09/2021

Abstract

Dierlijke persoonlijkheid is het fenomeen dat gedrag consistent is in de tijd, wat betekent dat bijvoorbeeld sommige mensen altijd agressiever zijn dan anderen. Elk gedrag kan worden gedefinieerd als een persoonlijkheidskenmerk, zolang het maar herhaalbaar is in de tijd, maar persoonlijkheidstrekken zijn over het algemeen verdeeld in vijf categorieën: vrijmoedigheid, onderzoek, activiteit, agressiviteit en gezelligheid. Mensen met een sterke verkenning kunnen een grotere kans hebben om een ​​partner te ontmoeten en hebben dus bijvoorbeeld een hoog reproductief succes, maar ze kunnen ook een verhoogd risico lopen op parasieten, ziekteverwekkers en roofdieren. Deze fitness-kosten van de persoonlijkheid zijn weinig onderzocht, maar kunnen belangrijke implicaties hebben voor de ziektedynamiek. Met behulp van de natal multimammate mouse (Mastomys natalensis) - Morogoro arenavirus study system, zal ik de mogelijke verbanden tussen persoonlijkheidskenmerken, immuunsysteem en infectierisico onderzoeken. Specifiek zal ik 1) vaststellen of M. natalensis bewijs van consistente persoonlijkheidskenmerken vertoont en als enige kenmerken gecorreleerd zijn, 2) onderzoeken of gastheerspersoonlijkheidskenmerken geassocieerd zijn met virale infecties in vrijlevende populaties, 3) bepalen of er een relatie is tussen sommige persoonlijkheidskenmerken en immuunsysteemfunctie, 4) experimenteel testen of infectie de expressie van persoonlijkheidskenmerken verandert, en 5) epidemiologische modellen gebruiken om de potentiële effecten van persoonlijkheid op de dynamiek van virusoverdracht in vrijlevende populaties te onderzoeken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Individuele variatie en evolutionair potentieel van parasietkenmerken in een vogel-teek systeem: directe en indirecte genetische effecten 01/01/2017 - 31/12/2020

Abstract

De interactie tussen gastheren en parasieten is een van de belangrijkste drijvende krachten in de evolutie. Evolutie is enkel mogelijk indien individuele kenmerken tenminste gedeeltelijk overerfbaar zijn, en onderhevig aan natuurlijke selectie. Om de evolutie van parasietkenmerken te bestuderen, is het dus noodzakelijk om het succes van individuele parasieten te volgen doorheen hun levenscyclus. Dit is moeilijk tot onmogelijk bij vele soorten parasieten tenzij in zeer artificiele labo-omgevingen. In dit project onderzoeken we de variatie en erfbaarheid van parasietkenmerken in op vogels gespecializeerde teken. De teken worden in het labo gekweekt en voeden zich een keer per stadium (larve, nymf of adult) op koolmezen uit een wilde populatie. Dit geeft ons informatie over genetische verwantschap van zowel de teken als de individuele vogels in de studie. Zo kunnen we onderzoeken in hoeverre variatie in parasietsucces (voedingssucces, overleving, aantal eieren) gerelateerd is aan genetische variatie in de parasiet, in de gastheer, of een combinatie van beide. We onderzoeken ook of teken die succesvol zijn op koolmezen het minder goed doen op andere vogelsoorten, en vice versa. Analoog gaan we na of koolmezen die meer resistent zijn - of tolerant voor - een vogelspecifieke teek, minder goed bestand zijn tegen andere minder gespecialiseerde teken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een eco-evolutionair netwerk van biotische interacties. 01/01/2016 - 31/12/2020

Abstract

De mate waarin biodiversiteit en de hieraan gekoppelde ecosysteemfuncties veranderen in functie van globale door de mens veroorzaakte veranderingen in de leefomgeving worden momenteel vooral ingeschat op basis van statistische technieken. Onzekerheden in de uitkomsten van deze predictieve modellen zijn groot. Omdat de onderliggend ecologische en evolutionaire dynamieken van individuen, populaties en soorten en hun interacties genegeerd worden kunnen de biologische oorzaken van deze onzekerheden niet geduid worden. Het opschalen van individuele- en soortafhankelijke mechanismen naar hogere schalen van biologische organisatie kan enkel gebeuren indien we in staat zijn om de variatie in deze mechanismen te begrijpen en te generaliseren. Meer specifiek is er nood aan het in rekening brengen van biotische interacties. De partners van de voorgestelde onderzoeksgemeenschap zijn toonaangevende onderzoekseenheden in het domein van de evolutionaire ecologie. Onder impuls van initiatieven gefinancierd binnen vroegere onderzoeksgemeenschappen breidden de diverse betrokken onderzoekseenheden hun onderzoek recent uit naar de context van interagerende soorten. Omwille van de complexiteit van biologische interacties in ecologische netwerken, zowel qua oorzaak als gevolg, is er meer dan ooit een hoge nood om onderzoeksagenda's op elkaar af te stemmen, nieuwe methodieken te integreren, inzichten uit te wisselen en samen te werken binnen een inter- en multidisciplinaire context. De beoogde integratie van diverse modelsystemen en disciplines zal de vooruitgang van het eco-evolutionair onderzoek in Vlaanderen zonder twijfel stimuleren. Op zijn beurt is deze vooruitgang essentieel voor de ontwikkelingen binnen verwante domeinen zoals epidemiologie en kankeronderzoek.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Afgelopen projecten

De rol van microbiele symbionten in het gebruik en spectrum van waardplanten bij oligofage komkommervliegen (Tephritidae). 01/11/2019 - 31/10/2020

Abstract

Herbivore insecten zijn de meest soortenrijke diergroep. Het is echter niet duidelijk hoe deze diversiteit is ontstaan. Men vermoedt dat de co-evolutie tussen herbivore insecten en hun waardplanten een belangrijke rol speelt. De grote variatie aan defensieve toxines van planten en de gespecialiseerde ontgiftingsmechanismen in insecten zorgde voor het ontstaan van nieuwe soorten. Het gebeurt echter dat deze soorten soms nieuwe plantensoorten aanvallen. Zo ontstaat er een tijdreeks van dieetuitbreidingen gevolgd door specialisatie voor bepaalde planten. Het is onduidelijk welke mechanismen hiervoor verantwoordelijk zijn maar er word vermoed dat micro-organismen een rol spelen (de microbiële facilitatie hypothese). Zo blijkt nu dat de meeste dieren intieme associaties hebben met microben die in/op hun lichaam voorkomen en een belangrijke invloed kunnen uitoefenen op het dier. In dit project gaan we in op deze vragen. We focussen ons op fruitvliegen die zich voeden met komkommerachtigen maar recentelijk soms nieuwe waardplanten (Solanaceae) aanvallen. In een eerste fase zullen we nagaan of verschillende soorten fruitvliegen gelijkaardige microbiota en metabolische responsen hebben op hun waardplanten. Daarna zullen we onderzoeken hoe de metabolische responsen van de vlieg en zijn microbiota reageren op een dieet van nieuwe waardplanten. In een laatste experiment zullen we testen hoe het wijzigen van hun microbiota, de capaciteit van de vliegen om planten aan te vallen aantast.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek in het domein van de conservatiebiologie. 01/01/2019 - 31/12/2019

Abstract

Gift van KMDA aan het Universiteitsfonds met de bedoeling het onderzoek in de conservatiebiologie te stimuleren. Het departement Biologie beslist hoe deze middelen in te zetten voor het betalen van onderzoeksmedewerkers.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Mastomys natalensis hybride zones als natuurlijke laboratoria om de grenzen van arenavirusverspreiding te onderzoeken. 01/10/2018 - 30/09/2020

Abstract

De Natal veeltepelmuis is waarschijnlijk het meest voorkomende Afrikaanse knaagdier. In West-Afrika draagt deze muis het Lassa virus, dat op de mens kan worden overgedragen en dodelijke hemorragische koorts kan veroorzaken; in andere delen van Afrika draagt ze nauw verwante arenavirussen, maar deze zijn niet pathogeen voor de mens. Deze virussen lijken beperkt te zijn tot bepaalde geografische gebieden omdat ze specifiek zijn voor genetisch verschillende subgroepen van deze muizensoort. In Tanzania komen drie van deze subgroepen met drie verschillende niet-pathogene virussen met elkaar in contact. Het is daarom een ideale plek om te onderzoeken wat er met deze subgroepen gebeurt wanneer ze elkaar ontmoeten en hoe dit hun arenavirussen beïnvloedt. Meer specifiek wordt de divergentie van de gastheersubgroepen beschreven, worden de hybride zones gekarakteriseerd waar de subgroepen met elkaar in contact komen, wordt de associatie van verschillende arenavirussen met hun gastheersubgroepen beoordeeld en worden de evolutie en virale belasting van de arenavirussen in de hybride zones bestudeerd. Dit onderzoek zal inzicht geven in speciatieprocessen en zal helpen om de geografische spreiding en evolutie van arenavirussen te begrijpen, wat cruciaal is om toekomstige noodsituaties te voorspellen en interventies te plannen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Sabbatsverlof 2018-2019 Prof. Erik Matthysen. 01/10/2018 - 30/09/2019

Abstract

Deze wetenschappelijke opdracht heeft als algemeen doel om het onderzoek naar respons van dieren op klimaatverandering verder uit te bouwen en daarbij nieuwe onderzoeksmogelijkheden en samenwerkingen te verkennen. Het modelsysteem is de seizoenale timing (fenologie) van insectivore vogels in relatie tot fenologie van bossen, waarvoor wij over meerdere lange-termijn datasets beschikken. Meer specifiek zal ik mij focusen op het belang van de timing in individuele bomen, een aspect dat tot dusver sterk onderbelicht is gebleven. Een eerste concrete doelstelling is de analyse van een unieke en recent verworven dataset met fenologie van 1600 bomen in een lang-termijn studiepopulatie. Een nevendoelstelling daarbij is het updaten van mijn onderzoeksvaardigheden in het gebruik van analytische software. Een tweede doelstelling is het verkennen van de mogelijkheden in remote sensing methodologieën om grootschalig de timing van individuele bomen te karakteriseren, met als doel om nieuwe samenwerkingen op te zetten en projectaanvragen voor te bereiden. Ten derde zal ik de visibiliteit van onze groep in internationale samenwerkingen versterken door deelname aan expert workshops en co-publicatie van longitudinale data-analyses. Een laatste doelstelling is het uitwisselen van kennis met experten in fenologie van bomen in relatie tot klimaatsopwarming, met name de groep PLECO in UAntwerpen die in deze materie een internationaal leidende positie heeft, met als concrete uitkomsten het schrijven van een perspective paper en de ontwikkeling van nieuwe projectvoorstellen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Voorkomen van teken in de Antwerpse stadsrand. Beleidsaanbevelingen voor planning van ecologische corridors en m.b.t. groen en gezondheid. 01/03/2018 - 31/12/2018

Abstract

In dit project worden reeds eerder verzamelde velddata van het voorkomen van teken geanalyseerd, met inbegrip van de prevalenties van belangrijke pathogenen. De teken werden verzameld in een twintigtal parken en bossen in en rond Antwerpen. Op basis van de data-analyse worden voorstellen uitgewerkt om meer rekening te houden met mogelijke gezondheidsrisico's door teken in urbaan gebied.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Identificatie van Lyme borreliose risico zones voor bos- en natuurbeheer op basis van nieuwe inzichten in de ecologie van teken. 01/01/2018 - 31/12/2018

Abstract

Dit project beoogt bij te dragen aan de optimalisatie van natuurbeheer in functie van het minimaliseren van risico's op infectie met teekoverdraagbare ziekten, in het bijzonder Lyme borreliose overgedragen door de schapenteek Ixodes ricinus. Meer bepaald zal dit project de ruimtelijke verspreiding van teken onderzoeken op fijnschalig niveau en processen onderzoeken die hiertoe bijdragen, in het bijzonder de verspreiding van gastheren, het loslaten van de gastheer (detachment), verplaatsing na detachment, en mortaliteit van teken. Door deze processen te relateren aan vegetatiebeheer zullen we in staat zijn gericht advies te geven voor een meer efficiënt beheer en zonering van activiteiten in bos- en natuurgebieden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een beoordeling van de relatie tussen koolstofopslag en biodiversiteit in laagland regenwoud in DR Congo. 01/10/2017 - 30/09/2019

Abstract

Antropogene klimaatverandering vormt een grote bedreiging voor de biodiversiteit en het menselijk welzijn. Klimaatveranderingsbeperkende strategieën, zoals het VN-REDD+-programma (vermindering van emissies door ontbossing en afbraak) zijn gericht op het beschermen en verbeteren van de koolstofvoorraden in de biosfeer (C) door het behoud van tropische regenwoudsystemen. Maar zal de biodiversiteit (BD) ook behouden blijven wanneer bossen voor hun C-bestand beschermd worden? Componenten van bos BD kunnen elkaar in verschillende mate overlappen, compenseren of grotendeels onafhankelijk zijn van bos B-onderdelen die in het opslagpotentieel C ingrijpen. Studies over de ruimtelijke congruentie van C en BD vinden geen consistente relatie. We stellen dat dit waarschijnlijk te wijten is aan de grootschalige analyse en het gebruik van weinig BD parameters. In dit project zullen we de relatie tussen BD en C op kleine schaal onderzoeken aan de hand van gegevens uit het Centraal-Congo-bekken, een ondergeprogrammeerde regio. Het C-bestand en verschillende soortengroepen werden bemonsterd op maximaal 21 percelen in het Yangambi Biosfeerreservaat (YBR, DR Congo). We beschrijven eerst' biodiversiteit', een moeilijk te definieren term, met een reeks BD-parameters. Verder zullen we de relatie tussen C en BD onderzoeken op zowel het niveau van de 21 studiepercelen als, met behulp van ruimtelijke extrapolatie, over de gehele YBR. Ten slotte zullen we het effect van verschillende C-instandhoudingsstrategieën op BD beoordelen en testen of het mogelijk is om zowel C als BD-instandhouding te maximaliseren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Mastomys natalensis hybride zones als natuurlijke laboratoria om de grenzen van arenavirusverspreiding te onderzoeken. 01/10/2017 - 30/09/2018

Abstract

The Natal veeltepelmuis is de meest algemene Afrikaanse knaagdiersoort. In West Afrika draagt ze het Lassa virus, dat bij mensen een soms dodelijke hemorrhagische koorts veroorzaakt; in andere delen van Afrika draagt ze nauw verwante arenavirussen, maar deze zijn niet pathogeen voor mensen. Deze virussen zijn beperkt tot enkele geografische gebieden, gebonden aan specifieke genetische groepen van veeltepelmuizen. In Tanzania is er een contactzone tussen drie van die genetische groepen. Daarom is dit een zeer geschikt gebied om na te gaan hoe deze groepen gescheiden blijven en hoe hun virussen zich gedragen in dergelijke contact zone. Dit zal inzicht verschaffen zowel in speciatieprocessen als in de verspreiding en evolutie van Lassa virus, wat van belang is om toekomstige outbreaks te voorspellen en interventies te plannen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Verfijn state-of-the-art ontmoet loggers voor gebruik op Mastomys natalensis, een belangrijke agrarische plaag en belangrijkste gastheer zoonotische ziekten in Afrika in het zuiden van de Sahara. 01/09/2017 - 31/08/2018

Abstract

Het begrijpen van de processen die het gedrag ondersteunen, zoals mededinging, predatie, sociaal of ziekteoverdracht, vereisen de mogelijkheid om in detail de aard van interacties tussen individuen te volgen. Tot voor kort is dit beperkt tot grote, gevangen of gemakkelijk waarneembare soorten. Nieuwe vooruitgang in miniaturisatie betekent echter dat het nu mogelijk is datasets van ongekende ruimtetemporale resolutie voor steeds kleiner dieren verzameld worden. Dergelijke systemen moeten getest en gekalibreerd worden om ervoor te zorgen dat ze geen individueel gedrag fundamenteel wijzigen en ervoor zorgen dat gegevens die uit dergelijke systemen zijn verzameld, vrij van vooroordeel zijn. We hebben miniatuurlabels ontwikkeld die tegelijkertijd de transmissies van andere tags verzenden en registreren en loggen. Dit project stelt ons in staat om methodes van tag attachment te testen (ervoor te zorgen dat de stress op het dier minimaal wordt gehouden), monitor fysiologische of gedragsveranderingen veroorzaakt door de tags (moet minimaal zijn om te voorkomen dat veranderingen in knaagdiergedrag worden aangebracht) Om de tags te kalibreren in een veldrealistische instelling. We zullen de tags gebruiken om een groot, realistisch onderzoek uit te voeren dat zeer gedetailleerde ziekteoverdrachtmodellen zal parametreren; Het ontwerp en de constructie van de tags zal open source zijn om andere onderzoekers ook de technologie op andere taxa te kunnen gebruiken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiemodellering POPCAT. 01/08/2017 - 31/10/2018

Abstract

Gedurende 15 maanden wordt een onderzoek gevoerd naar mogelijke managementscenario's en de impact ervan op zwerfkatten in Vlaanderen. Het opzet is om steden en gemeenschappen een instrument te bieden dat verschillende beheersmogelijkheden voor hun gebied in kaart brengt. Hiertoe wordt het theoretische kosten-batenmodel (Høgasen et al.) aangepast aan de Vlaamse context. Het project is een samenwerking tussen het Laboratorium voor Ethologie (Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent, België – Prof. Christel Moons en Ciska De Ruyver), Odisee hogeschool (België – Els Peeters), Istituto Zooprofilattico Sperimentale (Italië – Paolo Dalla Villa), en de Universiteit Antwerpen (België – Prof. Herwig Leirs en Lucinda Kirkpatrick). Het project wordt gefinancierd door het Departement Omgeving van de Vlaamse overheid.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ecologisch onderzoek naar aanleiding van de Ebola-epidemie in Likati, DRC, mei 2017 26/06/2017 - 31/12/2017

Abstract

In mei 2017 was er Ebola-outbreak in Likati, Bas-Uélé, DR Congo. In tegenstelling tot andere outbreaks was er goede informatie beschikbaar over de identiteit en activiteiten van de primary case (de persoon die de infectie kreeg uit de natuur) in de weken voordat hij ziek werd. Dit opende een mogelijkheid voor gericht ecologisch onderzoek naar het potentiële reservoir van Ebolavirus. Deze financiering liet toe dat een team van UAntwerpen en KBIN een leidende rol kon spelen in een expeditie samen met verschillende andere Congolese en internationale experten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Management tool voor het beheersen van insectenplagen in tomaat en peper in Europa (PeMaTo - EuroPep) 01/04/2017 - 31/03/2019

Abstract

Een betere benutting van de nuttige organismen die in de tomatenteelt uitgezet worden als bestrijding van courante plagen zoals witte vlieg, spint en Tuta absoluta met als gevolg een duurzamer gebruik van biologische en chemische gewasbeschermingsmiddelen tegen deze plagen. Door middel van populatiemodellen beoogt men om de complexe populatie ecologie in een serre te beschrijven, en de teler toe te laten om aan de hand van gestandaardiseerde monitoringsgegevens een simulatie uit te voeren en na te gaan of een plaag onder controle is of niet. De grootste doelgroep vormen de tomatentelers onder glas (252 bedrijven, 545 hectare) en de veilingorganisatie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Renforcement des capacités académiques face à la réponse et riposte aux épidémies de Monkeypox: discrimination et origine des fièvres éruptives en République Démocratique du Congo (RDC) 01/01/2017 - 31/12/2018

Abstract

Dit project is gericht op de versterking van de academische capaciteit van de universiteit van Kisangani als reactie op uitbraken van koortsepidemieën in de Democratische Republiek Congo door het opleiden van personeel en studenten in epidemiologie en epidemie management, en de uitvoering van een proefproject, gericht op het Monkeypoxvirus, met gezondheidspersoneel uit de gezondheidszone van Aketi (provincie Bas-Uele). Het project omvat een onderzoekscomponent betreffende de zoönotische oorsprong van het Monkeypoxvirus. De resultaten van dit project zullen leiden tot een verbeterde capaciteit om uitbraken van eruptieve koortsen in het land te onderzoeken en te bestrijden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De link tussen persoonlijkheid en infectierisico in natuurlijke populaties van het Afrikaanse knaagdiersoort Mastomys natalensis met het Morogoro arenavirus. 01/10/2016 - 30/09/2018

Abstract

Dierlijke persoonlijkheid is het fenomeen dat gedrag consistent is in de tijd, wat betekent dat bijvoorbeeld sommige mensen altijd agressiever zijn dan anderen. Elk gedrag kan worden gedefinieerd als een persoonlijkheidskenmerk, zolang het maar herhaalbaar is in de tijd, maar persoonlijkheidstrekken zijn over het algemeen verdeeld in vijf categorieën: vrijmoedigheid, onderzoek, activiteit, agressiviteit en gezelligheid. Mensen met een sterke verkenning kunnen een grotere kans hebben om een ​​partner te ontmoeten en hebben dus bijvoorbeeld een hoog reproductief succes, maar ze kunnen ook een verhoogd risico lopen op parasieten, ziekteverwekkers en roofdieren. Deze fitness-kosten van de persoonlijkheid zijn weinig onderzocht, maar kunnen belangrijke implicaties hebben voor de ziektedynamiek. Met behulp van de natal multimammate mouse (Mastomys natalensis) - Morogoro arenavirus study system, zal ik de mogelijke verbanden tussen persoonlijkheidskenmerken, immuunsysteem en infectierisico onderzoeken. Specifiek zal ik 1) vaststellen of M. natalensis bewijs van consistente persoonlijkheidskenmerken vertoont en als enige kenmerken gecorreleerd zijn, 2) onderzoeken of gastheerspersoonlijkheidskenmerken geassocieerd zijn met virale infecties in vrijlevende populaties, 3) bepalen of er een relatie is tussen sommige persoonlijkheidskenmerken en immuunsysteemfunctie, 4) experimenteel testen of infectie de expressie van persoonlijkheidskenmerken verandert, en 5) epidemiologische modellen gebruiken om de potentiële effecten van persoonlijkheid op de dynamiek van virusoverdracht in vrijlevende populaties te onderzoeken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

PeMaTo. 01/12/2015 - 30/11/2019

Abstract

Met dit project wordt gestreefd naar een betere benutting van de nuttige organismen die in de tomatenteelt uitgezet worden als bestrijding van courante plagen zoals witte vlieg, spint en Tuta absoluta met als gevolg een duurzamer gebruik van biologische en chemische gewasbeschermingsmiddelen tegen deze plagen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Systematische behoud planning in de hoge Andes van Bolivia: toepassing van modellen voor integratieve beheer van natuurgebieden. 01/10/2015 - 30/09/2017

Abstract

Dit project handelt over het beheer en behoud van Polylepis bossen in de hoge Andes, één van de meest bedreigde ecosystemen ter wereld. Het project focust op de zuidhelling van het Tunari Nationaal Park (Bolivië) waar lokale gemeenschappen leven te midden van kleine restantanten Polylepis bos. Deze thesis stelt zich tot doel om de noden van lokale gemeenschappen en van de bewoners Cochabamba (een grote stad vlakbij het park) te verzoenen met de bescherming en het behoud van de Polylepis bossen en de daarmee geassocieerde (bedreigde) biodiversiteit. Daartoe ga ik gebruik maken van 'conservation planning software' (zoals Marxan en Zonation) om een beslissingssysteem te bouwen dat door Boliviaanse beleidsmakers kan worden gebruikt.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een beoordeling van de relatie tussen koolstofopslag en biodiversiteit in laagland regenwoud in DR Congo. 01/10/2015 - 30/09/2017

Abstract

Antropogene klimaatverandering vormt een grote bedreiging voor zowel de biodiversiteit als het welzijn van de mens. Klimaatmitigatiestrategieën zoals het UN-REDD+ programma (vermindering van emissies door ontbossing en afbraak) zijn gericht op de bescherming en verbetering van biosfeerkoolstof (C) -bestanden door het behoud van tropische regenwoudsystemen. Worden bossen echter beschermd voor hun C-bestanden, wordt de biodiversiteit dan ook behouden? Componenten van bos-BD kunnen elkaar in verschillende mate overlappen, afruilen met, of grotendeels onafhankelijk zijn van die welke ingrijpen in het C-opslagpotentieel. Studies naar de ruimtelijke congruentie van C en BD vinden geen consistente relatie. We beweren dat dit waarschijnlijk te wijten is aan de grootschalige analyse en het gebruik van enkele BD-parameters. In dit project zullen we op een fijne schaal kijken naar de relatie tussen BD en C met behulp van gegevens uit het Centraal-Congo-bekken, een ondergewaardeerde regio. Het C-bestand en verschillende soortengroepen werden bemonsterd in maximaal 21 percelen in het Yangambi-biosfeerreservaat (YBR, DR Congo). We zullen eerst 'biodiversiteit' beschrijven, een fundamenteel ongedefinieerde term, met een set BD-parameters. Verder zullen we de relatie tussen C en BD onderzoeken op zowel het niveau van de 21 studieplots als, met behulp van ruimtelijke extrapolatie, over de YBR als geheel. Ten slotte zullen we het effect van verschillende C-beschermingsstrategieën op BD beoordelen en testen of het mogelijk is om zowel C- als BD-conservering te maximaliseren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Milieuvriendelijke bestrijding van knaagdieren in maïs en rijstgewassen in Oost-Afrika. 15/02/2015 - 31/01/2018

Abstract

Het doel van dit project is om duurzame strategieën te ontwikkelen voor knaagdierbeheersing voor kleinschalige landbouwers in Tanzania en Oeganda. Ecologie-gebaseerde knaagdierbestrijding maakt gebruik van kennis over de ecologie van de pestsoort met de bedoeling de door de landbouwer opgelopen schade te reduceren. Het doden van knaagdieren is daarbij geen doelstelling op zich, mmaar het gebruik van rodenticiden is evenmin uitgesloten. Dit project onderoekt de mogelijkheden vvor dergelijke knaagdierbeheersing in mais- en rijstvelden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Transmissie cycli van teek-overdraagbare Borrelia burgdorferi s.l. en rickettsiale bacteriën in een tekengemeenschap bij zangvogels 01/02/2015 - 31/12/2015

Abstract

Interacties tussen vogels en Ixodes teken worden geacht humane infectierisico's voor teekoverdraagbare ziekten te beïnvloeden. Gebruikmakend van diagnostische testen, trachten we informatie te bekomen over de bijdrage van zangvogels en vogelteken in de terrestrische cycli van Borrelia burgdorferi s.l. en rickettsiale bacteriën. We spitsen ons toe op de infectierisico's bij vogels en de capaciteit bij vogelteken om de bacteriën over te dragen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Modelleren van het schaderisico voor de landbouw in Vlaanderen ten gevolge van de aanwezigheid van het everzwijn (Sus scrofa). 01/01/2015 - 31/12/2018

Abstract

De sterke opmars van het everzwijn in het versnipperd Vlaamse landschap zorgt voor meer en meer landbouwschade. Deze problematiek staat centraal dit doctoraatsonderzoek. Een impactinventarisatie zal een eerste inzicht geven over de financiële gevolgen die gepaard gaat met schade aan landbouwgebieden door everzwijnen. Daarnaast wordt er een impactsmodel ontwikkeld zodat het mogelijk wordt in te schatten wat de eigenschappen zijn van landbouwgebieden die gevoelig zijn aan schade door everzwijnen. Ook zal er een verspreidingsmodel ontwikkeld worden zodat de toekomstige verspreiding van het everzwijn in Vlaanderen kan worden weergeven. De combinatie van deze doelstellingen zullen het mogelijk maken een risicoanalyse uit te voeren over de gevolgen van de everzwijnen voor de landbouwsector.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Landschap als drijvende kracht voor evolutieve divergentie bij twee knaagdier-gebonden RNA-virussen. 01/01/2015 - 31/12/2018

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Transmissie dynamiek van teek-overdraagbare Borrelia en rickettsiale bacteriën in een tekengemeenschap bij zangvogels. 01/01/2015 - 31/12/2017

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Poneroide mieren van Ecuador (Formicidae: Agroecomyrmicinae, Amblyoponinae, Ponerinae, Proceratiinae, Paraponerinae). 01/01/2015 - 31/12/2016

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De fluweelmijt Allothrombium molliculum als natuurlijke vijand van perenbladvlo (Cacopsylla pyri): fenologisch populatiemodel en integratie in boomgaardbeheer. 01/01/2015 - 31/12/2015

Abstract

De impact van A. molliculum op perenbladvlo populaties wordt bestudeerd, evenals de impact van verschillende aspecten van boomgaardbeheer op de populaties van A. molliculum. Op basis van tellingen in perenboomgaarden wordt een fenologisch populatiedynamica model van A. molliculum opgesteld. Met dit model, dat temperatuurgegevens gebruikt als input, kunnen telers nagaan of ze de timing van bepaalde beheersmaatregelen moeten aanpassen om de fluweelmijtpopulaties minimaal te schaden en tijdens gevoelige periodes te ontlasten. Zo worden de reeds aanwezige - maar meestal sterk geslonken- fluweelmijtpopulaties terug gestimuleerd en kunnen ze een waardevolle speler zijn in de strijd tegen perenbladvlo.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Transmissie dynamiek van teek-overdraagbare Borrelia en rickettsiale bacteriën in een tekengemeenschap bij zangvogels. 01/10/2014 - 30/09/2017

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De populatie-ecologie van inheemse, peri-inheemse en wilde knaagdieren en hun belang voor de volksgezondheid en de pest in de Wolita en Dawro zones, Zuid- Ethiopië . 01/10/2014 - 30/09/2016

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR. UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Eerste internationale conferentie over biodiversiteit in het Congobekken (Kisangani, Democratische Republiek Congo). 28/05/2014 - 31/12/2014

Abstract

Deze conferentie is een initiatief van het 'Consortium Congo 2010' (de Universiteit van Kisangani, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de Nationale Plantentuin van België) en het 'Centre de Surveillance de la Biodiversité' in Kisangani om interacties en samenwerking tussen Congolese, Belgische en internationale teams en deskundigen op het gebied van biodiversiteitsonderzoek in het Congobekken te vergemakkelijken. http://congobiodiversityconference2014.africamuseum.be/

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek in het domein van de ornithologie. 01/01/2014 - 31/12/2019

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds de opdrachtgever. UA levert aan de opdrachtgever de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vandaag nergens morgen ergens: de mogelijke rol van gedrag en ruimtelijke processen bij het heropduiken van infecties. 01/01/2014 - 31/12/2016

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Systematische behoud planning in de hoge Andes van Bolivie: toepassing van modellen voor integratieve beheer van natuurgebieden. 01/10/2013 - 30/09/2015

Abstract

Dit project handelt over het beheer en behoud van Polylepis bossen in de hoge Andes, één van de meest bedreigde ecosystemen ter wereld. Het project focust op de zuidhelling van het Tunari Nationaal Park (Bolivië) waar lokale gemeenschappen leven te midden van kleine restantanten Polylepis bos. Deze thesis stelt zich tot doel om de noden van lokale gemeenschappen en van de bewoners Cochabamba (een grote stad vlakbij het park) te verzoenen met de bescherming en het behoud van de Polylepis bossen en de daarmee geassocieerde (bedreigde) biodiversiteit. Daartoe ga ik gebruik maken van 'conservation planning software' (zoals Marxan en Zonation) om een beslissingssysteem te bouwen dat door Boliviaanse beleidsmakers kan worden gebruikt.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kwantificatie van de transmissiedynamieken van twee door knaagdieren overdraagbare virale infecties in een veranderlijke omgeving. 01/10/2013 - 30/09/2015

Abstract

Voor een beter begrip van de transmissie van infecties kan een integratieve aanpak zeer nuttig zijn. Met als uiteindelijk doel het maken van stochastische, individu-gebaseerde wiskundige modellen van de overdracht van een knaagdier-overdraagbaar virus (Mopeia virus in de Afrikaanse veeltepelmuis Mastomys natalensis), gebruiken wij zowel laboratorium- als veldexperimenten om de data te verzamelen waarop de modellen gebaseerd zullen worden. Deze modellen laten dan toe om fundamentele epidemiologische theorieën te testen die tot nu toe moeilijk waren om te bewijzen maar die nu, door de unieke veldopstelling die gebruikt zal worden, toch getest kunnen worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ecologie van het Lassa virus en het aanverwante arenavirus in de natuurlijke gastheer Mastomys natalensis. 01/03/2013 - 28/02/2019

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds DFG. UA levert aan DFG de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Land- en wateronderzoek voor een duurzaam levensonderhoud in de Zuid-Ethiopische Rift Valley. 28/02/2013 - 28/05/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht toegekend door de Universiteit Antwerpen. De promotor levert de Universiteit Antwerpen de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd door de universiteit.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van versnippering van Afrotropisch regenwoud op life-history strategieën in een coöperatief broedende vogelsoort. 01/01/2013 - 31/12/2016

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het belang van founder effecten en genetische diversiteit van geintroduceerde populaties als verklaring voor het invasiesucces van niet-inheemse soorten. 01/01/2013 - 31/12/2015

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Complexe patronen van gastheer-pathogen interactie: de rol van gedrag in de verspreiding van infecties doorheen een gestructureerde gastheerpopulatie. 01/01/2013 - 31/12/2015

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Realtime lokalisatie systeem voor populatie-onderzoek van kleine vogels. 01/01/2013 - 31/12/2014

Abstract

In dit project wordt een nieuw real-time plaatsbepalingssysteem ontwikkeld voor het grootschalig monitoren van bewegingen van kleine vrijlevende vogels. De uiteindelijke doelstelling is om goedkope geminiaturiseerde tags te ontwikkelen (max 1g gewicht) die spatiale informatie via ontvangsmodules op het terrein doorzenden naar een centraal ontvangstsysteem. De hoofddoelstelling van dit project is om de limieten en mogelijkheden van dit systeem duidelijk te kunnen bepalen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ruimte en omgeving als bepalende factoren voor eco-evolutionaire dynamieken: anthropogene omgevingen als model (SPEEDY). 01/10/2012 - 31/12/2017

Abstract

De globale doelstelling van SPEEDY is om geïntegreerde inzichten te bekomen in de respons van populaties en gemeenschappen op urbanizatie. Het geïntegreerd karakter van dit onderzoeksprogramma blijkt uit het feit dat we verschillende biologische organisatieniveau's bekijken (gemeenschappen en populaties) en dat we ons specifiek richten op interacties tussen ecologische en evolutionaire responsen (eco-evolutionaire dynamiek). Het project beoogt eveneens mechanistische verklaringen te vinden door te focusen op kenmerken van organismen, verschillende mogelijke stressoren die gepaard gaan met urbanizatie. In het project wordt op een geconcerteerde manier onderzoek verricht op verschillende groepen van organismen, en op verschillende ruimtelijke schalen. Het onderzoek zal ons toelaten om de respons van natuurlijke gemeenschappen op urbanizatie beter te kunnen voorspellen dankzij het integreren van evolutionaire responsen.genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Naar een kennisgebaseerde bedrijfszekere duurzame beheersing van perenbladvlo in de perenteelt. 01/09/2012 - 31/12/2016

Abstract

Het project heeft als hoofddoel de geïntegreerde bestrijding van perenbladvlo substantieel te verbeteren. Hierbij wordt gestreefd naar een verhoogde natuurlijke regulatie in de periodes dat hun belangrijkste vijanden onvoldoende aanwezig zijn in de boomgaard.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Eco-evolutionaire dynamieken in natuuurlijke en anthropogene gemeenschappen (FWO Vis. Fel, Alexis RIBAS SALVADOR, Spanje) 02/01/2012 - 01/01/2013

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van exploratie en ervaring in de ontwikkeling van ruimtelijk gedrag: leefgebieden en dispersie bij de koolmees. 01/01/2012 - 31/12/2015

Abstract

Mobiliteit is een van de meest essentiële karakteristieken van levende wezens, en is direct gekoppeld aan het verwerven en gebruik van ruimtelijke informatie. We testen twee algemene hypothesen aan de hand van veldobservaties en gedragsexperimenten op zangvogels: (a) individuen bouwen ruimtelijke informatie op in de loop van hun leven, die ze gebruiken bij volgende verplaatsingen, en dit leidt tot carry-over effecten tussen levensstadia; (b) individuen verschillen consistent in hun gebruik van ruimtelijke informatie, wat een deel van de binnen-populatie variatie in mobiliteit verklaart.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Gastheer-verwisseling en co-speciatie in de evolutionaire geschiedenis van twee RNAvirussen in Oost-Afrika. 01/01/2012 - 31/12/2014

Abstract

Het begrijpen van de evolutie en de epidemiologie van RNA-virussen in hun natuurlijke gastheren is van essentieel belang voor de voorspelling en controle van opkomende infectieziektes. Arenavirussen en hantavirussen zijn RNA-virussen die meestal door knaagdieren worden overgedragen en hemorragische koorts en neurologische aandoeningen bij de mens kunnen veroorzaken. De virussen zijn uitgebreid onderzocht in Europa en Amerika, maar weinig bestudeerd in Afrika. Recente ontdekkingen van nieuwe virussen suggereren dat ze echter zeer divers zijn in Afrika. Op basis van eerdere gegevens, ging men ervan uit dat beide groepen van virussen een lange co-evolutionaire geschiedenis deelden met hun gastheren. Dit is echter niet voldoende getest voor Afrikaanse arenavirussen, en een recente studie van hantavirussen suggereert een zeer korte co-geschiedenis die gekenmerkt wordt door regelmatige overschakelingen naar andere preferentiële gastheren, hetgeen grote gevolgen heeft voor het ontstaan van nieuwe virussen en de controle ervan. Dit project wil de kloof van de wetenschappelijke kennis over deze virussen in Afrika vullen door het onderzoeken van hun biodiversiteit, biogeografie en evolutionaire geschiedenis in relatie tot die van hun gastheren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Puumala hantavirus variatie in heterogene omgevingen in West-europa: ecologische drijfkrachten en epidemiologische gevolgen 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

In dit project willen we onderzoeken hoe klein - en grootschalige genetische variatie in Puumala virus (PUUV), een veelvoorkomende zoonose in Europa, gelinkt is aan heterogeniteit in PUUV epidemiologie en potentiële micro-evolutionaire patronen in België. Bijkomend, willen we de ecologische drijfkrachten van de geobserveerde genetische variatie in PUUV identificeren, rekening houdend met de genetische karakteristieken van de reservoir gastheer.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Complexe patronen van gastheer-pathogen interactie: de rol van gedrag in de verspreiding van infecties doorheen een gestructureerde gastheerpopulatie 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

In tegenstelling to de grote, goed gemengde theoretische populaties die klassiek gebruikt worden in modellen voor de verspreiding van infecties, zijn de meeste natuurlijke gastheerpopulaties, incl. mensen, sociaal of ruimtelijk georganiseerd in verschillende groepen. Dit is belangrijk omdat de overdracht van infectie in een gestructureerde populatie ook zal afhangen van groepsdynamiek, inbegrepen connectiviteit via individuele verplaatsingen. Maar hoewel theoretische studies de effecten van populatiestructuur en connectiviteit op infectiedynamiek reeds hebben onderzocht, blijven de gedragsmechanismen die connectiviteit bepalen, grotendeels onbekend. Dit project will die fundamentele vraag naar de rol van sociale and ruimtelijke structuren in een populatie aanpakken, daarbij als model gebruik makend van builenpest (Yersinia pestis) en één van zijn belangrijkse gastheren, de woestijnrat Rhombomys opimus. Meer specifiek zal het project 1) nagaan hoe de verplaatsingen van woestijnratten, hun predatoren en andere secundaire gastheren bijdragen aan de connectiviteit binnen gestructureerde woestijnratpopulaties en of er daar systematische verschillen bestaan tussen verschillende landschappen; en 2) een groot veldexperiment uitvoeren om de hypothese te testen dat deze connectiviteit de verspreiding van vlooien (en mogelijk dus van builenpest) verklaart doorheen een gestructureerde gastheerpopulatie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Borrelia infecties bij zangvogels en gespecialiseerde vogelteken 01/01/2012 - 31/12/2012

Abstract

Interacties tussen zangvogels en Ixodes teken worden geacht humane infectierisico's voor teekoverdraagbare ziekten te beïnvloeden. Gebruikmakend van diagnostische testen, trachten we nieuwe informatie te bekomen over de bijdrage van zangvogels en vogelteken in de terrestrische cycli van Borrelia burgdorferi s.l.. We spitsen ons toe op de infectierisico's bij vogels en de capaciteit bij vogelteken om Borrelia bacteriën over te dragen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Gastheer-parasiet interacties tussen residente zangvogels, teken (Ixodidae) en Borrelia spirochetes. 01/10/2011 - 30/09/2014

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Complexe patronen van gastheer-pathogen interactie: de rol van gedrag in de verspreiding van infecties doorheen een gestructureerde gastheerpopulatie. 01/10/2011 - 30/09/2014

Abstract

In tegenstelling to de grote, goed gemengde theoretische populaties die klassiek gebruikt worden in modellen voor de verspreiding van infecties, zijn de meeste natuurlijke gastheerpopulaties, incl. mensen, sociaal of ruimtelijk georganiseerd in verschillende groepen. Dit is belangrijk omdat de overdracht van infectie in een gestructureerde populatie ook zal afhangen van groepsdynamiek, inbegrepen connectiviteit via individuele verplaatsingen. Maar hoewel theoretische studies de effecten van populatiestructuur en connectiviteit op infectiedynamiek reeds hebben onderzocht, blijven de gedragsmechanismen die connectiviteit bepalen, grotendeels onbekend. Dit project will die fundamentele vraag naar de rol van sociale and ruimtelijke structuren in een populatie aanpakken, daarbij als model gebruik makend van builenpest (Yersinia pestis) en één van zijn belangrijkse gastheren, de woestijnrat Rhombomys opimus. Meer specifiek zal het project 1) nagaan hoe de verplaatsingen van woestijnratten, hun predatoren en andere secundaire gastheren bijdragen aan de connectiviteit binnen gestructureerde woestijnratpopulaties en of er daar systematische verschillen bestaan tussen verschillende landschappen; 2) een groot veldexperiment uitvoeren om de hypothese te testen dat deze connectiviteit de verspreiding van vlooien (en mogelijk dus van builenpest) verklaart doorheen een gestructureerde gastheerpopulatie; en 3) zoeken naar complexe maar coherente ruimtelijke patronen in de verspreiding van geïnfecteerde groepen, gebruik makend van punt-patroon analyse.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de effecten van toxiciteit op developmental homeostase en zijn evolutionaire gevolgen. 01/10/2011 - 30/09/2013

Abstract

Ontwikkelingshomeostase is een sleutelfaktor in het evolutionaire proces. Hierdoor kan immers fenotypische consistentie worden verzekerd, ondanks omgevings- en genetische variatie, en kan genetische variatie vrijwaard worden van selektie. Ondanks een grote interesse in kanalisatie en ontwikkelingsstabiliteit, de twee voornaamste componenten van ontwikkelingsbuffering, is het mechanisme hierachter nog niet goed begrepen. Dit project stelt zich tot doel om het verband tussen de kanalisatie and ontwikkelingsstabiliteit te onderzoeken en inzicht te krijgen in hun werking, door hun variatiepatronen te bestuderen in verschillende modelsoorten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kwantificatie van de transmissiedynamieken van twee door knaagdieren overdraagbare virale infecties in een veranderlijke omgeving. 01/10/2011 - 30/09/2013

Abstract

Voor een beter begrip van de transmissie van infecties kan een integratieve aanpak zeer nuttig zijn. Met als uiteindelijk doel het maken van stochastische, individu-gebaseerde wiskundige modellen van de overdracht van een knaagdier-overdraagbaar virus (Mopeia virus in de Afrikaanse veeltepelmuis Mastomys natalensis), gebruiken wij zowel laboratorium- als veldexperimenten om de data te verzamelen waarop de modellen gebaseerd zullen worden. Deze modellen laten dan toe om fundamentele epidemiologische theorieën te testen die tot nu toe moeilijk waren om te bewijzen maar die nu, door de unieke veldopstelling die gebruikt zal worden, toch getest kunnen worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutionaire biologie van arenavirus-knaagdier interacties. 01/10/2011 - 30/09/2013

Abstract

De evolutionaire interacties van gastheer-pathogeen systemen zijn fundamenteel biologisch gezien zeer interessant, maar dragen ook bij tot een beter begrip van de ecologie en epidemiologie van infecties. Het Mopeia virus (MOPV) is nauw verwant aan het voor de mens gevaarlijke Lassa virus (LASV) en heeft dezelfde knaagdier gastheer, Mastomys natalensis. MOPV is echter niet pathogeen voor de mens wat de studie van de ecologie en evolutie van deze arenavirussen in natuurlijke gastheerpopulaties vergemakkelijkt. Het doel van dit doctoraatsvoorstel is om de genetische basis van de MOPV-Mastomys natalensis interactie te achterhalen, om uiteindelijk de MOPV dynamica in termen van evolutie en populatie-ecologie in zijn gastheerpopulatie na te gaan.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Puumala hantavirus variatie in heterogene omgevingen in West-Europa: de rol van ecologische factoren en de epidemiologische gevolgen. 01/10/2011 - 30/09/2012

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Internationaal congres: "11th African Mammal Symposium (ASMS)" 26/05/2011 - 31/12/2011

Abstract

Dit project kadert in een dienstverleningsopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR. UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De terugkeer van de Europese bever (Castor fiber) in België als een invasieve soort; ecologie en risico inschatting. 01/01/2011 - 31/12/2014

Abstract

De Europese bever (Castor fiber) is na een afwezigheid van meer dan een eeuw illegaal geherintroduceerd in België. Ik zal nagaan welke de habitatvereisten zijn, en welke nog niet ingenomen gebieden geschikt zijn voor de bever. Vervolgens wordt geanalyseerd hoe gemakkelijk deze gebieden bereikt kunnen worden. Ook wordt er onderzocht welke riviereigenschappen bepalen of er dammen gebouwd zullen worden. Tenslotte wordt bekeken op welke plaatsen in Vlaanderen deze dammen de grootste economische schade kunnen veroorzaken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Biologie en controle van vector-overdraagbare infecties in Europa (EDENext) 01/01/2011 - 31/12/2014

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds EU. UA levert aan EU de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van intraseksueel kleurpolymorfisme bij vrouwelijke waterjuffers met verschillende vormfrequenties. 01/01/2011 - 31/12/2012

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds IWT. UA levert aan IWT de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van genetische diversiteit bij het verklaren van het invasiesucces van niet-inheemse soorten. 01/01/2011 - 31/12/2012

Abstract

De kans dat een niet-inheemse soort zich kan vestigen en invasief worden in zijn nieuw verspreidingsgebied hangt af van de interactie tussen soortspecifieke kenmerken en eigenschappen van het geinvadeerde ecosysteem. Ondanks dit inzicht blijft het moeilijk om te voorspellen welke soorten invasief kunnen worden in een bepaald gebied, of om te verklaren waarom sommige introducties succesvol zijn waar andere falen. Dit komt, minstens ten dele, omdat de rol van genetische diversiteit en variatie tijdens het invasieproces tot nu toe sterk onderbelicht gebleven is. Deze pilootstudie zal gebruik maken van de invasie van Europa door de Afro-Aziatische halsbandparkiet (Psittacula krameri) om na te gaan in welke mate dat de genetische variatie binnen een populatie samenhangt met de populatiegroei en geografische uitbreiding van die populatie. Ook zal er onderzocht worden of de genetische variatie tussen de Europese parkietpopulaties gerelateerd is aan klimaatsfactoren. Dit project zal nieuwe kennis opleveren over de rol van (intraspecifieke) genetische variatie tijdens het invasieproces. Deze inzichten kunnen dan toelaten om populaties te identificeren die het meeste kans maken om zich snel aan de heersende en toekomstige (klimaat)omstandigheden aan te passen, of om in te schatten hoe het invasief karakter van populaties kan veranderen met klimaatsverandering.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Geïntegreerde monitoring van het Congo-bekken voor koolstofmitigatie en biodiversiteit in bosbestanden (COBIMFO). 15/12/2010 - 31/12/2016

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds Belspo. UA levert aan Belspo de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studie naar de genetische en ontwikkelingsbasis van ontwikkelingsbuffering. 01/10/2010 - 30/09/2014

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van Oude Wereld arenavirussen en hun knaagdiergastheren in Afrika. 01/10/2010 - 30/09/2014

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van niche conservatisme, genetische variatie en facilitatieve interacties in het verklaren van het invasiesucces van niet-inheemse soorten. 01/10/2010 - 30/09/2013

Abstract

De kans dat door de mens geïntroduceerde, niet-inheemse soorten zich in een bepaald gebied kunnen vestigen valt moeilijk in te schatten. Vaak wordt er van uit gegaan dat de (potentiële) verspreiding van een soort kan ingeschat worden aan de hand van zijn niche in het oorspronkelijk verspreidingsgebied. In dit project wordt er gebruik gemaakt van de invasie van Europa door verschillende exotische vogelsoorten om deze veronderstelling na te gaan. Een verandering in niche (een 'niche shift') tijdens het invasieproces zou immers kunnen verklaren waarom soorten in hun nieuw verspreidingsgebied soms andere habitats innemen dan diegene waarin ze in hun oorspronkelijk areaal voorkomen. Ook zal er, aan de hand van de invasie van de halsbandparkiet (Psittacula krameri) in meerdere Europese landen, nagegaan worden op welke manier dat intraspecifieke variatie in de niche van een soort voorspellingen over vestigingskansen kan beïnvloeden. Geografische variatie in de niche van een soort kan leiden tot geografische verschillen in de soort-habitat relaties, wat tot zowel een over- als een onderschatting van de invasiekans kan leiden. In verschillende Europese steden komen meerdere uitheemse parkietsoorten voor, wat toelaat om te onderzoeken of interspecifieke interacties tussen deze soorten een (positieve of negatieve) invloed hebben op de vestigingskans van deze soorten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Academische steun voor de ontwikkeling van toegepast onderzoek op kleine zoogdierenplagen in DR Congo. 15/05/2010 - 14/05/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR. UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiestructuur, transmissie en gastheerspecificiteit in een nestgebonden ectoparasiet, de teek Ixodes arboricola.(FWO Vis.Fel., Joël WHITE, Frankrijk) 01/05/2010 - 30/04/2011

Abstract

Dit project betreft fundamenteel kennisgrensverleggend onderzoek gefinancierd door het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek-Vlaanderen. Het project werd betoelaagd na selectie door het bevoegde FWO-expertpanel.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiestructuur, transmissie en gastheerspecificiteit in een nestgebonden ectoparasiet, de teek Ixodes arboricola. 01/01/2010 - 31/12/2013

Abstract

De doelstelling van dit project is om gastheerspecialisatie en genetische populatiestructuur te onderzoeken bij een ecologisch sterk gespecialiseerde teek nl. I. arboricola. Dit project zal belangrijke nieuwe inzichten leveren in de evolutie van gastheerspecialisatie bij teken en bij parasieten in het algemeen, en de mechanismen die hierbij een rol spelen. Daarnaast zal het project meer inzicht geven in gastheerkeuze, transmissie en dispersie in een groep van ectoparasieten met hoge maatschappelijke relevantie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Genetische karakterisatie van de interactie tussen arenavirussen en hun gastheer 01/01/2010 - 31/12/2011

Abstract

Om genetische factoren betrokken bij de evolutie van arenavirus-knaagdier interacties te bepalen, zal ik genetische merkers betrokken bij de cellulaire gastheer-parasietinteractie van drie Muridae-arenavirus systemen karakteriseren: Morogoro virus in Mastomys natalensis en twee nieuwe arenavirussen die ik in 2008 ontdekte in Mus minutoides en Lemniscomys rosalia. Ik zal vervolgens het polymorfisme van deze merkers in de natuur onderzoeken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evaluatie van de toepasbaarheid van ontwikkelingsinstabiliteit als risico merker in farmatoxicologische studies 01/01/2010 - 31/12/2011

Abstract

Ontwikkelingsinstabiliteit (OI), de gevoeligheid van een ontwikkelend systeem tegen random verstoring, wordt verondersteld een maat te zijn voor de kwaliteit en 'gezondheid' van individuen en/of populaties. In deze pilootstudie wordt nagegaan of OI toegepast kan worden als betrouwbare en gevoelige merker voor mogelijke teratogene effecten bij proefdieren in farmatoxicologisch onderzoek.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de genetische basis van ontwikkelingsinstabiliteit bij overleden humane foetussen. 01/10/2009 - 30/09/2013

Abstract

Ontwikkelingsinstabiliteit (OI), de gevoeligheid van een ontwikkelend systeem tegen random verstoring, wordt verondersteld een maat te zijn voor de kwaliteit en 'gezondheid' van individuen en/of populaties. De literatuur is echter erg heterogeen, en het gebrek aan inzichten in de mechanismen die de mate van OI bepalen maken het onmogelijk deze heterogeniteit te begrijpen. In dit project trachten we de mechanismen van OI dieper te doorgronden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Selectie op dispersie-gerelateerde kenmerken in hoogdynamische milieus: de rugstreeppad (Bufo calamita) als modelsoort. 01/10/2009 - 30/09/2011

Abstract

Deze studie test de hypothese dat dispersie-gerelateerde kenmerken onderhevig zijn aan verschillende selectiedrukken in functie van de isolatie en levensduur van populaties. De rugstreeppad wordt hiervoor als modelsoort gebruikt. Padden worden verzameld in enerzijds kleine geïsoleerde populaties, en anderzijds in grotere netwerkpopulaties, en opgekweekt in een "common environment". Op deze dieren worden een aantal kenmerken onderzocht die mogelijk gekoppeld zijn aan dispersie (verbreiding) zoals ontwikkeling, morfologie, locomotie, exploratiegedrag en habitatvoorkeur. We onderzoeken in hoeverre deze kenmerken verschillen tussen populaties, of deze kenmerken onderling gekoppeld zijn, en in hoeverre de populaties verschillen in neutrale (moleculaire) kenmerken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutionaire biologie van arenavirus-knaagdier interacties. 01/10/2009 - 30/09/2011

Abstract

De evolutionaire interacties van gastheer-pathogeen systemen zijn fundamenteel biologisch gezien zeer interessant, maar dragen ook bij tot een beter begrip van de ecologie en epidemiologie van infecties. Het Mopeia virus (MOPV) is nauw verwant aan het voor de mens gevaarlijke Lassa virus (LASV) en heeft dezelfde knaagdier gastheer, Mastomys natalensis. MOPV is echter niet pathogeen voor de mens wat de studie van de ecologie en evolutie van deze arenavirussen in natuurlijke gastheerpopulaties vergemakkelijkt. Het doel van dit doctoraatsvoorstel is om de genetische basis van de MOPV-Mastomys natalensis interactie te achterhalen, om uiteindelijk de MOPV dynamica in termen van evolutie en populatie-ecologie in zijn gastheerpopulatie na te gaan.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dispersie, ouderzorg en persoonlijkheidskenmerken bij de koolmees. 01/10/2009 - 30/09/2011

Abstract

De algemene doelstelling van dit project is om te onderzoeken hoe individuele gedragsvariatie, bij nakomelingen zowel als ouders, kan leiden tot variatie in dispersie in natuuurlijke populaties. We gebruiken de koolmees als modelsoort waarbij we dispersiedata betrekken uit een lopende populatiestudie in een gebied met verschillende kleine bosfragmenten. Voor het persoonlijkheidsonderzoek baseren we ons op voorgaand onderzoek waarbij een standaard exploratiescore informatie blijkt te geven over aangeboren gedragsvariatie. We gaan na in hoeverre verschillende aspecten van ruimtelijk gedrag (dispersie, home-ranges, familieverplaatsingen tijdens de ouderzorg) gecorreleerd zijn met elkaar en met persoonlijkheidsvariatie. We onderzoeken ook de respons in ruimtelijk gedrag op experimentele veranderingen in voedselaanbod. Deze gedragsvariatie wordt ook gekoppeld aan beschikbare informatie over fitness (overleving en voortplanting).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het onderscheiden van geschiedenis en natuurlijke selectie in de co-evolutie van hantavirussen en hun knaagdiergastheren in Europa. 01/10/2009 - 30/09/2010

Abstract

Deze studie heeft als doel het achterhalen van de mechanismen verantwoordelijk voor de huidige complexe diversiteit en verspreiding bij Europese hantavirussen. Hierbij staat het ontrafelen van historische (bvb. lokale extinctie, dispersiepatronen) en evolutieve (bvb. lokale adaptatie, co-evolutie) processen centraal. Dit zal gebeuren a.d.h.v. het opstellen, analyseren en vergelijken van fylogenieën en fylogeografieën van zowel hantavirussen als hun gastheren, op basis van neutrale merkers (voor historische processen) en functionele genen (voor selectie-processen).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kost-efficiënte modellering van populatie-data voor spatiale epidemiologische studies bij extensieve veesystemen. 01/09/2009 - 31/08/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds IWT. UA levert aan IWT de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Keuze & patronen van adaptieve variatie bij de Europese zwarte gier (Aegypius monachus). 01/09/2009 - 31/08/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds de KMDA. UA levert aan de KMDA de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Inzet visiting postdoc. fellow voor het FWO-project: "Onderzoek naar de rol van selectie geschiedenis op de link tussen ontwikkelingsinstabiliteit en stress en fitness: eilanden als modelsystemen". (Chavali VISHALAKSHI, India) 01/06/2009 - 31/05/2010

Abstract

Met dit project beogen we een bijdrage te leveren tot het ontrafelen van het belang van (recente) selectiedrukken en evolutionaire respons op de mate van OI en de gevoeligheid hiervan als maat voor stress en fitness. Hiervoor bestuderen we enerzijds kenmerken die onder seksuele selectie staan of waarvan de evolutionaire veranderingen relatief oud zijn én kenmerken waarvan de evolutionaire veranderingen veel recenter zijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Habitat gebruik, de populatiedynamiek van knaagdieren en mogelijkheden voor de transmissie van zoönosen in agro-ecosystemen en menselijke nederzettingen in de regio van de Tiger, Noord-Ethiopië. 01/04/2009 - 31/03/2011

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR . UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de rol van selectie geschiedenis op de link tussen ontwikkelingsinstabiliteit en stress en fitness: eilanden als modelsystemen. 01/01/2009 - 31/12/2012

Abstract

Met dit project beogen we een bijdrage te leveren tot het ontrafelen van het belang van (recente) selectiedrukken en evolutionaire respons op de mate van OI en de gevoeligheid hiervan als maat voor stress en fitness. Hiervoor bestuderen we enerzijds kenmerken die onder seksuele selectie staan of waarvan de evolutionaire veranderingen relatief oud zijn én kenmerken waarvan de evolutionaire veranderingen veel recenter zijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Modellen van infectieziekten: ecologie van natuurlijke gastheren, ecologische verstoringen en overdracht naar de mens. 01/01/2009 - 31/12/2012

Abstract

Wijzigingen in milieuomstandigheden (vb. klimaat) kunnen een invloed uitoefenen op de ecologie van infecties, via veranderende aantallen van natuurlijke gastheren of door veranderingen in de transmissiesnelheden van een infectie (rechtstreeks of via vectoren). Dit project onderzoekt dergelijke effecten, d.m.v. waarnemingen, experimenten en mathematische modellen, voor vijf geselecteerde modelsystemen (hantavirus bij woelmuizen, pest in woestijnratten, areanavirus in Afrikaanse muizen, dengue bij mensen en rotavirussen in gevaccineerde mensenpopulaties). De verworven inzichten worden gebruikt om veranderingen in de "ziektelast" te evalueren, met en zonder bestrijding.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiedynamica- en simulatie van oorwormen in boomgaarden: densiteitsafhankelijke factoren in een populatie van generalist predatoren. 01/01/2009 - 31/12/2010

Abstract

Oorwormen, Forficula auricularia (L.) (Dermaptera, Forficulidae), zijn belangrijke predatoren in boomgaarden. Uit experimentele studies blijkt dat ze belangrijke plagen onder controle kunnen houden in zowel appel- als perenteelten. Hierbij denken we vooral aan diverse luizen en perenbladvlo. Oorwormen zouden dus een belangrijke rol kunnen spelen in de geïntegreerde fruitteelt en vormen een essentiële schakel in de biologische fruitteelt. Het probleem vormt zich echter doordat de oorwormpopulatie een grote jaarlijkse variatie vertoont in densiteiten. Hierdoor kunnen ze geen betrouwbare bijdrage leveren voor de landbouwer en blijft het praktisch nut beperkt. Om deze problematiek aan te pakken zal er een populatiemodel worden gebouwd. Hiermee kan de populatie met behulp van gevoeligheidsanalyses geanalyseerd worden, zodat kritische periodes in de levenscyclus alsook sleutelfactoren geïdentificeerd kunnen worden. Dit moet leiden tot een optimaal boomgaardbeheer, waarbij men rekening houdt met de invloed van abiotisch en biotische factoren enerzijds en de impact van menselijke ingrepen anderzijds op de oorwormenpopulatie. Er is echter te weinig relevante biologische informatie beschikbaar om een dergelijk model te maken. Met behulp van de reeds goedgekende en bestudeerde fenologie van de oorworm kan er bepaald worden welke parameters relevant zijn voor deze studie. Deze parameters vereisen een uitgebreide kennis van ontwikkelingstijden, overlevingskansen, fecunditeit en reproductiecijfers, dat kan bereikt worden door een combinatie van veld -en labo-experimenten. In dit project zal de aandacht vooral uitgaan naar densiteitafhankelijke factoren zoals parasitisme (door sluipvliegen), predatie, intra- en interspecifieke competitie. Deze factoren zijn slechts zeer summier gekend en vormen bijgevolg een groot hiaat in de noodzakelijke kennis om de populatie te modelleren en te simuleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Opmaak en uitwerking van een ecologisch landschapsmodel als modelmatig beheersinstrument voor de ecologische infrastructuur in de Antwerpse haven. 15/12/2008 - 15/07/2011

Abstract

In dit project wordt een landschapsecologisch model uitgewerkt dat kwantitatieve uitspraken toelaat over het effect van geplande of gerealiseerde ingrepen in het Havengebied op de verbindingsmogelijkheden tussen natuurlijke dierenpopulaties. Het model is gebaseerd op de analyse van minimale-kostpaden in functie van landschappelijke weerstand. Het model wordt afgestemd op een aantal doelsoorten waaronder rugstreeppad, vleermuizen en enkele nog te bepalen soorten. Het project zal een bruikbaar instrument leveren om het functioneren van de Ecologische Infrastructuur in de haven te kunnen monitoren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatie-ecologie en menselijke interacties bij in het wild levende dieren in en rond Saadani National Park. 01/10/2008 - 30/09/2013

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR. UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de mechanismen van ontwikkelingsinstabiliteit bij overleden menselijke foetussen en jonge kinderen. 01/10/2008 - 30/06/2013

Abstract

Ontwikkelingsinstabiliteit (OI), de gevoeligheid van een ontwikkelend systeem tegen random verstoring, wordt verondersteld een maat te zijn voor de kwaliteit en 'gezondheid' van individuen en/of populaties. De literatuur is echter erg heterogeen, en het gebrek aan inzichten in de mechanismen die de mate van OI bepalen maken het onmogelijk deze heterogeniteit te begrijpen. In dit project trachten we de mechanismen van OI dieper te doorgronden

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dispersie, connectiviteit en leefbaarheid van vogelpopulaties in een versnipperd afrotropisch regenwoud. 01/10/2008 - 30/09/2012

Abstract

Dit project beoogt het modelleren van de leefbaarheid van bedreigde vogelpopulaties in een sterk versnipperde biodiversiteitshotspot in Kenya op basis van demografische data, gedragsobservaties en analyses van landschapsconnectiviteit. De resultaten worden geïntegreerd in een multidisciplinair onderzoek naar prioriteiten voor herbebossingsprojecten in het studiegebied.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Studies ter inventarisatie van het reservoir van "Mycobacterium ulcerans" in de natuur en de wijze(n) van overdracht op de mens. 01/09/2008 - 31/03/2014

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht tussen enerzijds UA en anderzijds VLIR. UA levert aan VLIR de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd in voorliggend contract.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Levensvatbaarheid van populaties in versnipperd regenwoud: integratie van individu-gebaseerde modellen met landschapsdynamiek en connectiviteit. 01/01/2008 - 31/12/2011

Abstract

In dit project worden factoren bestudeerd die de lange-termijn overleving van vier Afrotropische vogelsoorten beïnvloeden die gevoelig zijn aan habitatverstoring en isolatie, en dit op verschillende schaalniveaus. Hiertoe verzamelen we nieuwe data over habitatvereisten en demografie van vogels en biotische en abiotische groeicondities van bomen, en combineren deze met reeds beschikbare gegevens en een gedetailleerde landgebruikskaart.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Immuno-ecologie van virale infecties in de veeltepelmuis Mastomys natalensis: karakterisering van class I en class II MHC genen. 01/01/2008 - 31/12/2009

Abstract

Het doel van mijn onderzoek is na te gaan welke intrinsieke, extrinsieke en genetische factoren van belang zijn bij de interacties tussen het Mopeia virus en de veeltepelmuis Mastomys natalensis in vrijlevende populaties. In een eerste stap zullen we MHC genen isoleren en beschrijven, ortholoog aan genen die geassocieerd zijn met de immuunrespons tegen RNA-virussen bij andere knaagdieren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van intraseksueel kleurpolymorfisme in vrouwelijke waterjuffers. 01/01/2008 - 31/12/2008

Abstract

Het samen voorkomen van meerdere vormen binnen een soort vormt een uitdaging vanuit een evolutionair denkkader. Huidige verklaringen voor het verklaren van vrouwgelimiteerde polymorfismen schieten tekort voor de recent waargenomen, veel ruimer dan eerder geapprecieerde, variatie in vrouwelijke vormfrequenties. Studie van de relatie tussen densiteiten en frequenties enerzijds, en vormspecifieke fitness, gedrag en morfologie anderzijds moet toelaten om te komen tot een meer algemene geldende verklaring.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Wetenschappelijke opdracht voor het verder onderzoek op het domein van de dierenecologie. 01/01/2008 - 31/07/2008

Abstract

De algemene doelstelling van deze wetenschappelijke opdracht is een aantal onderzoeksvragen te beantwoorden via een state-of-the-art statistische analyse van de meer complexe data zoals overlevingspatronen, populatiestructuur en erfelijke variatie. Met name meer open vraagstellingen op langere termijn, zoals veranderingen in life-history kenmerken door klimaatsverandering en de rol van genetische variatie hierbij zullen onderzocht worden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutionaire ecologie van arenavirus-knaagdier interacties: Mopeia virus en zijn natuurlijke gastheer, Mastomys natalensis. 01/10/2007 - 30/09/2010

Abstract

De doelstellingen van dit project zijn volgende aspecten te onderzoeken: i) ruimtelijke en temporele patronen van MV aanwezigheid in relatie tot de poulatiedynamiek van M. natalensis en omgevingsfactoren in Tanzania en ii) de rol van MV in de evolutie van de gastheerpopulaties. Meer in het bijzonder, zal ik de volgende vragen aanpakken: 1- Is er een ruimtelijk-temporeel patron in het voorkomen van MV bij M. natalensis populaties naargelang hun populatiedynamiek? 2- Welke demografische eigenschappen beïnvloeden de kans dat een individuele muis besmet is of raakt? 3- Welke biotoopkenmerken zijn gecorreleerd aan het voorkomen van MV? 4- Wat is de evolutionaire impact van MV op de gastheerpopulaties, m.n. op het MHC-polymorfisme?

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Selectie op dispersie-gerelateerde kenmerken in hoogdynamische milieus: de rugstreeppad (Bufo calamita) als modelsoort. 01/10/2007 - 30/09/2009

Abstract

Deze studie test de hypothese dat dispersie-gerelateerde kenmerken onderhevig zijn aan verschillende selectiedrukken in functie van de isolatie en levensduur van populaties. De rugstreeppad wordt hiervoor als modelsoort gebruikt. Padden worden verzameld in enerzijds kleine geïsoleerde populaties, en anderzijds in grotere netwerkpopulaties, en opgekweekt in een "common environment". Op deze dieren worden een aantal kenmerken onderzocht die mogelijk gekoppeld zijn aan dispersie (verbreiding) zoals ontwikkeling, morfologie, locomotie, exploratiegedrag en habitatvoorkeur. We onderzoeken in hoeverre deze kenmerken verschillen tussen populaties, of deze kenmerken onderling gekoppeld zijn, en in hoeverre de populaties verschillen in neutrale (moleculaire) kenmerken.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dispersie, ouderzorg en persoonlijkheidskenmerken bij de koolmees. 01/10/2007 - 30/09/2009

Abstract

De algemene doelstelling van dit project is om te onderzoeken hoe individuele gedragsvariatie, bij nakomelingen zowel als ouders, kan leiden tot variatie in dispersie in natuuurlijke populaties. We gebruiken de koolmees als modelsoort waarbij we dispersiedata betrekken uit een lopende populatiestudie in een gebied met verschillende kleine bosfragmenten. Voor het persoonlijkheidsonderzoek baseren we ons op voorgaand onderzoek waarbij een standaard exploratiescore informatie blijkt te geven over aangeboren gedragsvariatie. We gaan na in hoeverre verschillende aspecten van ruimtelijk gedrag (dispersie, home-ranges, familieverplaatsingen tijdens de ouderzorg) gecorreleerd zijn met elkaar en met persoonlijkheidsvariatie. We onderzoeken ook de respons in ruimtelijk gedrag op experimentele veranderingen in voedselaanbod. Deze gedragsvariatie wordt ook gekoppeld aan beschikbare informatie over fitness (overleving en voortplanting).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Variatie in vrouwelijke vormfrequenties bij een polymorfe waterjuffer: oorzaak en gevolg. 01/07/2007 - 31/12/2011

Abstract

Het samen voorkomen van meerdere vormen binnen een soort vormt een uitdaging vanuit een evolutionair denkkader. Huidige verklaringen voor het verklaren van vrouwgelimiteerde polymorfismen schieten tekort voor de recent waargenomen, veel ruimer dan eerder geapprecieerde, variatie in vrouwelijke vormfrequenties. Studie van de relatie tussen densiteiten en frequenties enerzijds, en vormspecifieke fitness, gedrag en morfologie anderzijds moet toelaten om te komen tot een meer algemene geldende verklaring.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Onderzoek naar de genetische en moleculaire architectuur van ontwikkelingsinstabiliteit bij de zebravis (Brachydanio rerio). 01/01/2007 - 31/12/2010

Abstract

De genetische basis van ontwikkelingsinstabiliteit en de overerfbaarheid ervan is slechts beperkt gekend. In dit project zal de overerfbaarheid en genetische basis ervan bestudeerd worden aan de hand van klassieke quantitatieve genetische experimenten, QTL mapping en micro-array technieken. Aangezien de mate van ontwikkelingsinstabiliteit vaak stijgt onder stress zal de genetische en moleculaire architectuur onder verschillende stress factoren onderzocht worden

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Volgen organismen de weg van de minste weerstand? Een test van minimale-kost connectiviteitsmodellen aan de hand van empirische data en individu-gebaseerde simulatiemodellen. 01/01/2007 - 31/12/2008

Abstract

Minimale-kost modellen worden in toenemende mate gebruikt als eenvoudig GIS instrument om connectiviteit tussen habitatplekken te kwantificeren. Ondanks de eenvoudige toepasbaarheid van deze methode zijn er weinig gegevens beschikbaar om te valideren of de gemodelleerde dispersiepaden overeen stemmen met de realiteit. We gebruiken een combinatie van empirische data en gedragsmodellen om dit te toetsen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiedynamica- en simulatie van oorwormen in boomgaarden: densiteitsafhankelijke factoren in een populatie van generalist predatoren. 01/01/2007 - 31/12/2008

Abstract

Oorwormen, Forficula auricularia (L.) (Dermaptera, Forficulidae), zijn belangrijke predatoren in boomgaarden. Uit experimentele studies blijkt dat ze belangrijke plagen onder controle kunnen houden in zowel appel- als perenteelten. Hierbij denken we vooral aan diverse luizen en perenbladvlo. Oorwormen zouden dus een belangrijke rol kunnen spelen in de geïntegreerde fruitteelt en vormen een essentiële schakel in de biologische fruitteelt. Het probleem vormt zich echter doordat de oorwormpopulatie een grote jaarlijkse variatie vertoont in densiteiten. Hierdoor kunnen ze geen betrouwbare bijdrage leveren voor de landbouwer en blijft het praktisch nut beperkt. Om deze problematiek aan te pakken zal er een populatiemodel worden gebouwd. Hiermee kan de populatie met behulp van gevoeligheidsanalyses geanalyseerd worden, zodat kritische periodes in de levenscyclus alsook sleutelfactoren geïdentificeerd kunnen worden. Dit moet leiden tot een optimaal boomgaardbeheer, waarbij men rekening houdt met de invloed van abiotisch en biotische factoren enerzijds en de impact van menselijke ingrepen anderzijds op de oorwormenpopulatie. Er is echter te weinig relevante biologische informatie beschikbaar om een dergelijk model te maken. Met behulp van de reeds goedgekende en bestudeerde fenologie van de oorworm kan er bepaald worden welke parameters relevant zijn voor deze studie. Deze parameters vereisen een uitgebreide kennis van ontwikkelingstijden, overlevingskansen, fecunditeit en reproductiecijfers, dat kan bereikt worden door een combinatie van veld -en labo-experimenten. In dit project zal de aandacht vooral uitgaan naar densiteitafhankelijke factoren zoals parasitisme (door sluipvliegen), predatie, intra- en interspecifieke competitie. Deze factoren zijn slechts zeer summier gekend en vormen bijgevolg een groot hiaat in de noodzakelijke kennis om de populatie te modelleren en te simuleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Geografische variatie in vrouwelijke vormfrequenties bij een polymorfe waterjuffer: oorzaak en gevolg. 01/01/2007 - 31/12/2008

Abstract

Huidige verklaringen voor de evolutie van vrouwgelimiteerde polymorfismen schieten tekort voor de recent waargenomen, veel ruimer dan eerder geapprecieerde, geografische variatie in vrouwelijke vormfrequenties. Een verkennende genetische studie laat toe om enkele plausibele redenen voor de waargenomen variatie in vormfrequenties te evalueren. Om tot meer omvattende verklaringen te komen beoog ik de studie van de gevolgen van deze variatie in vormfrequenties op het gedrag en de morfologie van vrouwelijke vormen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Geografisch modelleren van de verspreiding van builenpest in Afrika: een ecologische studie op verschillende schaalniveaus. 01/01/2007 - 31/12/2008

Abstract

Builenpest, een zoönotische ziekte die natuurlijk voorkomt in kleine zoogdieren als gastheer en wordt overgedragen door vlooien (als vectoren), vormt nog steeds een bedreiging voor de mens in verscheidene gebieden wereldwijd. Hoewel de ziekte veroorzaakt wordt door slechts één bacterie, m.n. Yersinia pestis, is de levenscyclus en de ecologie ervan zeer complex en, tot op heden, nog niet volledig begrepen. Deze studie beoogt een significante bijdrage te leveren aan het begrijpen van de mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de aanwezigheid van builenpest in bepaalde gebieden. Verder tracht deze studie onderliggende ecologische factoren te bepalen die het ruimtelijk voorkomen van builenpest beïnvloeden en potentiële risicogebieden voor pest in Afrika af te bakenen. Er is echter weinig houvast voor het formuleren van duidelijke hypotheses en het vastleggen van een eenduidige schaal waarop gewerkt moet worden. Daarom wordt geopteerd om op drie verschillende schaalniveaus te opereren. In de eerste plaats zal het raadsel "pest" benaderd worden op het niveau van het continent Afrika, dat de laatste tientallen jaren getroffen wordt door de overgrote meerderheid (meer dan 90%) van alle ziektegevallen. Het probleem zal benaderd worden aan de hand van een eerder recente techniek in de studie naar de ecologie en systematiek van overdraagbare ziekten, m.n. Ecological Niche Modeling (ENM). Zo zal getracht worden een brede kijk te krijgen op de ruimtelijke en ecologische verspreiding van menselijke ziektegevallen. Ecologische niches en potentiële verspreidingsgebieden zullen gemodelleerd worden gebruik makend van het Genetic Algoritm for Rule-set Prediction (GARP). Hiervoor zijn twee soorten data nodig; enerzijds gegevens die geheel Afrika bedekken en die informatie bevatten over verschillende omgevingsvariabelen (bijvoorbeeld hoogte, landbedekking/-gebruik, meteorologische data) en anderzijds, gegevens die informatie bevatten over de aanwezigheid van pest in bepaalde gebieden in Afrika (meer bepaald plaats, tijdstip en aantal menselijke pestgevallen per gebied). In eerste instantie zal deze informatie bijeengezocht en verzameld worden in een GIS databank, om er vervolgens ENM op toe te passen. Vervolgens zal het onderzoek verder worden toegespitst op twee endemische pestgebieden, m.n. Lushoto district (Tanzania) en Ituri district (Democratische Republiek Congo). Er zal gewerkt worden op dezelfde wijze als op continentaal niveau, behalve dat de schaal en de inputdata verschillend zullen zijn. Uiteindelijk zal opnieuw verder ingezoomd worden, meer bepaald op enkele pestvrije en met pest besmette dorpen in Lushoto. Abiotische (o.a. bodem- en klimaateigenschappen) en biotische (species van kleine zoogdieren en hun vlooien) eigenschappen van de dorpen zullen worden verzameld en vergeleken, teneinde dieperliggende omgevingsvariabelen die (mede-)bepalend zijn voor het ruimtelijk voorkomen van pest te achterhalen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele selectie in hermafrodiete landslakken (Gastropoda, Pulmonata, Succineidae). 01/10/2006 - 30/09/2009

Abstract

Dit project maakt gebruik van de landslak Succinea putris om een aantal recente hypothesen te testen rond seksuele selectie en 'sperm-trading' bij hermafrodiete dieren: 1) individuen schatten de kwaliteit van hun partner in zelfs tijdens de kopulatie, 2) individuen veranderen de fysiologie van hun partner om hun fertilizatiekansen te verhogen, 3) individuen alloceren meer naar mannelijke organen bij hogere populatiedensiteiten en 4) reciproke sperma-overdracht leidt niet noodzakelijk tot reciproke bevruchting.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele conflicten, parasieten en de evolutie van paarsystemen bij waterjuffers. 01/10/2006 - 31/07/2009

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het aanpassingsvermogen van kleine zoogdieren aan nieuw gevormde habitaten in gefragmenteerd tropisch regenwoud: ecologische en genetische achtergronden. 01/10/2006 - 30/09/2008

Abstract

Een eerste vereiste zal zijn om de kleine zoogdierfauna van de gewijzigde gebieden rond Kisangani grondig taxonomisch te beschrijven. De regenwoudfauna bevat een aantal cryptische of zelfs nog niet beschreven vormen. Een gedetailleerde taxonomische studie van de kleine zoogdieren in de antropogene gebieden en een vergelijking met de oorspronkelijke fauna moet dan ook toelaten om uit te maken welke exact de soorten zijn die zich met succes hebben kunnen handhaven onder de gewijzigde biotoopsomstandigheden. De tweede doelstelling is om de dynamiek, demografie en life-history eigenschappen te vergelijken van de populaties in de antropogene gebieden met de conspecifieke populaties in het regenwoud. Dit werk zal gebaseerd zijn op vangst-hervangststudies. De derde doelstelling is om van de beschreven soorten de genetische structuur na te gaan en opnieuw te vergelijkingen met die van dezelfde soorten in het regenwoud. Hierbij zal gekeken worden naar de genetische variatie op populatieniveau binnen het regenwoud en de secundaire graslanden, de structurering van de populatie, het voorkomen van eiland- of foundereffecten, de uitwisseling van genetisch materiaal met naburige populaties in oorspronkelijke en antropogene biotopen met daarbij de vraag in hoeverre de populaties in de savannes autonoom functioneren, dan wel telkens terug aangevuld worden uit omgevende regenwoudpopulaties.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van vrouwelijk kleurpolymorfisme bij waterjuffers (Odanata, Zygoptera). 01/10/2006 - 30/09/2008

Abstract

Polymorfismen komen in de natuur zeer algemeen voor. Bij vele soorten waterjuffers worden meerdere discrete vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties waargenomen. Het vrouwelijke fenotype dat qua lichaamskleur en soms ook qua gedrag op het conspecifieke mannetje lijkt wordt andromorf genoemd, terwijl het gynomorfe fenotype duidelijk verschillend van het mannetjes en andromorfen. Recent onderzoek geeft aan dat de expressie van een kleurvorm genetisch bepaald is en dat selectieprocessen een belangrijke rol spelen bij hun coëxistentie. Huidige adaptieve hypothesen veronderstellen dat een conflict tussen de seksen aan de basis ligt van dit vrouwgelimiteerd polymorfisme bij waterjuffers. Meer in detail worden vrouwtjes teveel lastiggevallen door paarlustige mannetjes en dit zou leiden tot differentiële fitness-kosten voor andro- en gynomorfen. Het hoofddoel van dit onderzoek is beter inzicht te verwerven in het voortbestaan en de evolutie van vrouwelijke kleurvormen bij waterjuffers. Er wordt voornamelijk aandacht besteed aan de volgende 4 aspecten: ¿Hoewel dit een cruciale assumptie vormt, ontbreekt het aan studies die testen of het conflict tussen de seksen effectief leidt tot vormspecifieke fitness-kosten. Deze vraag wordt op experimentele wijze onderzocht door kleurvormen, ondergebracht in vliegkooien, bloot te stellen aan een verschillend aantal copulaties en verschillende gradaties van mannelijk lastigvallen. Vervolgens wordt nagegaan wat de effecten hiervan zijn op levensduur en fecunditeit. Tevens wordt het mannelijk lastigvallen van vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties gekwantificeerd. Finaal wordt nagegaan of het vrouwelijk gedrag varieerd onder verschillende densiteiten en frequenties. ¿Spatiale en temporele variatie in de frequentie van de vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties zal gekwantificeerd worden. Dit gebeurd aan de hand van een gestandaardiseerde methodiek, door middel van observaties in afgebakende transecten of door een uniforme vangsttechniek met een insectennet. ¿Verschillen in lichaamskleur en/of gedrag spelen een belangrijke rol in de thermische ecologie van een soort. Algemeen warmen donkere individuen sneller op dan lichtere waardoor ze meer actief (bvb. ontwijken predatoren, rijpen van eieren) kunnen zijn bij minder geschikte weersomstandigheden wat uiteindelijk leidt tot een fitnessvoordeel. In dit kader zal ik de thermische karakteristieken van mannetjes en de vrouwelijke kleurvormen bestuderen onder experimentele condities en in hun natuurlijke populatie. ¿Hypothesen suggereren dat de vrouwelijke kleurvormen verschillen in kosten en baten bij verschillende omgevingsomstandingheden met als gevolg dat hun fitness variabel is. Ik zal het bestaan van variatie in fitness bestuderen onder wijzigende populatiecondities (gedurende een volledig vliegseizoen). Er wordt geopteerd voor het bepalen van verschillende conditiematen (korte en lange termijn) zodat de conditie tijdens verschillende fasen in het leven van een individu kunnen ingeschat worden. De lichaamslengte en de ontwikkelingstabiliteit (fluctuerende assymetrie) weerspiegelen de conditie van het individu tijdens het larvale stadium (lange termijn). De aanwezige energiereserves van het individu geven een maat voor de huidige voedingsstatus die gevoelig is aan variabele omgevingsomstandigheden (korte termijn).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Verdere ontwikkeling en optimalisering van het REST-systeem (Remote Explosive Scent Training). 01/10/2006 - 30/09/2007

Abstract

Onderzoek naar de toepassing van Remote Explosive Scent Detection (REST) met behulp van Afrikaanse hamsterratten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van ontwikkelings homeostasis op het evolutionair potentieel van een complex kenmerk: de schedel van de veeltepelmuis (Mastomys natalensis) als modelsysteem. 01/07/2006 - 31/12/2010

Abstract

Morfologische ontwikkeling wordt beïnvloed door deterministische (omgeving en genotype) en stochastische (ontwikkelingsstabiliteit en kanalisatie) processen. Deze laatste vormen een potentiële een maat voor stress en kunnen een belangrijke rol spelen in evolutionaire processen. Tijdens dit onderzoek zal nagegaan worden in welke mate ontwikkelingsstabiliteit en kanalisatie in de schedel dalen met voedselstress bij de veeltepelmuis (Mastomys natalensis), en in welke mate deze stochastische processen een genetische basis hebben.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dynamiek van knaagdieren en schade door regengewassen in Tigray, Noord-Ethiopië: ontwikkeling en evaluatie van beheersstrategieën voor knaagdieren. 01/04/2006 - 31/03/2008

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een ecologische verklaring voor de ruimtelijke concentraties van een zoönotische parasietinfectie, builenpest, in Lushoto, Tanzania. 01/01/2006 - 31/12/2009

Abstract

De studie is opgezet als een vergelijking tussen de omgeving van de vijf focale dorpen met de hoogste frequentie en incidentie van pest, en vijf dorpen in de onmiddellijke ongeving maar met weinig tot geen pestgevallen. De keuze van de "negatieve" dorpen gebeurt na een eerste stap van "ecological niche modelling" waarbij dan negatieve dorpen gekozen worden die zo goed mogelijk gelijken op de focale dorpen. Dit werk zal gebeuren over het hele gebied van het district (ruwweg 40+x40 km), in een georeferenced GIS-database. Daarna worden in de geselecteerde positieve en negatieve dorpen gegevens verzameld over fysische en chemische gegevens. Samen met de andere gegevens in de GIS-database, en de reeds bestaande gegevens over het gedrag van de inwoners in de streek, zal deze informatie dan dienen om de gebieden met en zonder builenpest te vergelijken m.b.t. faunasamenstelling, bodem en microklimaat eigenschappen en connectiviteit van landschapselementen die geschikt zijn voor knaagdieren en vlooien.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Moleculaire fylogenie van Mastomys natalensis: een evolutief kader voor het begrijpen van door knaagdieren overgedragen ziekten. 01/01/2006 - 31/12/2006

Abstract

Deze studie zal een evolutief kader uitbouwen voor gastheer-pathogeen interacties van door knaagdieren overgedragen ziekten. De fylogeografie van de Afrikaanse veeltepelmuis M.natalensis, gastheer voor veel verschillende pathogenen waaronder de arenavirussen, zal onderzocht worden aan de hand van genetische merkers. De resultaten zullen toelaten van de relaties tussen Mastomys populaties te reconstrueren en de co-evolutie tussen M.natalensis en arenavirussen na te gaan.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van knaagdieren en insectivoren in de epidemiologie van mycobacteriële infecties in Afrika. 01/10/2005 - 16/02/2010

Abstract

Om de rol van knaagdieren en insectivoren bij de epidemiologie van mycobacteriële infecties in Afrika te bepalen, wordt een groot aantal kleine zoogdieren gevangen op plaatsen in Tanzania waar mycobacteriële infecties werden waargenomen bij mens en vee. Verschillende organen worden getest dmv cultuurmethoden, PCR en zuurvaste kleuring. De geïsoleerde mycobacteriën worden vergeleken met voorheen geïsoleerde mycobacteriën bij mens en vee.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Paarconflicten in de hermafrodiete landslak Succinea putris (Gastropoda, Pulmonata). 01/10/2005 - 31/12/2007

Abstract

Het doel van dit project is om, gebaseerd op de bevindingen van Jordaens et al. na te gaan : 1) of een reciproke uitwisseling van sperma ook tot een reciproke bevruchting van de eieren leidt en of er spermacompetentie en meervoudig vaderschap optreedt in S. putris. 2) of spermadonoren in S. putris adaptaties ontwikkeld hebben waardoor hun fertilizatiekansen verhoogd zijn.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiedynamica van oorwormen in boomgaarden: optimalisatie van de aanwezigheid van een essentiële predator. 01/07/2005 - 30/06/2009

Abstract

Oorwormen zijn belangrijke algemene predatoren in boomgaarden. Uit experimentele studies blijkt dat ze belangrijke plagen onder controle kunnen houden in zowel appel- als perenteeIten. Hierbij denkt men vooral aan de diverse luizen en de perenbladvlo. De mogelijke schade die ze aanrichten, voornamelijk vruchtvervuiling door uitwerpselen, is minimaal vergeleken, met hun efficientie in p1aagcontrole. Oorwormen zouden dus een belangrijke rol kunnen spelen in de ge'integreerde fruitteeIt en vormen een essentiele schakel in de biologische fruitteelt. V ooral de biotel rs trachten oorwormen aan te trekken in de boomgaarden, bv. door het aanbieden van kunstmatige schuilplaatsen. Toch blijft het praktische nut van oorwormen eerder beperkt daar telers er meestal niet in slagen stabiele populaties op te bouwen. Het voorliggende projectvoorstel behelst het uitwerken van beheersstrategieen voor populaties van oorwormen in fruitboomgaarden. Oorwormen hebben een eenjarige levenscyclus waardoor elke nadelige ingreep de populatie voor de rest van het jaar schaadt, en mogelijke repercussies heeft voor de volgende jaren. De onderzoeksgroep voorziet eerst een kwantitatieve populatiebiologische studie van de oorwormen gedurende het hele seizoen met voor elk levensstadium relevante staalnametechnieken, om deze gegevens te correleren aan de diverse beheersmaatrege1en die in de boomgaarden uitgevoerd worden. Het beheer van boomgaarden omhelst echter een complexe hoeveelheid parameters waarbij men de relatieve impact nooit experimenteel kan testen (te talrijke en tijdrovende proeven). De gegevens zullen dan ook verwerkt worden in een mathematisch model waarin sne1 de meest essentiele parameters kunnen worden ge'identificeerd en geevalueerd. Dit biedt de mogelijkheid om valabele beheersstrategieen uit te werken die men dan in een realistisch aantal veldexperimenten kan uittesten. De resultaten van dit onderzoek zullen in de eerste plaats praktische oplossingen bieden om de plaagcontrole in biologische boomgaarden te verhogen, maar zullen eveneens toepasbaar zijn om de bijdrage van oorwormen in ge'integreerde teelten te verhogen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De impact van zware metaal vervuiling op graslanden. 12/05/2005 - 11/05/2007

Abstract

In vergelijking tot de meer populaire biotopen zoals bossen en heidegebieden wordt slechts weinig onderzoek gedaan naar de milieubescherming in graslanden. De laatste jaren wordt het voor steeds meer ecologen duidelijk dat er een sterke link bestaat tussen de bovengrondse en ondergrondse biotische delen van het graslandecosysteem. Onder de sterke druk en bestendigheid van zware metaalvervuiling kunnen sterke functionele verschuivingen plaatsgrijpen in graslandecosystemen door verstoring van de bovengrondse en/of ondergrondse compartimenten. Het doel van deze studie is na te gaan wat de invloed is van zware metaalvervuiling op de relatieve bijdragen van de "bottom-up" en "top-down" krachten die inwerken binnen en tussen de verschillende compartimenten van het graslandecosysteem. Door de sleutelcomponenten te identificeren en de stroom van voedingsstoffen te bepalen zullen we de impact van deze menselijke verstoring op het functioneren en de stabiliteit van dit ecosysteem analyseren. Het identificeren van gevoelige indicatoren moet ons mogelijk maken om 1) vroege veranderingen in de structurele en functionele componenten van het ecosysteem te herkennen en 2) de gezondheidstoestand van het systeem te bepalen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Seksuele selectie bij hermafrodiete dieren: een voorbeeld van de landslak Succinea putris (Mollusca, Pulmonata, Gastropoda). 01/05/2005 - 30/04/2009

Abstract

Dit project maakt gebruik van de landslak Succinea putris om een aantal recente hypothesen te testen rond seksuele selectie en 'sperm-trading' bij hermafrodiete dieren: 1) individuen schatten de kwaliteit van hun partner in zelfs tijdens de kopulatie, 2) individuen veranderen de fysiologie van hun partner om hun fertilizatiekansen te verhogen, 3) individuen alloceren meer naar mannelijke organen bij hogere populatiedensiteiten en 4) reciproke sperma-overdracht leidt niet noodzakelijk tot reciproke bevruchting.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Dispersie, ouderzorg en persoonlijkheidskenmerken bij de koolmees. 01/05/2005 - 30/04/2009

Abstract

We onderzoeken de gedragsmechanismen die aan de oorsprong liggen van variatie in dispersie, d.i. de verplaatsing tussen geboorte-en broedplaats, bij vogels. Meer specifiek onderzoeken we (1) de relatie met erfbare persoonlijkheidskenmerken die bepalen hoe dieren reageren op onbekende situaties en/of soortgenoten (zgn. "shy-bold" continuum), en (2) de invloed van ouderlijk gedrag op dispersie van nakomelingen, in het bijzonder de verplaatsingen in familieverband voorafgaand aan dispersie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Intrigerende variatie in het paarsysteem van endemische waterjuffers op oceanische eilanden: een eerste voorbeeld van 'omgekeerde sekserollen' bij Odonata (Insecta)? 01/05/2005 - 31/12/2006

Abstract

Dit onderzoek beoogt de eerste documentatie ooit van de omkering van sexerollen bij waterjuffers. Een dergelijke studie biedt groot potentieel om de evolutie en de variatie in paarsystemen beter te begrijpen, vooral ook van nauwverwante soorten. Een belangrijk punt van dit project is de multi-soorten benadering, waarbij sexen en soorten zullen worden vergeleken in gedragingen en sex ratio's, met uiteindelijk ook het in rekening brengen van de evolutionaire verwantschappen tussen de onderzochte soorten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Morfologische en moleculaire karakterisatie van enkele Oost Afrikaanse muizengeslachten (Mastomys, Arvicanthis en Lophuromys). 01/04/2005 - 30/09/2005

Abstract

Hoewel sommige Afrikaanse muizensoorten ziektekiemen verspreiden en/of oogsten van Afrikaanse landbouwers vernielen, is de taxonomische kennis van deze soorten beperkt. Dit project beoogt een gecombineerde craniometrische en genetische studie van een aantal pestsoorten. Deze informatie wordt gebruikt voor het aanvullen van een systeem van 'DNA-barcodes', waardoor dieren snel en correct zullen kunnen worden geïdentificeerd en bijgevolg doeltreffender bestreden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vlinders in gefragmenteerde bossen als modelorganismen voor de studie van de relatie tussen ontwikkelingsinstabiliteit en genetische variatie. 01/01/2005 - 31/12/2008

Abstract

Fluctuerende asymmetrie (FA) -kleine verschillen tussen de linker en rechter zijde van een bilateraal symmetrisch kenmerk die het resultaat zijn van 'developmental noise' en 'developmental stability' -is een potentieel interessante indicator van stress. Tal van studies hebben aangetoond dat zowel omgevings- (parasieten, abiotische tactoren) als genetische stress (inbreeding, breakup van co-adapted gene complexes) gepaard gaan met een taename in FA op zowel individueel als populatie niveau (Polak, 2003). FA wordt verondersteld een maat te zijn vaor ontwikkelingsinstabiliteit, waarbij deze laatste gekarakteriseerd wardt daor ontwikkelings ruis (waardaor een ontwikkelend kenmerk gaat afwijken van zijn ontwikkelingsschema) en antwikkelingsstabiliteit (die de gevolgen van ruis verkleint) (Van Dongen & Lens, 2002). Belangrijk is op te merken dat ontwikkelingsinstabiliteit niet direct meetbaar is en dat FA als surrogaat gebruikt wardt. De hypothese dat de toename in FA ten gevalge van stress reeds Qptreedt bij relatiet lage stress in vergelijking met de niveaus waarbij er zich een belangrijke reductie in fitness manitesteert, heeft ertoe geleid te veranderstellen dat FA a's zgn. 'early warning system' een belangrijk instrument kan vormen bij de identificatie van soorten en populaties die natuurbeschermende maatregelingen nodig hebben (Clarke, 1995). Het systematisch gebruik van FA als biomanitoring tool wordt echter bemoeilijkt door heterogeniteit in verbanden tussen FA en stress. Vooral het gebrek aan algemene richtlijnen die voorspellen wanneer -voor welke soarten(-groepen), vormen van stress en kenmerken -FA toeneemt met stress, maakt het algemeen gebruik onmogelijk. Het onderzoek voargeste'd in deze projectaanvraag beaogt onderzoek naar de bruikbaarheid van FA als bio-indicatar voor mogelijk negatieve gevolgen van inteelt bij twee relatiet nauw verwante dagvlindersoorten (P. aegeria en Cymothae teita). P. aegeria is een vrij algemene Europese dagvlinder en C. teita een bedreigde en endemische vlindersoort van de Taita Hills, Kenia. Beide soorten komen voor in boshabitaten die wereldwijd sterk onderhevig zijn aan versnippering en degradatie. P. aegeria zal intensiet bestudeerd worden onder zawellaba- als veldcondities. Dit luik van het anderzaek zal ons toelaten om een aantal tundamentele aspecten van de FA-heterozygositeits relatie te bestuderen (voor details zie verder). Hiervoar wordt (i) een kweek-experiment onder gecontroleerde condities opgestart waarbij inbreeding experimenteel gemanipuleerd zal worden, (ii) de FA-inteelt relatie onder natuurlijke omstandigheden bestudeerd, (iii) FA gemeten bij een ruime waaier van kenmerken met verschillend tunctianeel belang en (iv) genetische variatie geschat a.d.h.v. verschillende genetische merkers waarvan de selectieve neutraliteit varieert (microsatelliet vs. allozymes, waarbij deze laatste enkel bestudeerd kunnen warden door de vlinder te doden). Dit type van onderzoek kan uitgevaerd worden bij een soort zoals P. aegeria die vrij algemeen is en relatiet eenvoudig artificieel gekweekt en gemanipuleerd kan worden. Bij onderzoek op bedreigde argansimen, zoals C. teita, moet getracht warden om de impact van het onderzoek op het organisme te minimalizeren. Daarom zal het onderzaek op C. teita zich beperken tot het meten van FA a.d.h.v. digitale toto's en het schatten van genetische variatie m.b.v. microsatelliet merkers op basis van DNA uit kleine weetselstalen. Deze niet-invasieve methades zullen ap punt gesteld en gevalideerd worden bij P. aegeria. De tundamentele inzichten die voortvloeien uit het onderzoek ap P. aegeria om trend de cantroversie rand de relatie tussen FA en inbreeding, zullen verder gebruikt worden om patronen bij C. teita te evalueren en de bruikbaarheid van FA als monitoring tool in te schatten.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Nieuwe ziekten in een veranderende Europese omgeving (EDEN). 01/11/2004 - 31/05/2010

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een bio-economisch model voor de beheersing van knaagdierschade in Afrika : een regionale oplossing voor lokale problemen ? 01/10/2004 - 30/09/2008

Abstract

Mastomys muizen zijn de belangrijkste knaagdierplaag in Afrika. Een bestaand, maar plaatsgebonden bio-economisch model zal in samenwerking met lokale landbouwers getest worden op het veld. Regionale variatie in populatiedynamiek zal in het model geïncorporeerd worden door demografische analyse van reeds bestaande vangst-hervangst data uit 4 landen. Het finale model zal de mogelijkheid bieden economisch voordelige controlestrategieen te formuleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Pyrethroidenresistentie bij malariavectoren: KDR-genvaratie en detectie. 01/10/2004 - 30/09/2006

Abstract

Controle van malaria steunt op het behandelen van patiënten en het bestrijden van de insect vector, de Anopheles mug. Vectorcontrole baseert zich op het gebruik van muggennetten geïmpregneerd met pyrethroide insecticiden. Echter, de laatste jaren neemt de ontwikkeling van pyrethroidenresistentie bij Anopheles muggen alarmerende proporties aan . Voor de evaluatie van de malariacontroleprogramma's is het belangrijk om de insecticidenresistentie in kaart te brengen en de verspreiding ervan op te volgen. De klassieke methode om insecticidenresistentie op te volgen is een bioassay waarbij men muggen gedurende een welbepaalde tijd blootstelt aan een bepaalde concentratie van een insecticide. De test geeft een globaal beeld van resistentie zonder dat het exacte resistentiemechanisme moet gekend zijn. De bioassay heeft echter een aantal nadelen die het moeilijk maken om deze in veldcondities goed uit te voeren: enerzijds heeft men per test een groot aantal muggen nodig en anderzijds wordt een bioassay beïnvloed door wijzigingen in testomstandigheden (klimaatsomstandigheden, leeftijd muggen). Moleculaire detectiesystemen worden bruikbaar wanneer de moleculaire werking van de insecticiden gekend is. Pyrethroiden en DDT blokkeren de zenuwgeleiding doordat ze, na een actiepotentiaal, het sluiten van natriumkanalen van het para-type belemmeren. Een belangrijk resistentiemechanisme tegen pyrethroiden en DDT, gekend als knockdown resistentie of kdr, gaat gepaard met wijzigingen in dit natriumkanaal ter hoogte van het S6 segment van domein II. Puntmutaties in het para-type natriumkanaalgen vormen de moleculaire basis voor kdr bij tal van insecten, waaronder de Afrikaanse malariamug An.gambiae. Een multiplex PCR werd beschreven voor de detectie van de kdr mutatie bij An.gambiae. Hierbij werd een duidelijke relatie aangetoond tussen het voorkomen van het kdr allel in een populatie en de verminderde mortaliteit van deze muggen in een bioassay. Het doel van deze thesis is om gelijkaardige kdr detectiesystemen te ontwikkelen voor een aantal Afrikaanse (An.arabiensis en An.funestus) en Zuidoost Aziatische (An.sundaicus, An.minimus, An.dirus, An.vagus en An.sinensis) vectoren. Deze testsystemen zullen gebruikt worden voor het bepalen van de kdr frequentie in natuurlijke Anopheles populaties. In een later stadium kunnen deze detectiesystemen opgenomen worden in de malariacontroleprogramma's van Laos, Cambodja, Vietnam en Afrika.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Evolutie van vrouwelijk kleurpolymorfisme bij waterjuffers (Odanata, Zygoptera). 01/10/2004 - 30/09/2006

Abstract

Polymorfismen komen in de natuur zeer algemeen voor. Bij vele soorten waterjuffers worden meerdere discrete vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties waargenomen. Het vrouwelijke fenotype dat qua lichaamskleur en soms ook qua gedrag op het conspecifieke mannetje lijkt wordt andromorf genoemd, terwijl het gynomorfe fenotype duidelijk verschillend van het mannetjes en andromorfen. Recent onderzoek geeft aan dat de expressie van een kleurvorm genetisch bepaald is en dat selectieprocessen een belangrijke rol spelen bij hun coëxistentie. Huidige adaptieve hypothesen veronderstellen dat een conflict tussen de seksen aan de basis ligt van dit vrouwgelimiteerd polymorfisme bij waterjuffers. Meer in detail worden vrouwtjes teveel lastiggevallen door paarlustige mannetjes en dit zou leiden tot differentiële fitness-kosten voor andro- en gynomorfen. Het hoofddoel van dit onderzoek is beter inzicht te verwerven in het voortbestaan en de evolutie van vrouwelijke kleurvormen bij waterjuffers. Er wordt voornamelijk aandacht besteed aan de volgende 4 aspecten: ¿Hoewel dit een cruciale assumptie vormt, ontbreekt het aan studies die testen of het conflict tussen de seksen effectief leidt tot vormspecifieke fitness-kosten. Deze vraag wordt op experimentele wijze onderzocht door kleurvormen, ondergebracht in vliegkooien, bloot te stellen aan een verschillend aantal copulaties en verschillende gradaties van mannelijk lastigvallen. Vervolgens wordt nagegaan wat de effecten hiervan zijn op levensduur en fecunditeit. Tevens wordt het mannelijk lastigvallen van vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties gekwantificeerd. Finaal wordt nagegaan of het vrouwelijk gedrag varieerd onder verschillende densiteiten en frequenties. ¿Spatiale en temporele variatie in de frequentie van de vrouwelijke vormen in natuurlijke populaties zal gekwantificeerd worden. Dit gebeurd aan de hand van een gestandaardiseerde methodiek, door middel van observaties in afgebakende transecten of door een uniforme vangsttechniek met een insectennet. ¿Verschillen in lichaamskleur en/of gedrag spelen een belangrijke rol in de thermische ecologie van een soort. Algemeen warmen donkere individuen sneller op dan lichtere waardoor ze meer actief (bvb. ontwijken predatoren, rijpen van eieren) kunnen zijn bij minder geschikte weersomstandigheden wat uiteindelijk leidt tot een fitnessvoordeel. In dit kader zal ik de thermische karakteristieken van mannetjes en de vrouwelijke kleurvormen bestuderen onder experimentele condities en in hun natuurlijke populatie. ¿Hypothesen suggereren dat de vrouwelijke kleurvormen verschillen in kosten en baten bij verschillende omgevingsomstandingheden met als gevolg dat hun fitness variabel is. Ik zal het bestaan van variatie in fitness bestuderen onder wijzigende populatiecondities (gedurende een volledig vliegseizoen). Er wordt geopteerd voor het bepalen van verschillende conditiematen (korte en lange termijn) zodat de conditie tijdens verschillende fasen in het leven van een individu kunnen ingeschat worden. De lichaamslengte en de ontwikkelingstabiliteit (fluctuerende assymetrie) weerspiegelen de conditie van het individu tijdens het larvale stadium (lange termijn). De aanwezige energiereserves van het individu geven een maat voor de huidige voedingsstatus die gevoelig is aan variabele omgevingsomstandigheden (korte termijn).

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De rol van knaagdieren in de epidemiologie van mycobacteriële ziekten in Afrika. 01/10/2004 - 30/09/2005

Abstract

Mycobacteriën kunnen allerlei ziekten veroorzaken, o.a. lepra, tuberculose en Buruli ulcer. Vanwege het stijgend aantal HIV-positieve patiënten, voornamelijk in de ontwikkelingslanden, is de controle van dergelijke mycobacteriële ziekten heel belangrijk. Knaagdieren kunnen een reservoir zijn voor mycobacteriën en daardoor een bron van infectie voor mens en vee. Het is echter nog niet duidelijk wat de verspreiding is van mycobacteriële infecties bij knaagdieren en wat hun rol is bij de overdracht van de infectie naar mensen. Een beter inzicht in de rol van knaagdieren zal belangrijke informatie opleveren voor het begrijpen van de epidemiologie van mycobacteriële aandoeningen in dichtbevolkte gebieden, onder omstandigheden met een relatief laag niveau van openbare hygiëne, zoals rond zich snel uitbreidende Afrikaanse steden. In dit onderzoek zal getracht worden om de mycobacteriële flora van knaagdieren in en rond een Afrikaanse stad te inventariseren. De bekomen stammen zullen worden vergeleken met behulp van moleculaire technieken met de mycobacteriën die in de humane populatie, en bij vee, worden aangetroffen. Eerdere studies richtten zich enkel of op mensen, of op dieren, en onderzoek naar natuurlijke reservoirsoorten is zo goed als onbestaande. De veterinaire component wordt ingesloten enerzijds omwille van het economisch belang van de veestapel zelf, maar vooral omwille van het feit dat vee een algemene infectiebron is voor zoönotische tuberculose bij de mens. Het uiteindelijke objectief is om door een beter begrip van de ecologie van deze infecties tot een betere beheersing van de ziekte met meer efficiënte controlestrategieën te komen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De knaagdierfauna in Kisangani: patrimonium, plaagsoorten en pilootfunctie. 01/03/2004 - 28/02/2009

Abstract

Het project wil de Universiteit van Kisangani de mogelijkheid bieden om haar internationale contacten (terug) op te bouwen. Dit zal gebeuren met een pilootproject binnen het departement biologie waar onderzoek zal gebeuren naar de biodiversiteit van knaagdieren in de omgeving van Kisangani, de veranderingen in deze fauna ten gevolge van ontbossingsactiviteiten en de rol die knaagdieren spelen als plaagsoorten in landbouw. De verwachting is dat dit project, naast de eigen inhoudelijke waarde, ook de nieuwe dynamiek steunt binnen UNIKIS.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Demografische en populatiedynamische modellen voor kleine knaagdieren in semiaride gebieden. 01/01/2004 - 31/12/2005

Abstract

Gedurende tientallen jaren reeds zijn er discussies tussen ecologen over het relatieve belang van (densiteitsonafhankelijk) omgevingsfactoren en (densiteitsafhankelijke) terugkoppelingsmechanismen in populatiedynamiek. Kleine zoogdieren zijn intensief bestudeerd in dat verband, onder stimulans van de opmerkelijke cycli die worden waargenomen bij lemmingen en woelmuizen in holarctische gebieden. In meer zuidelijke gebieden zijn knaagdierpopulaties niet cyclisch, en deze kregen minder aandacht. Populatieexplosies in westelijk Zuid-Amerika en oostelijk Africka (zoals bij de bladoormuis Phyllotis darwini en de veeltepelmuis Mastomys natalensis) zijn sterk gecorreleerd met jaren met ongewoon overvloedige regenval. De populatie-dynamische patronen verschillen echter sterk tussen deze soorten. Beiden reageren ze positief op neerslagperioden, maar er zijn belangrijke verschillen in de seizoenale structuur van de densiteitsafhankelijke en -onafhankelijke processen. Bij de Afrikaanse veeltepelmuis zijn de densiteitsafhankelijke processen van eerste orde, wat een onmiddellijk effect van densiteit op populatiegroei suggereert. Het bestaat van uitgestelde densiteits-afhankelijkheid bij de bladoormuis in Chili impliceert een trofische interactie met predatoren. Om de gevolgen van deze verschillen te begrijpen zullen we nagaan hoe demografische processen reageren op omgevingsvariatie in populaties met een verschillende graad van densiteitsafhankelijkheid. We zullen ook nagaan hoe de populatiegroei functioneel afhangt van de mate van variatie in demografische parameters.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Voortbestaan en evolutie van intrasexueel kleurpolymorfisme bij waterjuffers. 01/10/2003 - 30/09/2006

Abstract

Alhoewel sexuele variatie traditioneel begrepen wordt als alle aanwezige verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes, is het resultaat van evolutie dikwijls de coëxistentie van verschillende reproductieve vormen binnen één geslacht. Het samen voorkomen van verschillende mannelijke kleurvormen is veelal goed begrepen, in tegenstelling tot vrouwelijke kleurpolymorfismen. Typisch voor vrouwelijke kleurvormen bij waterjuffers, is dat één van de vrouwelijke vormen gekleurd is zoals het conspecifieke mannetje, terwijl de andere kleurvormen verschillend zijn. Terwijl één groep van onderzoekers veronderstelt dat man-achtige vrouwtjes functionele mannelijke-nabootsers zijn, gaan andere onderzoekers ervan uit dat mannetjes preferentieel paren met de meest algemene vrouwelijke kleurvorm in de populatie. Zowel experimentele als veldstudies (op basis van verschillende semi-natuurlijke populaties die verschillen in densiteiten en frequenties) ondersteunen een verband tussen de populatiecondities (densiteiten, sex ratio's en frequenties van vormen) en de fitness (overleving, paarsucces) van een vorm. De coëxistentie van verschillende vrouwelijke kleurvormen kan echter enkel verklaard worden indien de vormspecifieke fitness wijzigt bij het optreden van fluctuaties in de populatiecondities. Tot op heden ontbreekt het nagenoeg aan informatie over ruimtelijke en temporele variatie in populatiecondities en gerelateerde vormspecifieke fitness kosten en baten. Onze kennis is nog beperkter indien we het ontstaan, het voorbestaan en het verdwijnen van verschillende vrouwelijke kleurvormen wensen te begrijpen. Een geschikte methode voor het verwerven van inzichten in de evolutie van vrouwelijk kleurpolymorfisme is het vergelijken van nauwverwante soorten met gekende fylogenetische relaties. Indien soorten verschillen in aan-/afwezigheid van meerdere vrouwelijke vormen en in ecologie, dan kan de studie van de fylogenetische stamboom evolutionaire inzichten opleveren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Matching fund bij Europees project "Prevention of sanitary risks linked to rodents at the rural/peri-urban interface". 01/10/2003 - 31/12/2005

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Gastprofessoraat Stephen DAVIS 01/08/2003 - 31/07/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Coëxistentie van vrouwelijke kleurvormen bij waterjuffers. 01/05/2003 - 30/04/2004

Abstract

Het verklaren van de coëxistentie van verschillende kleurvormen binnen een soort blijft een uitdaging vormen voor evolutietheoriën. Recent onderzoek bij libellen suggereert een relatie tussen populatiecondities en vormspecifieke fitness. Met dit project willen we onderzoeken of de ruimtelijke en temporele variatie in populatiecondities en gerelateerde vormspefieke fitness een verklaring vormt voor het naast elkaar voorkomen en voortbestaan van vrouwelijke kleurvormen bij waterjuffers. Bovendien zal de vormspecifieke thermische ecologie onderzocht worden en in verband gebracht worden met variatie in populatiecondities en fitness.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Prevention of sanitary risks linked to rodents at the rural/peri-urban interface. (RATZOOMAN) 01/01/2003 - 30/06/2006

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ontwikkelen van een moleculaire gegevensbank voor de forensische identificatie van Afrikaanse kleine zoogdieren. 01/01/2003 - 31/12/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Diagnostics and control of rodent-borne viral zoonoses in Europe. (RODENT-BORNE ZOONOSES) 01/09/2002 - 31/10/2005

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Densiteitsafhankelijke dispersie en overleving bij de veeltepelmuis Mastomys natalensis: beschrijvende, experimentele en modelmatige aanpak. 01/06/2002 - 30/09/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Populatiegenetica van Europese alikruiken (Mollusca, Gastropoda: Littorinidae). 01/05/2002 - 30/04/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Fylogeografie van tweeslachtige landslakken in Europa (Mollusca, Gastropoda). 01/05/2002 - 30/04/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Ecologie van een knaagdiersoort met populatie-explosies: een moleculaire aanpak voor het onderzoeken van interne en externe factoren in populatiedynamiek. 01/02/2002 - 31/03/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Genetische differentiatie bij uniparentale landslakken (stylommatophora). 01/01/2002 - 31/12/2003

Abstract

De algemene doelstelling van dit onderzoek is inzicht te krijgen in de evolutionaire betekenis van de wisselwerking tussen zelf- en kruisbevruchting in het kolonisatievermogen, de genetische differentiatie en de biologische diversiteit in landslakken met een gemengd voortplantingssysteem. Met behulp van zowel morfometrische als moleculaire technieken zal een analyse worden gemaakt van de voortplantingsbiologie van zowel Carinarion spp. als A. intermedius.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

'Life history' respons op tijdsdrukken en ecologische drukken tijdens het larvale stadium van de waterjuffer Lestes viridis. 01/01/2002 - 31/12/2003

Abstract

Natuurlijke omgevingen zijn inherent dynamisch zodat één enkel fenotype hier niet optimaal is. Daarom vertonen genotypes doorgaans een flexibele respons in 'life history' kenmerken. Deze fenotypische plasticiteit kan beschreven worden als een reactienorm. Daarenboven kunnen genotypes ook verschillen in reactienorm. Het doel is het bestuderen van de 'life history' respons van Lestes viridis op een combinatie van tijds- en ecologische drukken tijdens het larvale stadium, gebruik makend van zowel optimalisatiemodellen als kwantitatieve genetica.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Micro-evolutie en hybridisatie op de Galapagos eilanden: genetica en morfologie binnen en op de grenzen van een soort 01/10/2001 - 30/09/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De effecten van zware metaal contaminatie op de trofische interacties binnen plant-insect-parasitoïd systemen 01/10/2001 - 31/08/2004

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Gene flow en effectieve populatiegrootte in niet-evenwichtssituaties. 01/01/2001 - 31/12/2004

Abstract

Het behoud van genetische variatie is een cruciale doelstelling in het lange-termijnbeheer van vrijlevende populaties. Schattingen van effectieve populatiegrootte en gene flow zijn vaak gebaseerd op assumpties over evenwicht tussen mutatie, gene flow en drift, en niet toepasbaar op sterk fluctuerende of afnemende populaties. In dit project worden tijdreeksen van genetische stalen van vogels en zoogdieren gebruikt om methodes uit te testen die genetische parameters berekenen in niet-evenwichtscondities.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Effecten van omgevingsstress op het evolutionaire potentieel van ontwikkelingsstabiliteit. 01/01/2001 - 31/12/2004

Abstract

Ontwikkelingsstabiliteit wordt verondersteld een schatter te zijn van individuele genetische kwaliteit. Individuele onwikkelingstabiliteit kan op een ogenschijnlijk eenvoudige manier gemeten worden aan de hand van kleine afwijkingen van perfecte symmetrie (zgn. fluctuerende asymmetrie). In dit project wordt nagegaan wat de invloed is van omgevingsstress op de relatie tussen enerzijds de individuele genetische kwaliteit en anderzijds ontwikkelingsstabiliteit en fluctuerende asymmetrie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)