Geslacht en grammatica. Hoe (on)zichtbaar is geslacht in taal?
24 maart 2026
Over de lezing
De connectie tussen taal of grammatica enerzijds en geslacht anderzijds staat anno 2026 volop in de maatschappelijke en academische belangstelling, bijvoorbeeld wat genderinclusief taalgebruik betreft. Breder maatschappelijk bekend zijn vooral die delen van de grammatica waarin geslacht heel zichtbaar is, zoals in voornaamwoorden (hij en zij). Maar in tegenstelling tot wat de debatten daarrond misschien doen vermoeden, is de rol van geslacht in grammatica niet altijd even zichtbaar en het nadenken over de samenhang van taal en geslacht geen nieuw fenomeen. Al in de vijfde eeuw v.Chr. nam de Griekse filosoof Protagoras aan dat zelfstandige naamwoorden door hun “mannelijke”, “vrouwelijke” of “niet-menselijke” eigenschappen in verschillende categorieën kunnen worden opgedeeld. Hij noemde die categorieën dan ook mannelijk, vrouwelijk en onbezield – de geboorte van het grammaticale “geslacht”. Aristoteles daarentegen erkende die samenhang tussen grammatica en geslacht niet.
Voortgaand op dat millennia-oude dispuut bekijken we wat de taalkunde als wetenschappelijke discipline ondertussen aan inzichten heeft voortgebracht over de rol van geslacht in grammatica, en hoe die inzichten een bijdrage kunnen leveren aan maatschappelijke discussies rond taal en geslacht. De weg voert via de heel zichtbare uitdrukking van geslacht en de maatschappelijke debatten daarrond naar de minder zichtbare, maar significante rol die geslacht überhaupt in taal kan spelen. Een greep uit de vragen die daarbij naar voren komen:
- Waarom verwijzen we meestal naar een stad met het voornaamwoord haar, zoals in Antwerpen en haar inwoners? En waarom zitten daarin verschillen tussen Vlaanderen en Nederland?
- Waarom hebben we een woord voor een vrouwelijk paard, merrie, maar niet voor een vrouwelijke zalm? En waarom de IJslanders bijvoorbeeld wel?
- Waarom hebben sommige talen wel 25 grammaticale “geslachten”?
Over de spreker
Dr. Natalie Verelst werkt als wetenschappelijk medewerkster aan de TU Dortmund, bij de leerstoel Variationele Taalkunde. Tot 2018 studeerde ze eerst aan de Universiteit Antwerpen, daarna aan de Vrije Universiteit in Berlijn. Hier promoveerde ze in 2024 in de taalkunde op het onderwerp 'movering' (feminisering van persoonsaanduidingen) in het Duits en Nederlands. Haar onderzoeksinteresses richten zich vooral op morfologie en (diachronische) variatie, taalvergelijking en genderlinguïstiek.
Praktische informatie
Dinsdag 24 maart 2026
start: 19u30
Stadscampus UAntwerpen (lokaal wordt later nog bekend gemaakt).
Deelname is gratis, inschrijven kan via onderstaande knop.