Onderzoeksgroep

Rechtshandhaving

Procedurele rechtvaardigheid bij online conflictafhandeling: een empirisch onderzoek. 01/10/2019 - 30/09/2023

Abstract

Dit project betreft procedurele rechtvaardigheid bij Online Conflictafhandeling (ook in het Nederlands afgekort als ODR, Online Dispute Resolution). ODR werd beschouwd als een oplossing voor bepaalde types van geschillen, die voorheen niet behoorlijk werden afgehandeld. Daarnaast werd verwacht dat ODR de efficiëntie op het vlak van conflictafhandeling zou vergroten en dat ODR andere, nieuwe kwaliteiten zou introduceren op het vlak van conflictafhandeling, zoals het creëren van win-win situaties. De vraag rijst of ODR deze hoge verwachtingen ook heeft ingelost. Een kritische blik op het huidige ODR landschap dringt zich dan ook op. Een goede graadmeter voor de kwaliteit van de huidige ODR mechanismen vormt de procedurele rechtvaardigheid van deze mechanismen. Vertrekkende van de bestaande praktijken inzake ODR, wil het voorgestelde onderzoek nagaan hoe procedurele rechtvaardigheid, zoals dit concept werd ontwikkeld voor de beoordeling van de kwaliteit van rechtbankgebonden conflictafhandeling, wordt bereikt door de drie meest voorkomende wijzen van online conflictafhandeling: (online) onderhandelen, (online) bemiddelen en (online) arbitrage. Dit project hanteert een multi-methodologische aanpak, waarbij klassiek literatuuronderzoek wordt gecombineerd met empirisch onderzoek. Eerst en vooral wordt de theorie van procedurele rechtvaardigheid en de wijzen waarop de procedurele rechtvaardigheid wordt gemeten onderzocht. Het empirisch luik van het onderzoek streeft ernaar om alle thans actieve ODR initiatieven wereldwijd in kaart te brengen (vermoedelijk betreft het ongeveer een honderdtal initiatieven) en na te gaan hoe elk van deze initiatieven waakt over de procedurele rechtvaardigheid bij online onderhandelen, bemiddelen en arbitrage. Op basis van de resultaten van het literatuur- en het empirisch onderzoek, zal ten slotte getracht worden om de essentiële vereisten te bepalen noodzakelijk om procedurele rechtvaardigheid te waarborgen bij onderhandelen, bemiddelen of arbitrage door middel van een ODR platform. Door procedurele rechtvaardigheid bij ODR mechanismen te onderzoeken, wil dit project de leemte vullen inzake academisch onderzoek naar de invloed van technologie op en de betekenis van technologie voor de procedurele rechtvaardigheidstheorie. Door de ODR aanbieders en hun diensten wereldwijd in kaart te brengen, levert het onderzoek een belangrijke bijdrage aan het verzamelen van empirische gegevens over ODR, die nuttig gebruikt zullen kunnen worden voor later onderzoek. Het voorgestelde onderzoek streeft ernaar een belangrijke en originele bijdrage te leveren aan het groeiend wetenschapsdomein van de buitengerechtelijke conflictafhandeling. Het onderzoek kan voorts bijdragen tot een grotere bewustwording bij het grotere publiek van de mogelijkheden die ODR voor bepaalde types van conflicten biedt. Het onderzoek is tevens relevant voor de aanbieders van ODR mechanismen. De door het onderzoek vastgestelde 'best practices' om de procedurele rechtvaardigheid bij ODR te waarborgen, zullen door andere ODR platformen kunnen worden geïmplementeerd. Door de waarborgen inzake procedurele rechtvaardigheid te verhogen, kan het vertrouwen van het grote publiek in ODR toenemen, wat een noodzakelijke voorwaarde is voor de verdere groei van ODR als een volwaardige wijze van conflictafhandeling.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Naar een evenwicht tussen de normatieve en controlerende functie van het Hof van Cassatie. 01/01/2019 - 31/12/2022

Abstract

Dit doctoraatsonderzoek behelst de vraag naar de huidige rol van het Belgische Hof van Cassatie, mede in het licht van de rechterlijke dialoog met andere (Europese) hoogste rechtscolleges en wat die rol idealiter zou moeten zijn. Om de hoofdonderzoeksvraag te beantwoorden vertrekt het onderzoek van een analyse van de wetgeving en rechtsleer inzake de huidige rol en werking van het Belgische Hof van Cassatie, mede in het licht van de wisselwerking met andere (Europese) hoogste gerechtshoven, als het Grondwettelijk Hof, het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Eenzelfde analyse zal gebeuren voor de Franse Cour de cassation, de Nederlandse Hoge Raad en het Duitse Bundesgerichtshof. Vanuit dit klassiek juridisch en rechtsvergelijkend onderzoek kan een algemeen theoretisch kader worden geschetst over de rol en werking van bovengenoemde hoogste gerechtshoven. Vervolgens beoogt het doctoraatsonderzoek na te gaan hoe de rechterlijke dialoog tussen voornoemde hoogste gerechtshoven (nationaal versus Europees) in de praktijk gebeurt en wat daarvan de invloed is op de nationale rechtspraak. Concreet zal op basis van een selectie van cassatierechtspraak uit België, Frankrijk, Nederland en Duitsland getoetst worden in welke mate de hoogste rechtscolleges omgaan met rechtspraak van de (Europese) hoogste gerechtshoven. Drie formele instrumenten van rechterlijke dialoog worden daarbij als uitgangspunt gebruikt: (1) de prejudiciële procedure, (2) impliciete en expliciete verwijzing naar rechtspraak van andere rechtscolleges en (3) de motivering van rechterlijke beslissingen. Vanuit het theoretisch kader zal vervolgens getracht worden om een lijst op te stellen van, al dan niet doorgevoerde, maatregelen geformuleerd ter hervorming van het desbetreffende hoogste gerechtshof. Het theoretisch kader, de analyse van rechtspraak en de opgestelde lijst zullen vervolgens de basis vormen van empirisch onderzoek, waarbij de rol van het Belgische Hof van Cassatie getoetst zal worden aan de bevindingen van de magistraten en advocaten uit de praktijk. Tot slot zal getracht worden vanuit dit multi-methodologisch onderzoek aanbevelingen te formuleren om zo de huidige rol van het Belgische Hof van Cassatie in de richting te duwen van de rol die het volgens de praktijk idealiter zou moeten vervullen, mede om te fungeren als ideale gesprekspartner in een gelaagd juridisch landschap.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Rechterlijk overgangsrecht in het publiek en privaat procesrecht: nieuwe ontwikkelingen aangaande de werking in de tijd van vonnissen en arresten. 01/01/2010 - 31/12/2013

Abstract

Vonnissen en arresten hebben declatatoire en dus settoactieve werking Daar worden stilaan vraagtekens bij geplaatst, zeker in geval van een onvoorziene ommekeer in de rechtspraak Toch voorziet de wetgevet enkel voor vernietigingsar~esten van het Grondwettelijk Hof' en van de Raad van State in de mogelijkheid om de werking in de tijd te beperken Enkele nieuwe wendingen in de Belgische, maar ook de Europese rechtspraak (EHRM en HvJ) geven echter aan dat ook voor andere rechterlijke uitspraken de leer van het rechterlijk overgangsrecht in beweging is Een vergelijking met EU-lidstaten geeft bovendien aan dat bij veel grondwettelijke hoven de werking voor de toekomst juist als regel geldt Dit onderzoeksproject wil het rechterlijk overgangsrecht daarom onder de loep nemen Hierbij rijzen nog diverse vragen, zowel wat betreft de bevoegdheidsgrond als wat betreft de criteria om prejudici&le arresten in de tijd te moduleren Het project focust in het bijzonder op twee onderzoeksvragen De eetste betreft de theotetische fimdamenten en beleidsargumenten die grondslag geven aan de principiele temporele hnctie van arresten in de tijd Vervolgens wordt in de praktijk van Belgische, Europese en buitenlandse rechtscolleges gezocht naar argumenten die een modulering van vonnissen en arresten in de tijd rechtvaardigen

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)