Onderzoeksgroep

Instituut voor de studie van de letterkunde in de Nederlanden (ISLN)

Expertise

Boekgeschiedenis in de Lage Landen na 1800, ihb Nederlandstalige uitgeverijen Literatuur en nationalisme, ihb geschiedenis vd Vlaamse Beweging Geschiedenis van de Nederlandse en Vlaamse literatuur na 1800 Literatuur en utopisme Literatuur en taalideologie

CATCH 2020: Computerondersteunde Transcriptie van Complexe Handschriften. 01/05/2018 - 30/04/2021

Abstract

CATCH 2020 beoogt een werkende infrastructuur aan te bieden om automatisch transcripties van complexe handgeschreven documenten te genereren. Om dit te verwezenlijken vertrekt het project van het bestaande Transkribus platform voor Handwritten Text Recognition (HTR) of 'automatische handgeschreven tekstherkenning'. Deze technologie stelt ons in staat om handgeschreven tekstuele documenten te behandelen en te verwerken op een manier die vergelijkbaar is met de manier waarop OCR (Optical Character Recognition) digitale kopieën van gedrukte teksten verwerkt. In plaats van platte transcripties, zal CATCH 2020 echter gestructureerde tekst produceren, alsook de nodige tools om tekstuele en linguïstische dimensies aan de transcripties toe te voegen. Om dit te bereiken combineert het project moderne inzichten uit de editiewetenschap met geavanceerde technologie uit de computerlinguïstiek.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

'Schetsen van het Vlaamse leven'. Vormen van exemplariteit en de constructie van collectieve denkwijzen in Hendrik Consciences zedenromans. 03/06/2019 - 02/12/2019

Abstract

De Antwerpse auteur Hendrik Conscience (1812-1883) is de geschiedenis ingegaan als 'de man die zijn volk leerde lezen'. Deze omschrijving verwijst niet alleen naar zijn nationalistische en didactische agenda, maar ook naar zijn populariteit onder negentiende-eeuwse lezers, zowel in België als daarbuiten. Ondanks zijn reputatie als een van de pioniers van de Vlaamse literatuur is er nog maar weinig modern literatuurwetenschappelijk onderzoek gedaan naar Consciences oeuvre. We weten bijvoorbeeld niet hoe zijn populaire verhalen het publiek precies aanspraken en welke visies op de werkelijkheid ze construeerden. Zonder een structurele analyse van de retoriek van deze teksten in het licht van de culturele context waarin ze zijn ontstaan en circuleerden, kan de nationale en internationale aantrekkingskracht van Conscience niet volledig worden begrepen. Onderhavig doctoraatsonderzoek onderwerpt de teksten waarmee Conscience een volk leerde lezen voor het eerst aan een aantal fundamentele onderzoeksvragen. Vanuit een retorische benadering wordt bestudeerd hoe Consciences zedenromans een narratief kader bieden voor de perceptie van de sociale werkelijkheid. Speciale aandacht gaat uit naar de manier waarop veralgemeniseringen van de werkelijkheid (vormen van exemplariteit, cf. David 2010) lezers uitnodigen om zich te identificeren met perspectieven op de vertelde werkelijkheid die als collectief worden voorgesteld. Door Consciences verteltechnieken te interpreteren en positioneren ten opzichte van contemporaine discoursen over de Vlaamse Beweging, de Europese gevoelscultuur en de komst van het realisme, biedt dit project een geheel nieuw perspectief op de positie en de functie van Consciences werken in het Vlaamse en Europese literaire veld van de negentiende eeuw. Het project brengt enerzijds een beter begrip van Consciences verteltechnieken en hun ethische dimensies tot stand en herziet anderzijds de literair-historische betekenis van zijn oeuvre. Daarnaast bieden de onderzoeksresultaten een inzicht in de manieren waarop de vorm en inhoud van verhalen de gebruiken, discoursen en denkwijzen van een cultuur tegelijkertijd reflecteren en construeren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Wetenschappers in de groei. STEM-representatie, identiteitsconstructie en actief burgerschap in fictie en nonfictie voor kinderen. 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Geletterdheid rond Science Technology Engineering Mathematics, kortweg STEM, wordt wereldwijd beschouwd als een sleutelfactor voor maatschappelijke groei. In onderzoek en onderwijs wordt dan ook volop ingezet op STEM-educatie. Hierbij blijven cultuuruitingen voor de jeugd, waaronder kinderboeken, grotendeels buiten beeld. Dat is een gemiste kans, want het beeld dat kinderen van wetenschap hebben wordt niet alleen op school of in musea gevormd. Verhalen en boeken dragen bij tot de identiteitsvorming van kinderen, tot hun wereldbeeld, en tot hun perceptie van STEM. Hedendaagse kinderboeken zijn bijzonder divers in de doelgroepen die ze aanspreken, de genres die ze bestrijken en in hun literaire kwaliteit, maar wetenschap als thema duikt telkens opnieuw op. We vinden wetenschappelijke onderwerpen in populaire reeksen, bekroonde boeken (met name in de zogenaamde literaire non-fictie) en als thema van de jeugdboekenweek. Het rijke aanbod aan hedendaagse kinderboeken biedt een gevarieerd beeld van STEM en wetenschappers en kan dan ook een tegengewicht vormen voor de stereotiepe wetenschapper als mannelijk, oud en verward, die kinderen telkens opnieuw aantreffen in de populaire cultuur. Dit onderzoek zet dan ook in op hedendaagse kinder- en jeugdliteratuur als drager van schema's, scripts en metaforen met betrekking tot STEM en zal nagaan hoe die bijdragen aan de beeldvorming rond wetenschappers en wetenschapsbeoefening. Op basis van inzichten uit de cognitieve literatuurwetenschappen wordt een corpus van oorspronkelijk Nederlandstalige fictie en non-fictie voor 6- tot 14-jarigen uit de periode 2000-2015 nauwgezet onderzocht. Ten eerste brengen we de diversiteit van wetenschappers als personages in kinderboeken in kaart. Naast de aandacht voor gender die binnen STEM-educatie als noodzaak gezien wordt, letten we daarbij ook op leeftijd, sociale klasse, raciale identiteit, en fysieke en mentale mogelijkheden. Ten tweede onderzoeken we hoe narratologische kenmerken ingezet worden om kinderen als wetenschappers-in-de-dop aan te spreken. Cruciaal daarbij is de 'agency' die aan wetenschap gekoppeld wordt, namelijk de manier waarop STEM de personages macht en groeimogelijkheden schenkt (of net ontneemt). Vervolgens analyseren we hoe wetenschappelijke kennis en vaardigheden in jeugdliteratuur aangeleerd worden en hoe deze boeken de relatie tussen wetenschap en de maatschappij tekenen. Bijzondere aandacht gaat naar terugkerende scripts, zoals het Eurekamoment of de Frankensteinplot. In dit project worden voor het eerst modellen uit de cognitieve literatuurwetenschap toegepast op jeugdliteratuur over STEM. Daarnaast is het project uniek omdat het zowel fictie als non-fictie bestudeert, en zich richt op een corpus van nauwelijks onderzochte hedendaagse Nederlandstalige kinderboeken. Ten slotte wil het project de brug slaan tussen STEM-educatie en literatuurwetenschap en heeft het daardoor een grote maatschappelijke relevantie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

'Ik schrijf een eigen Claus-taal'. Een stilistische analyse van de taalvariatie in het proza van Hugo Claus (1929-2008) 01/10/2014 - 30/09/2018

Abstract

Taal en taalnormen zijn in België altijd het voorwerp van politiek en cultureel debat geweest. Frans- en Nederlandstaligen stonden daarin doorgaans tegenover elkaar, maar dat betekent niet dat in Vlaanderen altijd eenstemmigheid heerste. Integendeel, sinds het ontstaan van België woedt in Vlaanderen een bijwijlen felle discussie over de te volgen taalnorm, die, schematisch weergegeven, draait om de mate waarin de Vlaming zijn taal aan het (Noord-)Nederlands hoort aan te passen. De bepleiters van de strikte invoering van een (Noord-)Nederlandse norm trokken officieel aan het langste eind, maar in de praktijk liep de aanvaarding en de naleving van deze norm in Vlaanderen lang niet altijd op rolletjes. Lange tijd is er flink geïnvesteerd om de sinds eind 19de eeuw als ABN bekend staande standaard in Vlaanderen te implementeren. Deze standaardiseringsdruk nam in de 20ste eeuw hand over hand toe en sloeg na de Tweede Wereldoorlog om in wat taalkundigen vandaag 'hyperstandaardisering' noemen. Juist in deze periode begint Hugo Claus te experimenteren met een mengtaal van Standaardnederlands en Vlaamse dialecten, die hij zelf bestempelde als 'Claus-taal'. Hoewel Claus behalve een van de meest gelauwerde ook een van de meest bestudeerde auteurs is in het Nederlandse taalgebied, bestaan er precies over deze 'Claus-taal' veel onduidelijkheden. Met mijn onderzoek wil ik de taalvariatie in romans en verhalen van Claus systematisch onder de loep nemen en uitzoeken hoe deze Claus-taal werkt, hoe ze past in de poëtica van de schrijver en hoe ze heeft ingegrepen op de taaldiscussies in Vlaanderen van de voorbije decennia, in het bijzonder de discussie over de zogenaamde 'tussentaal'. Daarbij zal ik taal- en literatuurwetenschappelijke onderzoeksmethoden met elkaar combineren en in het bijzonder enkele vernieuwende, aan het internationale Stylistics-onderzoek ontleende methodes inzetten. Onderhavig voorstel pakt niet alleen een leemte in de Claus-studie aan, maar wil ook op theoretisch niveau het op elkaar betrekken van taal- en literatuurwetenschappelijk onderzoek stimuleren.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Monografie "Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging, 1950-1960". 11/10/2006 - 31/12/2006

Abstract

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)