Onderzoeksgroep

Centrum voor Demografie, Familie en Gezondheid

Expertise

Sarah Van de Velde verricht onderzoek in het domein van gezondheidssociologie en familiesociologie. Specifieke onderzoeksdomeinen omvatten ondermeer genderverschillen in mentale gezondheid en zorggebruik voor mentale problemen, alsook reproductieve gezondheid en vrouwondervriendelijke praktijken (o.a. vrouwenbesnijdenis). Ze verricht hoofdzakelijk interlandelijk vergelijkend onderzoek, waarbij ze een macro-sociologisch perspectief hanteert (bv. de impact van genderongelijkheid of van familiebeleid op mentale gezondheid).

Medicalisering van vrouwelijke genitale verminking (VGV) begrijpen vanuit het perspectief van de praktiserende gemeenschap in Egypte. 01/10/2021 - 30/09/2024

Abstract

In Egypte wordt vrouwelijke genitale verminking (VGV) in toenemende mate gemedicaliseerd (uitgevoerd door professionele gezondheidswerkers in plaats van door traditionele benijdsters). In dit project wil ik onderzoeken hoe deze medicaliseringstrend zich verhoudt tot algemene veranderingen in de praktijk. Dit onderzoek zal leiden tot de ontwikkeling van kennis over (1) hoe moeders de verschillende opties met betrekking tot de VGV van hun dochter (traditionele besnijdenis, gemedicaliseerde besnijdenis of geen besnijdenis) afwegen, en welke betekenis aan deze verschillende opties wordt gegeven; (2) of deze beslissing varieert naar de sociale positie en het sociaal netwerk van moeders, en (3) of deze beslissing varieert tussen jongere en oudere geboortecohorten, en waarom. Zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden zullen gehanteerd worden. Aangezien uit eerder onderzoek blijkt dat de implementatie van anti-VGV-wetgeving niet voldoende is om de praktijk tegen te gaan, is dit onderzoek relevant voor het bredere beleidsdebat. De resultaten van dit onderzoek zullen de empirische basis verbreden voor beleidsdiscussies over de medicalisering van VGV en hoe de seksuele en reproductieve gezondheid van vrouwen kan worden verbeterd. Tegelijkertijd zal dit project bijdragen tot de sociologische theorievorming van medicaliseringsprocessen, die tot op heden zeer beperkt van omvang is en zich voornamelijk richt op praktijken in hoge-inkomenslanden.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een diepteonderzoek naar kwetsbare studenten binnen de Belgische context en hoe hoger onderwijs beleid de weerbaarheid van deze studenten kan versterken. 10/02/2021 - 31/01/2022

Abstract

De COVID-19-epidemie en de bijbehorende maatregelen van de overheid en de instellingen voor hoger onderwijs hebben gevolgen voor het welzijn van studenten en in het bijzonder voor kwetsbare groepen studenten. Wij willen (1) deze impact meten en de kwetsbare groepen identificeren; (2) de maatregelen van het hoger onderwijs en hun relatieve impact op het welzijn in kaart brengen; (3) het waarom en hoe van deze impact identificeren; en uiteindelijk (4) effectieve en haalbare strategieën identificeren en mede-ontwikkelen om deze impact bij toekomstige uitbraken en epidemieën te minimaliseren. Vertaald met www.DeepL.com/Translator (gratis versie)

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De COVID-19 internationale studie rond studenten-welbevinden. 01/12/2020 - 30/11/2021

Abstract

Dit project heeft als doel te onderzoeken wat de impact was van de COVID-19 pandemie op het welbevinden van studenten in het hoger onderwijs. Ons onderzoek bestaat uit drie luiken. In een eerste luik maken we gebruik van de C19 ISWS dataset, die informatie verzamelde over studentenwelbevinden tijdens de eerste golf van de COVID-19 pandemie, en dit is meer dan 100 onderwijsinstellingen uit 26 landen. Met deze data wensen we te onderzoeken (1) in welke mate er verschillen bestaan tussen de verschillende landen en onderwijsinstellingen, (2) hoe deze verschillen in verband kunnen gebracht worden met de beschermende maatregelen geïmplementeerd door de overheden, en (3) door de onderwijsinstellingen. In een tweede luik zoemen we in op de Belgische context, waarbij we de Belgische steekproef van de C19 ISWS combineren met informatie die we verzamelen via focusgroepen met studentenvertegenwoordigers en CIKO medewerkers. Hierbij wensen we niet enkel risicogroepen te identificeren, maar ook te verklaren hoe de geïmplementeerde maatregelen een impact hadden op de studentenpopulatie en op deze risicogroepen, alsook welke coping mechanismen studenten hanteerden tijdens de pandemie. De informatie uit deze twee luiken brengen we samen om beste praktijken te identificeren die het welzijn van de studentenpopulatie kunnen bevorderen tijdens toekomstige epidemieën.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Een onderzoek naar het beslissingsproces bij moeders omtrent de medicalizering van vrouwelijke genitale verminking 01/01/2019 - 31/12/2020

Abstract

Het doel van mijn promotieonderzoek is om een ​​diepgaande studie uit te voeren naar de medicalisering van FGC. Op basis van een uitgebreid literatuuronderzoek heb ik de volgende hypothesen ontwikkeld: H1. Medicalisering van FGC wordt gestratificeerd naar sociaal-economische status; vanwege zowel financiële mogelijkheden als toegenomen kennis over het gezondheidszorgsysteem en mogelijke gezondheidsrisico's van FGC. H2. Medicalisering van FGC werkt op zichzelf als een statussymbool. Het economische vermogen van moeders om hun dochter in een medische context te besnijden, kan bijdragen aan hun sociale status. H3. Medicalisering van FGC werkt als een strategie voor schadebeperking. Wanneer de sociale druk om te snijden groot is, kunnen vrouwen kiezen voor een medische cut (in plaats van helemaal niet te knippen) om de sociale druk op een veiligere alternatieve manier te conformeren. H4. Medicalisering van FGC werkt zelf als een sociale norm. Gemedicaliseerde FGC is de dominante culturele kijk geworden op hoe FGC moet worden uitgevoerd.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Psychische spanningen bij ouders: een vergelijkend onderzoek naar Europese kinderzorgsystemen. 01/10/2017 - 30/09/2021

Abstract

Kinderen brengen vreugde, maar ook stress, vooral onder werkende ouders die werk en kinderzorg moeilijk combineren. Dit onderzoeksvoorstel stelt een aantal stappen voor om na te gaan hoe Europese verzorgingsstaten verschillen in de manier waarop ze de combinatie werk-gezin faciliteren. Sommige Europese welvaartsstaten activeren ouders op de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld door uitgebreide publieke kinderopvang te organiseren. Andere Europese verzorgingsstaten zetten eerder in op ouderschapsverloven, waarmee ze kinderzorg zoveel mogelijk binnen het gezin trachten te houden. Sommige Europese welvaartsstaten combineren beide benaderingen, terwijl anderen de kinderzorg gedragen door gezinnen volledig negeren. In het huidige voorstel onderzoeken we hoe deze Europese variaties in aanpak het psychisch welbevinden van ouders beïnvloedt. Daarbij vergelijken we verschillende typen van huishoudens, bijvoorbeeld het mannelijk kostwinnershuishouden met het tweeverdienershuishouden of alleenstaande ouderhuishoudens. Tot slot kijken we hoe opvang verstrekt door grootouders zich verhoudt ten opzichte van dit kinderzorgbeleid.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De arbeidsparticipatie van koppels voor en na ouderschap: kunnen verschillen in arbeidsmarkttrajecten en bestaansmiddelen de aanhoudende genderspecialisatie in huishoudens verklaren? 01/01/2017 - 31/12/2020

Abstract

De voorbije decennia hebben de meeste Europese landen een forse stijging gekend van vrouwelijke arbeidsparticipatie. De toenemende gendergelijkheid op vlak van onderwijs- en arbeidsmarktuitkomsten ging evenwel niet gepaard met een gelijkaardige evolutie naar gendergelijkheid in huishoudens en families. De genderverdeling van (on)betaald werk blijkt in de praktijk nog steeds ongelijk en ook de arbeidsparticipatie rond ouderschap vertoont meer variatie bij vrouwen dan het geval is bij mannen. Volgens micro-economische theorieën is deze genderspecialisatie in (on)betaald werk de uitkomst van een onderhandeling op basis van de socio-economische positie van beide partners. Naarmate het verdienpotentieel van vrouwen toeneemt, is het voortbestaan van een traditionele rolverdeling binnen huishoudens vanuit dit perspectief evenwel paradoxaal Gendertheorieën stellen daartegen dat de genderverdeling van (on)betaald werk na ouderschap sterk wordt bepaald door culturele normen rond ouderschap waaraan koppels conformeren en waardoor deze normen worden gereproduceerd. Gebruikmakend van gedetailleerde longitudinale gegevens van de Belgische Kruispuntbank voor Sociale Zekerheid en vergelijkende panelgegevens voor een grotere set Europese landen, analyseert dit project de genderverdeling van betaald werk rond ouderschap. Concreet wordt onderzocht in welke mate sprake is van genderverschillen in het vervullen van de economische vereisten voor ouderschap en gezinsvorming (beschikken over voldoende financiële middelen, werkzekerheid,…) en in welke mate differentiële arbeidsmarkt- en loonkenmerken voor ouderschap dus een verklaring kunnen bieden voor het uitdiepen van genderverschillen na ouderschap, dan wel sprake lijkt van hardnekkige genderrollen niettegenstaande de sterkere relatieve inkomens- en arbeidsmarktpositie van vrouwen voor ouderschap.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Vrouwenbesnijdenis in een comparatief perspectief. Een onderzoek naar verandering in prevalentie, type en mate van medicalisering van de praktijk in meerdere Afrikaanse landen. 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Vrouwenbesnijding komtvandaag de dag in meerdere Afrikaanse landen voor. In het huidige onderzoeksvoorstel trachten we de praktijk te onderzoeken door interlandelijke verschillen, alsook verschillen overheen de tijd en tussen generaties te analyseren. Daarvoor maken we gebruik van twee datasets, de Demographic Health Survey en de Multiple Indicator Cluster Surveys. De meeste recente golven van deze datasets verzamelde informatie over vrouwenbesnijdenis in 27 Afrikaanse landen, maar in sommige landen werd reeds informatie verzameld vanaf het jaar 1995. Beide surveys zijn representatieve cross-sectionele bevolkingssurveys met grote steekproeven, meestal tussen 5000 en 15000 huishoudens. Op basis van deze data zal een macro-sociologische analyse van de praktijk van vrouwenbesnijdenis uitgevoerd worden. We onderzoeken hierbij drie onderzoekvragen; (1) of er interlandelijke variatie in de prevalentie, type en graad van medicalisering van vrouwenbesnijdenis kan vastgesteld worden. Ook onderzoeken we trends overheen de tijd en tussen generaties; (2) of de mate van vrouwenemancipatie kan in verband gebracht worden met de prevalentie van vrouwenbesnijdenis bij de moeder en de dochter, en; (3) hoe de implementatie van wetgeving tegen vrouwenbesnijdenis, vaak opgelegd vanuit de internationale gemeenschap, een impact heeft op de lokale gemeenschap en haar verderzetting van vrouwenbesnijdenis.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)