Bodemmicroben ondersteunen de acclimatisatie van graslandplanten aan persistente weersomstandigheden

Klimaatverandering leidt in Noord-Europa tot meer aanhoudende neerslagpatronen, gekenmerkt door langdurige droge en natte periodes. Planten en plantengemeenschappen kunnen zich aan deze omstandigheden aanpassen, waardoor de negatieve effecten worden verminderd. In een nieuwe studie testten Chase Donnelly en collega’s de hypothese dat aanpassingen in het bodemmicrobioom bijdragen aan de acclimatisatie van planten. Hiervoor gebruikten zij bodems uit graslanden die experimenteel waren blootgesteld aan een zeer regelmatig neerslagregime (elke twee dagen), en vergeleken deze met bodems die waren onderworpen aan afwisselende natte en droge perioden van 30 dagen.

De behandeling met aanhoudende neerslag veranderde de schimmelgemeenschappen in de bodem, wat op zijn beurt de reacties van planten beïnvloedde. Twee van de vier plantensoorten vertoonden duidelijke stressgerelateerde aanpassingen. Door informatie over genexpressie (“transcriptie”) te combineren met veranderingen in plantvorm (“fysiologie”) en chemische samenstelling (“biochemie”), laat de studie zien dat blootstelling aan aangepaste bodems bij alle vier graslandplantensoorten gemeenschappelijke responsmechanismen activeerde, zoals interne signaalroutes en stresshormonen. Dit leidde tot versterking van weefsels en een grotere weerbaarheid.

De resultaten onderstrepen het belang van de microbiële ‘erfenis’ van de bodem: deze erfenis beïnvloedt het vermogen van graslandplanten om beter om te gaan met toekomstige veranderingen in neerslagpatronen.