Onderzoeksgroep

Antwerp Centre for Digital humanities and literary Criticism (ACDC)

Expertise

Onderzoek naar jeugdliteratuur, hedendaagse Britse literatuur en leeftijdsstudies. Onderwijs over jeugdliteratuur, leeftijd in literatuur, Britse vrouwelijke auteurs, en de geschiedenis van de Engelstalige literatuur.

Ideologische bias begrijpen door data-gestuurde methodes: cognitieve sociale leerprocessen testen door intersectionele analyse van historische data (c.1800-c.1940) 01/01/2021 - 31/12/2024

Abstract

Ideologische vooringenomenheid met betrekking tot leeftijd, geslacht, etniciteit en sociale klasse is een belangrijk ethisch vraagstuk in de hedendaagse samenleving, dat zowel op macro- als op microniveau een impact heeft op menselijk gedrag. Recente studies tonen aan dat digitale analysemodellen op basis van kunstmatige intelligentie ideologische vooroordelen niet enkel oppikken, maar zelfs versterken op basis van de data waarop de modellen werden getraind. Dit project wil deze ongewenste eigenschap tot een strategisch voordeel omkeren in een studie van ideologische vooringenomenheid in de negentiende en vroege twintigste eeuw (c.1800-c.1940). Recente cognitieve studies maken duidelijk hoe ideologische vooroordelen grotendeels voortkomen uit processen van sociaal leren. Drie gevalstudies bestuderen de ontwikkeling en verspreiding van ideologische vooroordelen in drie cruciale domeinen met een grote maatschappelijke impact: opvoeding (jeugdliteratuur), massacommunicatie (toverlantaarnplaten en -voorstellingen) en regulering (politierapporten). Deze gerelateerde onderzoeksgebieden kunnen bogen op een veelheid aan rechtenvrij gedigitaliseerd materiaal en op reeds bestaand onderzoek. Door de toepassing van standaardprocessen uit digitale leerprocessen willen we impliciete patronen en trends met betrekking tot ideologische vooringenomenheid traceren en deze confronteren met reeds bestaande kennis. Dit project is innoverend, omdat het een methodologie voorstelt die de studie van pixeldata aan de hand van computervisie in het centrum van de geesteswetenschappen plaatst – een beweging die tot dusver weinig aandacht kreeg. Bovendien maakt de grote hoeveelheid data een nieuw intersectioneel onderzoek mogelijk over de constructie van ideologische vooringenomenheid in het verleden door drie verschillende gebieden van sociaal leren en hun corpora voor het eerst met elkaar in verband te brengen. De inbedding in recente cognitieve studies zal ons bovendien in staat stellen om een beter inzicht te krijgen in de impliciete werking van ideologische vooroordelen in het verleden. Op die manier zal een beter begrip ontstaan van wat mensen dachten en hoe dat denken structuur gaf aan hun gedrag en aan hun interactie met de wereld.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Leeftijd in jeugdliteratuur. 01/02/2019 - 31/01/2024

Abstract

Met "Constructing Age for Young Readers" (CAFYR) gaat Vanessa Joosen na hoe leeftijd vorm krijgt in jeugdboeken en of die boeken kunnen bijdragen tot een dialoog tussen generaties. Ze onderzoekt daarbij welke leeftijdsnormen er in Britse, Nederlandse en Vlaamse jeugdboeken te ontdekken zijn. Naast de personages en de visies op leeftijd bestudeert haar team de leeftijd van de auteur, de leeftijd van de beoogde lezer en de leeftijd van de echte lezer. Schrijven jonge auteurs anders over een bepaalde leeftijdscategorie dan oudere auteurs? Snijden schrijvers andere onderwerpen aan of kiezen ze andere soorten personages als ze zelf ouder worden? Verder onderzoeken Joosen en haar team het werk van auteurs die voor verschillende doelgroepen schrijven, zoals kinderen en volwassenen, of kinderen in verschillende leeftijdscategorieën. Dat ze hun stijl en thematiek aanpassen is evident, maar hoe dan precies? Ten slotte gaan de onderzoekers na of lezers van verschillende leeftijden boeken anders interpreteren. Speelt leeftijd een rol bij de thema's die lezers beklemtonen in hun leeservaring of de personages die ze sympathiek vinden? Om al die vragen te beantwoorden bestuderen de onderzoekers 600 kinderboeken en zetten ze verschillende methodes in. Een deel van de analyses zullen met computerprogramma's uitgevoerd worden. Computers gaan op zoek naar patronen in de boeken, en dat levert vaak verrassende resultaten op. Met dit project wil Vanessa Joosen de dialoog over leeftijd stimuleren en meer erkenning vragen voor de gelijkenissen en de diversiteit tussen mensen in alle fasen van het leven.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Leeftijd in jeugdliteratuur 01/02/2019 - 31/01/2024

Abstract

Met "Constructing Age for Young Readers" (CAFYR) gaat Vanessa Joosen na hoe leeftijd vorm krijgt in jeugdboeken en of die boeken kunnen bijdragen tot een dialoog tussen generaties. Ze onderzoekt daarbij welke leeftijdsnormen er in Britse, Nederlandse en Vlaamse jeugdboeken te ontdekken zijn. Naast de personages en de visies op leeftijd bestudeert haar team de leeftijd van de auteur, de leeftijd van de beoogde lezer en de leeftijd van de echte lezer. Schrijven jonge auteurs anders over een bepaalde leeftijdscategorie dan oudere auteurs? Snijden schrijvers andere onderwerpen aan of kiezen ze andere soorten personages als ze zelf ouder worden? Verder onderzoeken Joosen en haar team het werk van auteurs die voor verschillende doelgroepen schrijven, zoals kinderen en volwassenen, of kinderen in verschillende leeftijdscategorieën. Dat ze hun stijl en thematiek aanpassen is evident, maar hoe dan precies? Ten slotte gaan de onderzoekers na of lezers van verschillende leeftijden boeken anders interpreteren. Speelt leeftijd een rol bij de thema's die lezers beklemtonen in hun leeservaring of de personages die ze sympathiek vinden? Om al die vragen te beantwoorden bestuderen de onderzoekers 600 kinderboeken en zetten ze verschillende methodes in. Een deel van de analyses zullen met computerprogramma's uitgevoerd worden. Computers gaan op zoek naar patronen in de boeken, en dat levert vaak verrassende resultaten op. Met dit project wil Vanessa Joosen de dialoog over leeftijd stimuleren en meer erkenning vragen voor de gelijkenissen en de diversiteit tussen mensen in alle fasen van het leven.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

De constructie van adolescentie in experimentele jeugdliteratuur: Een genetische benadering van de Dance-reeks van Aidan Chambers. 01/10/2018 - 30/09/2022

Abstract

Sinds de late jaren '60 heeft de studie van de jeugdliteratuur zich ontwikkeld tot een dynamisch onderzoeksgebied dat invalshoeken uit de letterkunde, sociologie en pedagogie verenigt. Tijdens dezelfde periode groeide de genetische literatuurwetenschap uit tot een onderzoeksveld dat de traditionele filologie en editiewetenschap overstijgt, en dat de zogenaamde avant-texte (documenten die aan de publicatie van een literaire tekst voorafgaan) bestudeert als waardevol onderzoeksmateriaal op zich. Tot op heden was er nog maar weinig interactie tussen de studie van de jeugdliteratuur en de genetische literatuurwetenschap. Dit project zet diepgaand en theoretisch gekaderd tekstgenetisch onderzoek in om meer inzicht te verwerven in de constructie van adolescentie en het concept van de jonge geïntendeerde lezer, dat zo eigen is aan de jeugdliteratuur. De focus ligt daarbij op het schrijfproces van adolescentenromans. Daarnaast vestigt het project de aandacht op de samenwerking die vaak voorafgaat aan de publicatie van een jeugdboek – dit is een proces waar niet alleen mediatoren (zoals uitgevers) bij betrokken zijn, maar ook illustratoren, grafisch vormgevers en soms de jonge lezers zelf. Als casus fungeert het werk van een canonieke, bijzonder uitdagende auteur die zowel gelauwerd als bekritiseerd is voor de manier waarop hij adolescentenliteratuur benadert: Aidan Chambers. Deze Britse auteur kreeg in 2002 de prestigieuze Hans Andersen Medal voor zijn experimentele adolescentenromans. Zijn Dance reeks (1978-2005), vernoemd naar zijn bekendste roman Dance on my grave (Je moet dansen op mijn graf), wordt beschouwd als een mijlpaal. Voor dit project worden items uit zijn notitieboekjes, bronnenmateriaal, manuscripten, typoscripten en correspondentie geselecteerd, getranscribeerd en gedigitaliseerd. Door het schrijfproces van Chambers' Dance series te reconstrueren en te interpreteren draagt het bij tot een beter begrip van de adolescentenromans van deze belangrijke auteur. Hiermee verrijkt het project het veld van de jeugdliteratuurstudie met actuele benaderingen uit de tekstgenetische letterkunde, waaronder programma's uit de digitale literatuurwetenschap, om een beter begrip te krijgen van de creatieve processen die aan jeugdliteratuur voorafgaan. Omgekeerd introduceert het project het begrip "leeftijd" (dat zowel de leeftijd van de auteur als die van de geïntendeerde lezer omvat) als perspectief binnen de tekstgenetische studie van literatuur. Tot slot wordt op basis van de onderzoekspraktijk een methodologie ontwikkeld voor het werken met een levende auteur bij tekstgenetisch onderzoek. Het schrijfproces van Aidan Chambers wordt gevisualiseerd en bestudeerd met Manuscript Web, een digitaal onderzoeksplatform dat speciaal aan de Universiteit Antwerpen ontwikkeld wordt om tekstgenetische edities te maken: het laat de onderzoeker toe om de scans en transcripties van het materiaal te visualiseren en relaties tussen documenten zichtbaar te maken. Gebruikers kunnen zo zelf hun weg zoeken door verschillende soorten documenten (persoonlijke items, notitieboekjes, manuscripten, gepubliceerde versies) en fases in het schrijfproces om te zien hoe het materiaal evolueert. Op het eind van het project krijgen leerkrachten en middelbare scholieren toegang tot het gedigitaliseerde materiaal, samen met een handleiding en onderwijspakket rond de tekstgenese van Chambers' romans. Het doel is om hen te laten reflecteren op schrijfprocessen en de status van (gepubliceerde) teksten, hun kritische leesvaardigheid aan te scherpen, en hen meer inzicht te verschaffen in het werk van Aidan Chambers en de jeugdliteratuur in het algemeen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Kledij en leeftijd in sprookjes en hun hedendaagse bewerkingen 01/05/2020 - 30/04/2021

Abstract

Sprookjes vormen invloedrijke verhalen waarin het verband tussen leeftijd en gender vorm krijgt. Dat gebeurt onder andere via kledij. Het aan- en uitkleden van personages markeert vaak een beweging tussen verschillende maatschappelijke rollen en levensfasen. De jurk die Assepoester aantrekt voor het bal, bijvoorbeeld, wijst niet alleen op een verandering in haar sociale status, maar ook op een nieuwe fase in haar ontwikkeling tot een mogelijke huwelijkspartner voor de prins. Dit project onderzoekt de rol van kleren en accessoires in volksverhalen en sprookjes en heeft daarbij in het bijzonder aandacht voor de leeftijdsgrenzen die door verschillende soorten kleren gekenmerkt worden. Leeftijd is een centraal element in sprookjes, en met name de intersectie tussen leeftijd en gender is bepalend voor de ontwikkeling van personages in zowel volksverhalen als literaire sprookjes. Kleren dragen niet alleen bij tot de constructie van leeftijd en gender in sprookjes, maar markeren ook een maatschappelijk onderscheid tussen het lichaam van kinderen en van volwassenen. In onderzoek naar leeftijd en gender in sprookjes is kledij nog maar zelden onderzocht. Hoewel Catherine Orenstein, Lori Baker-Sperry, Liz Grauerholz en Carol Scott vermelden dat kledij allerlei magische transformaties in de identiteit van de personages markeert, laten zij de relatie tussen kleren, leeftijd en gender onbesproken. Vanessa Joosen onderzocht de constructie van leeftijd en lichamelijke opvattingen in sprookjes, en Christina Bacchilega en Alessandra Levorato bespreken gender in sprookjes. Het project bouwt verder op dit onderzoek voor een eerste systematische, internationale en interdisciplinaire studie van kledij en accessoires in relatie tot leeftijd in sprookjes.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Het effect van multimediale hyperlinks in fictie op leesmotivatie en immersie bij adolescenten: Een empirisch onderzoek. 01/10/2017 - 30/09/2021

Abstract

Zowel op wetenschappelijk als op maatschappelijk vlak heerst er bezorgdheid over het lezen bij jongeren, vooral wat literaire teksten betreft. Door de overvloed van korte, digitale teksten zouden zij minder literaire teksten lezen, dit minder graag en ook minder goed doen. Vooral bij jonge adolescenten is een terugval in lezen vastgesteld. Leesbevorderaars wijzen echter op de nieuwe mogelijkheden van digitale literaire teksten, zoals hypermediafictie. Hypermediafictie biedt de mogelijkheid om literaire teksten op tablet te lezen, voorzien van hyperlinks naar ondersteunende of verdiepende informatie. Hypermediafictie zou een bepaald lezerspubliek, vooral jongeren die niet graag lezen, kunnen aanspreken. Gezien het recente karakter, is onderzoek naar hypermediafictie schaars en is het onduidelijk of hypermediafictie leesmotivatie en immersie kan bevorderen. Dit project beoogt hierop een antwoord te formuleren. Het onderzoek zal gebeuren aan de hand van twee opeenvolgende studies bij 12- en 13-jarigen en hun leerkrachten Nederlands. Vijf romans uit verschillende literaire genres zullen daartoe gebruikt worden. In studie 1 worden leerlingen (N=30) en leerkrachten (N=30) uitgenodigd om naar eigen inzicht hyperlinks aan een roman toe te voegen. Deze studie resulteert in twee datasets: 60 geannoteerde romans en kwalitatieve data op basis van focusgroepen. Deze data geven inzicht in de wenselijkheid van hyperlinks (o.a. type, frequentie) in literaire teksten en hun invloed op leesmotivatie en immersie. De geannoteerde romans vormen de basis voor studie 2. In die studie worden de vijf romans eerst omgevormd tot hypermediafictie. Vervolgens krijgen 200 leerlingen in 5 zogenaamde tabletscholen die romans als lectuur. Elke klasgroep wordt opgedeeld in drie subgroepen. Eén groep leest een roman in hypermediafictie (= experimenteergroep); de andere groepen lezen op tablet (zonder hyperlinks) en op papier (= controlegroepen). Het experiment wordt drie keer uitgevoerd, waarbij de subgroepen van rol wisselen. Zij fungeren allemaal een keer als experimenteergroep. Dataverzameling gebeurt aan de hand van pre-, tussentijdse en postmetingen; monitoring van het klikgedrag in de experimenteergroep en focusgroepen. Het onderzoek zal uitgevoerd worden in nauwe interfacultaire samenwerking tussen FSW/ASoE en FLW.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Wetenschappers in de groei. STEM-representatie, identiteitsconstructie en actief burgerschap in fictie en nonfictie voor kinderen. 01/10/2016 - 30/09/2020

Abstract

Geletterdheid rond Science Technology Engineering Mathematics, kortweg STEM, wordt wereldwijd beschouwd als een sleutelfactor voor maatschappelijke groei. In onderzoek en onderwijs wordt dan ook volop ingezet op STEM-educatie. Hierbij blijven cultuuruitingen voor de jeugd, waaronder kinderboeken, grotendeels buiten beeld. Dat is een gemiste kans, want het beeld dat kinderen van wetenschap hebben wordt niet alleen op school of in musea gevormd. Verhalen en boeken dragen bij tot de identiteitsvorming van kinderen, tot hun wereldbeeld, en tot hun perceptie van STEM. Hedendaagse kinderboeken zijn bijzonder divers in de doelgroepen die ze aanspreken, de genres die ze bestrijken en in hun literaire kwaliteit, maar wetenschap als thema duikt telkens opnieuw op. We vinden wetenschappelijke onderwerpen in populaire reeksen, bekroonde boeken (met name in de zogenaamde literaire non-fictie) en als thema van de jeugdboekenweek. Het rijke aanbod aan hedendaagse kinderboeken biedt een gevarieerd beeld van STEM en wetenschappers en kan dan ook een tegengewicht vormen voor de stereotiepe wetenschapper als mannelijk, oud en verward, die kinderen telkens opnieuw aantreffen in de populaire cultuur. Dit onderzoek zet dan ook in op hedendaagse kinder- en jeugdliteratuur als drager van schema's, scripts en metaforen met betrekking tot STEM en zal nagaan hoe die bijdragen aan de beeldvorming rond wetenschappers en wetenschapsbeoefening. Op basis van inzichten uit de cognitieve literatuurwetenschappen wordt een corpus van oorspronkelijk Nederlandstalige fictie en non-fictie voor 6- tot 14-jarigen uit de periode 2000-2015 nauwgezet onderzocht. Ten eerste brengen we de diversiteit van wetenschappers als personages in kinderboeken in kaart. Naast de aandacht voor gender die binnen STEM-educatie als noodzaak gezien wordt, letten we daarbij ook op leeftijd, sociale klasse, raciale identiteit, en fysieke en mentale mogelijkheden. Ten tweede onderzoeken we hoe narratologische kenmerken ingezet worden om kinderen als wetenschappers-in-de-dop aan te spreken. Cruciaal daarbij is de 'agency' die aan wetenschap gekoppeld wordt, namelijk de manier waarop STEM de personages macht en groeimogelijkheden schenkt (of net ontneemt). Vervolgens analyseren we hoe wetenschappelijke kennis en vaardigheden in jeugdliteratuur aangeleerd worden en hoe deze boeken de relatie tussen wetenschap en de maatschappij tekenen. Bijzondere aandacht gaat naar terugkerende scripts, zoals het Eurekamoment of de Frankensteinplot. In dit project worden voor het eerst modellen uit de cognitieve literatuurwetenschap toegepast op jeugdliteratuur over STEM. Daarnaast is het project uniek omdat het zowel fictie als non-fictie bestudeert, en zich richt op een corpus van nauwelijks onderzochte hedendaagse Nederlandstalige kinderboeken. Ten slotte wil het project de brug slaan tussen STEM-educatie en literatuurwetenschap en heeft het daardoor een grote maatschappelijke relevantie.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Project website

Onderzoek in het domein van de jeugdliteratuur in de Lage Landen. 22/02/2010 - 31/12/2012

Abstract

Dit project kadert in een onderzoeksopdracht toegekend door de Universiteit Antwerpen. De promotor levert de Universiteit Antwerpen de onderzoeksresultaten genoemd in de titel van het project onder de voorwaarden zoals vastgelegd door de universiteit.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Van "Schwarz wie holz" tot "Zwart als inkt": De Nederlandstalige vertalingen en bewerkingen van "Sneeuwwitje" in het kader van de literatuurhistorische receptie van de sprookjes van Grimm. 01/10/2008 - 03/02/2012

Abstract

Dit onderzoek stelt zich tot doel om de belangrijkste tendensen in de Nederlandstalige receptie van Grimm in kaart te brengen. In eerste instantie worden de populariteit en de status van de Grimm sprookjes onderzocht aan de hand van "Sneeuwwitje." Dit sprookje wordt als een paradigmatische casus genomen, en er wordt onderzocht in welke verschillende tekstuele verschijningsvormen dit specifieke verhaal zijn weg heeft gevonden naar de Nederlandstalige lezer in de periode van 1812 tot 2007 (vertalingen, bewerkingen, geïllustreerde versies, literaire parodieën). In tweede instantie wordt nagegaan hoe de aan- of afwezigheid van stilistische, structurele, narratologische en inhoudelijke aanpassingen in de vertalingen, bewerkingen en parodieën van "Sneeuwwitje" verklaard kan worden binnen de heersende en wisselende opvattingen rond kinderen, jeugdliteratuur, sprookjes en fantasieliteratuur (voor zowel kinderen als volwassenen), de positie van de jeugdliteratuur in het literaire systeem, en de visies op vertalen.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Sprookjes opnieuw bekeken. Studie over de intertekstuele dialoog tussen sprookjestheorie en Duitse, Engelse en Nederlandse sprookjesbewerkingen in de periode van 1970 tot 2000. 01/10/2005 - 30/09/2007

Abstract

Sinds de jeugdliteratuur door de literatuurwetenschappers serieus wordt genomen als onderzoeksveld, worden vooral sprookjes uitvoerig bestudeerd. De meeste aandacht ging tot nu toe uit naar de sprookjes die verzameld zijn door de gebroeders Grimm. `Volwassen' literatuurtheorieën zoals de psychoanalyse, het feminisme, structuralisme en poststructuralisme hebben gezorgd voor nieuwe perspectieven op de oude teksten. Tegelijkertijd was en is er een levendige belangstelling voor de sprookjes bij auteurs en illustratoren. Schrijvers verzinnen nieuwe sprookjes en herschrijven de traditionele versies, en die verhalen worden vaak uitgegeven met vernieuwende illustraties. Voor mijn doctoraatsproject onderzoek ik de wisselwerking tussen het theoretisch discours over sprookjes enerzijds en de fictiebewerkingen anderzijds. Hoewel in beide genres vaak dezelfde ideeën uitgedrukt worden, hebben ze hun eigen mogelijkheden en beperkingen. Aangezien kinderen meestal geen toegang hebben tot literatuurtheoretische teksten, kunnen de sprookjesbewerkingen gedeeltelijk dezelfde functie vervullen: vaak bieden zij immers een kritische blik op de versies van Grimm.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)

Sprookjes opnieuw bekeken. Studie over de intertekstuele dialoog tussen sprookjestheorie en Duitse, Engelse en Nederlandse sprookjesbewerkingen in de periode van 1970 tot 2000. 01/10/2003 - 30/09/2005

Abstract

Sinds de jeugdliteratuur door de literatuurwetenschappers serieus wordt genomen als onderzoeksveld, worden vooral sprookjes uitvoerig bestudeerd. De meeste aandacht ging tot nu toe uit naar de sprookjes die verzameld zijn door de gebroeders Grimm. `Volwassen' literatuurtheorieën zoals de psychoanalyse, het feminisme, structuralisme en poststructuralisme hebben gezorgd voor nieuwe perspectieven op de oude teksten. Tegelijkertijd was en is er een levendige belangstelling voor de sprookjes bij auteurs en illustratoren. Schrijvers verzinnen nieuwe sprookjes en herschrijven de traditionele versies, en die verhalen worden vaak uitgegeven met vernieuwende illustraties. Voor mijn doctoraatsproject onderzoek ik de wisselwerking tussen het theoretisch discours over sprookjes enerzijds en de fictiebewerkingen anderzijds. Hoewel in beide genres vaak dezelfde ideeën uitgedrukt worden, hebben ze hun eigen mogelijkheden en beperkingen. Aangezien kinderen meestal geen toegang hebben tot literatuurtheoretische teksten, kunnen de sprookjesbewerkingen gedeeltelijk dezelfde functie vervullen: vaak bieden zij immers een kritische blik op de versies van Grimm.

Onderzoeker(s)

Onderzoeksgroep(en)