Opleiding
Micro-credential Erfgoed: tools voor herbestemming en restauratie van gebouwd erfgoed
- Studieomvang: 9 ECTS credits
- Onderwijstaal: Nederlands/English
- Locatie: Stadscampus
- Faculteit: Faculteit Ontwerpwetenschappen
Lesinhoud
Deze micro-credential bestaat uit twee opleidingsonderdelen.
In Heritage Materials and Degradation komen verschillende materiaalgroepen aan bod. In de studie van die materialen worden volgende onderwerpen behandeld: (1) Grondstoffen: oorsprong en chemische aard (elementair); (2) Productiemethodes, met nadruk op historische methodes; (3) Micro- en macroscopische structuur; (4) Eigenschappen en degradatiemechanismen; en (5) Toepassingen in het gebouwde erfgoed.
Bouwhistorisch onderzoek vormt een introductie tot de discipline van het bouwhistorisch onderzoek. Het biedt een algemeen overzicht van wat dit type van onderzoek inhoudt, in welke vormen het frequent toegepast wordt binnen het werkveld en hoe een dergelijk onderzoek ondernomen dient te worden. Hierbij wordt ook een basis aan vakspecifieke terminologie aangeleerd. Studenten krijgen een overzicht van de belangrijkste bronnen en informatiekanalen voor bouwhistorisch onderzoek en leren hoe deze te gebruiken. Tevens leren zij om een gefundeerde waardenbepaling op te maken.
Praktische organisatie
- Heritage Materials and Degradation: hoorcolleges (lesopnames beschikbaar), excursie, practicum. Deelname aan de excursie en practicum is verplicht. Bijkomende plaatsbezoeken en stadswandelingen vinden plaats tijdens de contactmomenten.
- Bouwhistorisch onderzoek: hoorcolleges, excursies
Leerdoelen
In deze micro-credential staan de volgende leerdoelen centraal.
1. De deelnemer kan enkele vaak gebruikte materialen in West-Europees erfgoed beschrijven, met een focus op gebouwd erfgoed.
2. De deelnemer kan de oorsprong van de grondstoffen en van de samenstellende chemische elementen, alsook de productiewijze ervan toelichten.
3. De deelnemer kan de belangrijkste eigenschappen van de materialen benoemen en daardoor verbanden leggen tussen hun (micro-)structuur, hun gebruik in erfgoedgebouwen en de manier(en) waarop ze verweren.
4. De deelnemer kan de vakterminologie correct gebruiken.
5. De deelnemer kan op het zicht de aard en oorzaak van de schade inschatten.
6. De deelnemer kan enkele centrale aspecten van de geomorfologie onderscheiden en een wetenschappelijk en correct verslag van een steengroeve excursie opstellen.
7. De deelnemer kan de veiligheidsvoorschriften correct toepassen.
8. De deelnemer weet wat bouwhistorisch onderzoek inhoudt en in welke vormen dit onderzoek wordt toegepast binnen het vakgebied.
9. De deelnemer weet hoe een waardebepaling opgemaakt moet worden en kent de decretale waarden die daarbij gehanteerd worden.
10. De deelnemer kent de gevestigde methodologieën voor het voeren van bouwhistorisch onderzoek.
11. De deelnemer beschikt over een basiskennis van de voornaamste bronnen die voor bouwhistorisch onderzoek gebruikt worden.
12. De deelnemer weet via welke databanken, overzichtswerken, archiefdepots en andere kanalen naar geschikt bronnenmateriaal gezocht kan worden.
13. De deelnemer kan zijn theoretische kennis van de verschillende thema's van de cursus toepassen op een concrete casus
Evaluatie
- Heritage Materials and Degradation: schriftelijk examen en permanente evaluatie op basis van opdrachten en medewerking tijdens contactmomenten
- Bouwhistorisch onderzoek: schriftelijk werkstuk