Vooraleer een dierproef kan starten, dient deze ter evaluatie en goedkeuring voorgelegd te worden aan de ECD. De UAntwerpen onderschrijft het principe dat het belang van dierproeven voor fundamenteel en toegepast onderzoek overwogen moet worden in relatie met het effect op de betrokken proefdieren.

De ECD heeft als opdracht te garanderen dat deze overweging op een degelijke en uniforme wijze wordt uitgevoerd. Daarbij neemt de ECD het zogenaamde “3V principe” ( verminderen, verfijnen en vervangen van dierproeven) in acht. De ECD sluit hiermee aan bij de bezorgdheden van de publieke opinie en de vereisten van de wetgever.

De ECD wordt gevormd door interne en externe leden met expertise op het vlak van ethiek, alternatieve methoden voor dierproeven, dierengezondheid en -welzijn alsook op het vlak van onderzoekstechnieken, proefopzet en statistische analyse.

Extra informatie

Samenstelling

De ECD werd opgericht op 28 september 2001 en is actueel samengesteld uit 14 effectieve en 2 waarnemende leden.

Het dagelijkse bestuur van de ECD bestaat uit Prof. Dr. Chris Van Ginneken (voorzitter), Dries Knapen (ondervoorzitter),  en Dr. Debby Van Dam (wetenschappelijk secretaris). Verder bestaat de commissie uit labodirecteurs, proefleiders en biotechnici uit de Faculteit Farmaceutische, Biomedische en Diergeneeskundige Wetenschappen, de Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen en de Faculteit Wetenschappen. Tenslotte maken ook de toezichthoudende dierenartsen en externe leden deel uit van de ECD.

Aanpassingen aan nieuwe wetgeving

De ECD aanvraagformulieren zijn aangepast aan de nieuwe Belgische wetgeving en nieuwe ethische matrix 

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • Ook terminale experimenten worden als dierproef beschouwd, waardoor 4 mogelijke niveaus van ongemak kunnen aangeduid worden: "terminaal", en de reeds gekende "P1", "P2" en "P3". Terminale experimenten omvatten dierproeven waarbij het dier onder anestesie gebracht wordt om interventies te ondergaan, maar na afloop niet meer ontwaakt uit deze anesthesie. Het louter opofferen van dieren op een ethisch verantwoorde wijze om weefsel te collecteren dient ook volgens de nieuwe proefdierwet niet als dierproef beschouwd te worden.
     
  • De ECD dient jaarlijks niet-technische samenvattingen van alle beoordeelde dossiers aan het betrokken FOD - Dienst Dierenwelzijn te bezorgen.
    Er werd hiervoor een document opgesteld door het FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu volgens een gestandaardiseerd Europees model. Dit document dient elke ECD aanvraag te vergezellen.
    Onderzoekers die reeds eerder in 2013 een dossier indienden, zullen verzocht worden dit retrospectief in te vullen en aan het ECD secretariaat te bezorgen.
     
  • De ECD zal een retrospectieve analyse dienen uit te voeren bij alle dossiers met P1-P3.
    Wanneer uw dossier afloopt zal u aangeschreven worden met de vraag het formulier in te vullen en tijdig (binnen de maand) terug te bezorgen aan de ECD.

Koninklijk besluit (mei 2013)

Europese wetgeving

Euthanasie op proefdieren

Varia

Universiteit investeert in proefdiersparende technieken

Inleiding

Het gebruik van proefdieren is een relevant maatschappelijk thema. Wanneer UAntwerpen dierexperimenteel onderzoek doet, stelt ze de drie V's centraal met het oog op het welzijn van het dier: vervanging waar mogelijk, vermindering en verfijning van proeven. 

Critici laten geregeld hun stem horen. De noodzakelijkheid en de ethische aspecten van het gebruik van proefdieren zijn onderwerp van een verantwoord maatschappelijk debat, maar het staat onomstotelijk vast dat de medische vooruitgang grotendeels te danken is aan dierproeven.

Wanneer we vandaag over een medicijn tegen polio beschikken, is dat alleen omdat dierexperimenteel onderzoek voor een doorbraak zorgde. Als er al stappen gezet zijn in de behandeling van slaap- en hartproblemen, parkinson, alzheimer en vele andere ziektes, is dat alleen omdat wetenschappers er met behulp van onderzoek op proefdieren in lukten om de codes te kraken. Veel complexe en levensreddende chirurgische ingrepen zijn er vandaag de dag alleen omdat er dierexperimenteel onderzoek aan vooraf ging.

Ook op de Universiteit Antwerpen wordt er wetenschappelijk onderzoek op proefdieren verricht. Het spreekt voor zich dat dergelijk onderzoek aan erg strenge en strikt nageleefde regels voldoet. Die regels worden niet door de eigen wetenschappers of de universiteit zelf opgesteld, maar worden opgelegd door de overheden, zowel op Belgisch als op Europees niveau.

Zo weinig mogelijk

Als een wetenschapper een experiment met proefdieren wil opstarten, moet hij of zij vanzelfsprekend voldoen aan de geldende criteria. Een door de overheid erkende ethische commissie voor dierproeven buigt zich over elk ingediend onderzoeksproject. In de commissie zetelen naast interne leden ook diverse externe experts, met ervaring op het vlak van ethiek, alternatieve methoden voor dierproeven, dierengezondheid en -welzijn.

Die commissie onderwerpt elk voorstel aan een uitgebreide en diepgaande ethische en wetenschappelijke analyse. Het onderzoek dient relevant te zijn met betrekking tot het mogelijk verwerven van kennis en inzichten die kunnen bijdragen tot biomedische toepassingen. Bij deze analyse staat steeds het welzijn van de dieren centraal met het oog op de drie V’s: vervanging waar mogelijk, vermindering en verfijning van dierproeven.

Dat die uitgangspunten voor de Universiteit Antwerpen geen loze waarden zijn, blijkt onder meer uit de forse investeringen die de universiteit de voorbije jaren deed in proefdiersparende technieken. Zo werd er onder meer geïnvesteerd in niet-invasieve onderzoeksmethoden. Die investeringen gebeurden en gebeuren zowel in het fundamenteel als in het toegepast wetenschappelijk onderzoek.

Toegepast onderzoek, bijvoorbeeld voor het testen van medicijnen, kan niet zonder voorafgaandelijk fundamenteel of basisonderzoek. Dat laatste is absoluut noodzakelijk om het onderliggende mechanisme van bijvoorbeeld een ziekte of stoornis te doorgronden.

De Universiteit Antwerpen zal ook in de toekomst voortdurend en van nabij de evoluties op het vlak van dierexperimenteel onderzoek volgen, steeds met het oog op het welzijn van het dier.