Sociale Wetenschappen

Doctoraatsverdedigingen

Doctoraatsverdediging Kenza Lamot (Departement Communicatiewetenschappen) - Metrics for News. The Uses and Effects of Analytics in Journalism - 1/10/2021

  • Promovendus: Kenza Lamot
  • Promotoren: Prof. dr. Steve Paulussen, Prof. dr. Peter Van Aelst
  • Praktisch: 01/10/2021, 16u30, Promotiezaal Grauwzusters; graag je aanwezigheid bevestigen voor 24/9 via kenza.lamot@uantwerpen.be 

Nederlandstalig abstract

Om te meten hoe het publiek vandaag interageert met het nieuws op hun websites, maken nieuwsmedia gebruik van analytics, zoals Chartbeat, SmartOcto en Google Analytics. Dat zijn analytische tools die in real-time data en statistieken (zogenaamde “metrics”) geven over het aantal keer dat een artikel aangeklikt, gedeeld of becommentarieerd wordt. Ook in Vlaanderen hebben nieuwsmedia de voorbije jaren analytics omarmd. De manier waarop de “metrics” gebruikt worden en welke impact ze hebben op de redactionele keuzes die journalisten maken, is echter nog weinig onderzocht. Dit proefschrift stelt zich de vraag hoe Vlaamse redacties analytics gebruiken en welke effecten dit gebruik heeft op de keuzes die journalisten maken tijdens de nieuwsselectie en op het nieuwsaanbod zelf. Het wil onder meer nagaan of de groeiende aandacht voor klik- en leescijfers de keerzijde zou kunnen hebben dat het nieuwsaanbod verschuift in de richting van zachtere, triviale onderwerpen die het publiek meer te behagen.

Op basis van de resultaten van vier empirische studies komen we tot een aantal inzichten en conclusies. In een eerste studie maken we een onderscheid tussen zes doeleinden waarvoor analytics vandaag worden gebruikt op Vlaamse nieuwsredacties. Analytics worden onder meer gebruikt voor contentoptimalisatie zoals (1) de plaatsbepaling (2) de presentatie (3) selectie en (4) imitatie van een artikel, maar daarnaast ook als (5) performantiemaatstaf en als (6) proxy voor publieke opinie. De digitale redacteurs die ik interviewde toonden zich enthousiast over de mogelijkheden van de tools, maar relativeerden ook de impact die het zou hebben op de nieuwsselectie; volgens hen primeren de redactionele keuzes op de gebruikersstatistieken. In een tweede studie, gebaseerd op een enquête onder politieke journalisten, toonden we aan dat het gebruik van analytics positief correleert met een positieve attitude tegenover analytics. Wie er actief gebruik van maakt, en dat zijn vaak jongere journalisten, staan minder sceptisch tegenover het nut en de impact van analytics op het journalistieke werk dan de (gemiddeld oudere) journalisten die voornamelijk of enkel passief blootgesteld worden aan metrics. Dat journalisten, wanneer ze geconfronteerd worden met ‘stijgende’ of ‘dalende’ metrics, daar ook rekening mee houden om de plaats van een artikel op de website te bepalen, suggereert een experiment dat we uitvoerden bij politieke journalisten. Het effect van metrics op de selectiekeuze van de journalisten zagen we echter enkel bij ‘zachte’ nieuwsheadlines, maar verdween bij ‘harde’ nieuwsheadlines. In een laatste studie gaan we, aan de hand van een grootschalige inhoudsanalyse, dieper in op de vraag of het gebruik van analytics bijdraagt tot een verdere “verzachting” van het nieuwsaanbod. We stellen vast dat de Facebookselectie drijft op zachtere inhoud op basis van de analytics.

De algemene conclusie die we uit het onderzoek trekken is dat web analytics nieuwsredacties helpen om de vinger aan de pols van het publiek te houden. Het stelt hen in staat om het nieuwsaanbod nog beter af te stemmen op de interesses en voorkeuren die het publiek kenbaar maakt via clicks, shares en reacties op nieuwsberichten. Toch is waakzaamheid geboden, want ons onderzoek toont ook aan dat de sterke focus op metrics een invloed heeft op de keuzes die journalisten maken tijdens de nieuwsselectie en op het aanbod van het nieuws dat online en via Facebook wordt aangeboden, dat zowel in themaselectie als in nieuwsstijl lijkt te “verzachten”.

Engelstalig abstract

To measure how audiences interact with the news on their websites nowadays, news media use audience analytics, such as Chartbeat, SmartOcto and Google Analytics. These are analytical tools that provide real-time data and statistics (so-called "metrics") on the number of times an article is clicked, shared or commented on. In recent years, news media in Flanders have embraced analytics as well. However, the way in which "metrics" are used and what impact they have on the editorial choices that journalists make has not yet been investigated. This dissertation questions how Flemish editors use analytics and what effects they have on choices journalists make during news selection and on the news offer itself. It wants to examine, among other things, whether the growing attention for click and reading figures could have the downside that the news supply shifts towards softer, trivial topics that are more appealing to the public.

Based on the results of four empirical studies, we arrive at a number of insights and conclusions. In a first study, we distinguish six purposes for which analytics are used today in Flemish newsrooms. Analytics are used for content optimization such as (1) placement (2) packaging (3) planning and (4) imitation of an article, but also as (5) performance evaluation and for (6) audience conception. The digital editors that I have interviewed, expressed enthusiasm for the tools' capabilities, but they also put the impact it would have on news selection into perspective; in their view, editorial choices take precedence over user statistics. In a second study, based on a survey of political journalists, we showed that the use of analytics correlates positively with a positive attitude towards analytics. Those who actively use them, and these are often younger journalists, are less skeptical about the usefulness and impact of analytics on journalistic work than the (on average older) journalists who are mainly or only passively exposed to metrics. An experiment that we conducted with political journalists suggests that journalists, when faced with “rising” or “falling” metrics, also take them into account to determine the place of an article on the website. However, the effect of metrics on the journalists' selection choice was only seen for “soft” news headlines but disappeared for “hard” news headlines. In a final study, using a large-scale content analysis, we take a closer look at whether the use of analytics contributes to further "softening" of news headlines. We find that Facebook selection drives softer content based on analytics.

The overall conclusion we draw from the study is that audience analytics help newsrooms keep their finger on the pulse of the public. It allows them to even better tailor news offerings to the interests and preferences expressed by audiences through clicks, shares and comments to news stories. Still, vigilance is needed, as our research also shows that the strong focus on metrics has an impact on the choices that journalists make during news selection and on the range of news offered online and through Facebook, which seems to "soften" in both topic selection and news style.

Doctoraatsverdediging Dries Verhelst (Departement Opleidings- en Onderwijswetenschappen) - Sustainable Schools for Sustainable Education: characteristics of an ESD-effective school - 1/10/2021

  • Promovendus: Dries Verhelst
  • Promotoren: prof. dr. Jan Vanhoof & prof. dr. Peter Van Petegem
  • Datum 01/10/2021 om 15u
  • Locatie: W. Elsschotzaal en de T. Greshamzaal in het Hof van Liere
  • Graag je aanwezigheid bevestigen voor 24/09 via dries.verhelst@uantwerpen.be 

Abstract

Shifting towards sustainability requires continuous action, both in education and in society as a whole. As the students of today will be the ones who have to continue and preserve the strive towards sustainability, education has the responsibility to prepare them for this. With education for sustainable development (ESD), schools can offer an integrated holistic, pluralistic and action-orientated approach, and equip students with the competencies needed to act on sustainable development challenges.

By investigating the school as an organisation, this dissertation offers insight into the key organisational characteristics facilitating ESD. The first study defines the framework of an ESD-effective school organisation via a literature study. This framework, which is the base for the subsequent studies in this thesis, consists of eight characteristics: sustainable leadership, school resources, pluralistic communication, supportive relations, collective efficacy, adaptability, democratic decision-making and shared vision. In study 2 the conceptual framework is qualitatively validated in order to evaluate how it stands up to scrutiny in the real world. 19 teachers and school leaders from schools actively engaged with ESD were asked what organisational characteristics they deem essential for an ESD-effective school and how they perceive the theoretical framework for an ESD-effective school. Next, a measurement instrument for the different organisational characteristics was developed and validated in study 3. This instrument, the ‘Education for Sustainable Development School Organisational Questionnaire’ (ESD SOQ), was then used in the last study of this thesis. In this effectiveness study, the school organisation and its key characteristics are linked to student outcomes of ESD: the students’ action competence in sustainable development. Using a multilevel approach, it was established that the school organisational level does affect the outcomes of ESD. The findings suggest that students in schools where characteristics sustainable leadership, pluralistic communication, supportive relations, adaptability and democratic decision-making are present and effectively applied have a stronger elicitation of action competence in sustainable development.

This dissertation deepens our understanding of the organisational characteristics of a school in relation to ESD. Findings indicate that school organisations and the characteristics defined in this dissertation are of material importance when it comes to ESD-effectiveness. This offers several perspectives for follow-up research on the effectiveness of school organisations in ESD. Moreover, building on the findings of both conceptual, qualitative and quantitative research, this thesis brings a simple, yet powerful message: schools can affect the outcomes of ESD, and we are starting to understand the processes behind this.

Doctoraatsverdediging Gert Thielemans (departement Sociologie) - Is knowing half the battle? Anticipating the consequences of relationship dissolution - 27/09/2021

  • Promovendus: Gert Thielemans
  • Promotor: prof. dr. Dimitri Mortelmans
  • Locatie: Grauwzusters, Stadcampus, 15u
  • Bevestigen voor: 20 september bij gert.thielemans@uantwerpen.be; nadien volgt een receptie. 


Abstract

No one enters into a romantic relationship with the express intention of breaking up, but when it happens, ex-partners and their families are often faced with a number of detrimental consequences. But what if you could see the future? Do those who foresee the end of their relationship have an advantage over those who do not? Do they take steps to deal with the expected fallout beforehand? In this doctoral thesis, I uncover if and how relationship dissolution in general, and divorce in particular is experienced differently by those who did or did not see it coming. Although the results clearly show that expecting a separation leads to accelerated recovery, the mechanisms through which anticipation has an effect remain unclear.

PhD defence Natalie Kowalik (Department of Communication Sciences) - The National and Transnational in South Africa’s Post-apartheid Film Policy: Shifting Discourses on Film/National Identity and the Cultural/Creative Industries (1994 – 2018) - 24/09/2021

  • Promovendus: Natalie Kowalik
  • Promotor: prof. dr. Philippe Meers
  • Date: 24/09/2021, 5 PM, online
  • Register for this defence by sending an e-mail to natalie.kowalik@uantwerpen.be before 21/09/2021

Abstract

In this PhD thesis I discuss how South Africa’s government film policy has attempted to shape the national post-apartheid film industry. Through a large-scale study, based on both a stakeholder and interpretive policy analysis, I locate key policy actors and industry stakeholders who have been involved in the film policy process for over more than two decades. In addition, I trace how policy discourses (such as cultural nationalism) which were once present in South Africa’s film policy, have now shifted to align with new policy frames and discourses, where film has been subsumed within the creative industries agenda, which can also be seen in global policies.

Following the 1994 democratic elections the South African government appointed its newly established Ministry of Arts, Culture, Science and Technology to conduct extensive investigations into the creation of a new post-apartheid film industry, one that would redress past imbalances and promote South Africa’s cultural identities to both domestic and international audiences. Film was identified as a key sector in the cultural industries with the idea that it would be able to promote a national identity essential for social cohesion and political transformation. This was vital as previous apartheid policies left South Africa’s society divided along racial lines. Over the past decade the creative economy has been identified as a major driving force for economies in both developed and developing countries. South Africa is no exception. Media industries (including film) are considered as a key sector within the creative economy with the potential for job creation, innovation, and social inclusion. These discourses can be seen in South Africa’s current policies and development strategies where film policy formulation has become the responsibility of multiple policy actors.

Due to film being recognised as having the potential for both cultural and economic development, policymakers are faced with the question of how to balance film as a commercial product with film as a cultural good. Framed within the field of film policy, cultural policy and media policy studies this study includes an extensive analysis of published material including commercial and government media (white papers, legislation, development strategies) as well as in-depth interviews with 56 key South African policy actors and industry stakeholders. Through the use of an interpretive policy analysis, I examine how South Africa’s film policy has changed over the past 24 years from film being identified as a tool for the development of a national culture, to film being viewed as part of the creative industries for national development. In doing so I locate South Africa’s film policy within broader African and global film policies and offer alternative ways to rethink ‘film policy’ as part of a larger cultural economy.

Nederlandse samenvatting

In dit proefschrift  wordt onderzocht hoe de Zuid-Afrikaanse overheid middels filmbeleid heeft geprobeerd de nationale post-apartheidsfilmindustrie vorm te geven. Door middel van een grootschalig onderzoek, gebaseerd op zowel een stakeholder als een interpretatieve beleidsanalyse, worden belangrijke beleidsactoren en belanghebbenden uit de industrie geïdentificeerd, die al meer dan twee decennia betrokken zijn bij het filmbeleidsproces. Daarnaast wordt onderzocht hoe beleidsdiscoursen (zoals cultureel nationalisme), die ooit aanwezig waren in het Zuid-Afrikaanse filmbeleid, inmiddels zijn verschoven naar nieuwe beleidskaders en discoursen, waar film is opgenomen in de agenda van de creatieve industrie. Dit is ook te zien in het mondiale beleid.

Na de democratische verkiezingen van 1994 benoemde de Zuid-Afrikaanse regering haar nieuw opgerichte ministerie van Kunst, Cultuur, Wetenschap en Technologie om uitgebreid onderzoek te doen naar het vormen van een nieuwe post-apartheidsfilmindustrie. Deze zouden onevenwichtigheden uit het verleden herstellen en de culturele identiteit van Zuid-Afrika bevorderen voor zowel binnenlandse als internationale publieken. Film werd geïdentificeerd als een sleutelsector in de culturele industrie met het idee dat het in staat zou zijn om een nationale identiteit te bevorderen die essentieel is voor sociale cohesie en politieke transformatie. Dit was van vitaal belang omdat het vorige apartheidsbeleid de Zuid-Afrikaanse samenleving verdeeld liet langs raciale lijnen. In de afgelopen tien jaar is de creatieve economie aangemerkt als een belangrijke motor voor economieën in zowel ontwikkelde als ontwikkelingslanden. Zuid-Afrika is daarbij geen uitzondering. Media-industrieën (waaronder film) worden beschouwd als een belangrijke sector binnen de creatieve economie met het potentieel voor het scheppen van banen, innovatie en sociale inclusie. Deze discoursen zijn terug te zien in de huidige beleids- en ontwikkelingsstrategieën van Zuid-Afrika, waar de formulering van het filmbeleid de verantwoordelijkheid is geworden van meerdere beleidsactoren.

Omdat het potentieel van film wordt erkend voor zowel culturele als economische ontwikkeling, worden beleidsmakers geconfronteerd met de vraag hoe film als commercieel product in evenwicht kan worden gebracht met film als cultureel goed. Gekaderd in het gebied van filmbeleid, cultuurbeleid en mediabeleidsstudies omvat deze studie een uitgebreide analyse van gepubliceerd materiaal, waaronder commerciële en overheidsmedia (witboeken, wetgeving, ontwikkelingsstrategieën) en diepteinterviews met 56 belangrijke Zuid-Afrikaanse beleidsactoren en belanghebbenden uit de industrie. Door middel van een interpretatieve beleidsanalyse wordt onderzocht hoe het filmbeleid van Zuid-Afrika de afgelopen 24 jaar is geëvolueerd van de notie van film als een instrument voor de ontwikkeling van een nationale cultuur, naar het idee van film als onderdeel van een creatieve industrie voor nationale ontwikkeling. Daarbij wordt het filmbeleid van Zuid-Afrika gelokaliseerd binnen een breder Afrikaans en mondiaal filmbeleid en worden alternatieve manieren voorgesteld om 'filmbeleid' te herzien als een onderdeel van een grotere culturele economie.

Doctoraatsverdediging Esther Abimbola Ariyo - The wellbeing of armed conflict affected children in Northeast Nigeria - 08/09/2021

ABSTRACT

Children are often the most vulnerable in armed conflict and displacement. This is because armed conflict and displacement affects all aspects of children lives. Although numerous humanitarian activities are targeted at mitigating negative consequences on conflict affected children, yet evidence regarding factors that are essential for mitigating negative consequences of the armed conflict are scant. Most previous studies focus on the assessment of the negative effect of armed conflict on children, and consequently provide little evidence base for targeted policies and intervention towards the care of conflict affected children.

This research explores the relationship among ecological microsystem factors, humanitarian intervention activities and the wellbeing of armed conflict affected children in Nigeria using the Lippman domains of child wellbeing. A mixed method (qualitative and quantitative) approach was used to elicit data from 385 children and eleven Adults from six communities in Borno and Adamawa state of North east Nigeria.

Result indicates the importance of relationship within the microsystem level of the child with emphasis on positive parent -child relationship as important to conflict affected children wellbeing in North east Nigeria. Aside, the relationship variables (with teachers, peer and parents) within the children microsystem level of the child with parents, peer and teachers, ease of meeting basic needs, livelihood support intervention and education support were also significant to the children wellbeing. This study therefore recommends   that intervention and policies targeted at conflict affected children should work on supporting the   children microsystem relationship variable within the school and the home.

Name: Esther Abimbola Ariyo

Promotors : Dimitri Mortelmans and Edwin Wouters

Title dissertation: The wellbeing of armed conflict affected children in Northeast Nigeria



Doctoraatsverdediging Ward Nouwen (departement OOW) - VET as a Cure and a Cause of Student Disengagement? Analyses of Motivation and Engagement of Students in Flemish Vocational Education and Training - 15/09/2021

  • Promovendus: Ward Nouwen
  • Promotor(s): prof. dr. Noel Clycq & prof. dr. Christiane Timmerman (†)
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: 15 september 2021 om 17u in F. de Tassiszaal, Hof van Liere


Abstract

Het algemene doel van deze doctoraatsstudie was om belangrijke mechanismen bloot te leggen die een lage schoolbetrokkenheid verklaren en hiermee de relatief hoge niveaus van vroegtijdig schoolverlaten in het Vlaamse beroepsgericht onderwijs te adresseren. In deze betrachting onderzochten de vier gepubliceerde studies strategieën om voorbij te gaan aan de focus op sociaal-demografische risico-indicatoren bij het verklaren van vroegtijdig schoolverlaten die vaak de beleidsdiscours domineren. Deze dissertatie streefde naar een omvattend raamwerk dat uitgaat van de empirisch onderbouwde stelling dat vroegtijdig schoolverlaten – in de meeste gevallen – een eindpunt is van een geleidelijk proces van een tanende schoolbetrokkenheid. Vandaar dat dit proefschrift factoren en processen op het systemische (macro-), contextuele (meso-) en student- (micro-)niveau – of zogenaamde zelfsysteem – met elkaar in verband brachten om schoolbetrokkenheid te analyseren als een voorspeller voor vroegtijdig schoolverlaten in het beroepsgericht onderwijs. 

De eerste studie ondersteunde het idee dat de systemische en institutionele context van (groot-)stedelijke scholen met een beroepsgericht studieaanbod in Vlaanderen een relevante context bieden om de strategieën van leerlingen te bestuderen om met stereotype dreiging om te gaan. Deze studie ontrafelde of en hoe leerlingen in beroepsgericht onderwijs die worden gestereotypeerd voor een lage academische motivatie en vaardigheden, proberen te voorkomen dat deze stereotypes hun academische zelfbeeld schaden door (1) hun academische zelfbeeld los te koppelen van hun prestaties, (2) door negatieve feedback van leerkrachten als oneerlijk bevooroordeeld te beschouwen en (3) door zich persoonlijk te distantiëren van de doelen die in het onderwijs worden gesteld. De studie droeg ook bij aan de literatuur over effecten van stereotype dreiging door de impact van de leercontext – i.e. de leerling-leerkrachtrelatie – op effecten van stereotype dreiging in rekening te brengen.

Wanneer de bevindingen van de eerste studie in het bredere kader van het proefschrift worden geplaatst, met name door de toevoeging van het Self-system Model for Motivational Development (SSMMD), komt zelfbehoud en -ontwikkeling op de voorgrond, hetgeen op zijn beurt gerelateerd wordt met schoolbetrokkenheid. Voor wat betreft de psychologische behoeften die aan de basis liggen van het model, met name het zich autonoom, verbonden en competent voelen, leidt dit proefschrift af dat stereotype dreiging gerelateerd aan beroepsgericht onderwijs de volgende effecten heeft op zelfsysteemprocessen:

  • Wat betreft het zich autonoom voelen, voorspelt de coping strategie van het zich persoonlijk distantiëren van onderwijsdoelen lagere niveaus van autonome motivatie voor schools leren. De doelen die in het onderwijsdomein worden gesteld corresponderen zo immers minder met de persoonlijke doelen van de leerlingen.
  • Met betrekking tot gevoelens van verbondenheid, wijzen de meer negatieve leerling-leerkrachtrelaties in het beroepsgericht onderwijs overtuigend op lagere niveaus van verbondenheid met de school.
  • Negatieve stereotypen over lagere academische vaardigheden en motivatie bij beroepsleerlingen zijn schadelijk voor hun academische zelfbeeld en versterken op hun beurt het optreden van psychologische ontkoppeling tussen academische prestaties en het zelfbeeld, het wegwuiven van negatieve feedback van leerkrachten als oneerlijk en het zich persoonlijk distantiëren van onderwijsdoelen.

Het SSMMD maakte het mogelijk om het zelf te verbinden met ondersteuning in de directe (leer)context, terwijl de theorie over stereotype dreiging helpt om het zelfbehoud van een gestigmatiseerde groep leerlingen te contextualiseren binnen een gestratificeerd onderwijssysteem. Desalniettemin bestaat er – ook in een onderwijssysteem waarin sociaal-demografische kenmerken belangrijke risico-indicatoren vormen voor vroegtijdig schoolverlaten – een significante marge om kansarmoede te bestrijden, of met andere woorden, voor een veerkrachtig onderwijs. In een poging te begrijpen waar de bronnen voor deze veerkracht kunnen liggen, bouwde dit proefschrift voort op de notie van betrokkenheid en meer in het bijzonder op de antecedenten hiervan in de leercontexten en zelfsysteemprocessen van leerlingen. Het SSMMD biedt een omvattend model voor het bestuderen van deze antecedenten in de contexten van beroepsleerlingen, i.e. het gezin, de school en de werkplek, evenals de psychologische basisbehoeften die de ontwikkeling van het zelf stimuleren en daarom schoolbetrokkenheid helpen verklaren. De tweede en derde studie ontrafelen de antecedenten van schoolbetrokkenheid in de gezins- en schoolse context. Hoewel de meeste hypothesen op basis van de SSMMD werden bevestigd, konden sommige relaties dat niet. In de discussie werden deze laatste bevindingen in verband gebracht met ander relevant onderzoek binnen het Vlaamse beroepsgericht onderwijs.

De vierde studie neemt de leercontext van werkplekleren in het beroepsgericht onderwijs mee in rekening. Deze studie leverde aanvullende inzichten op over het meten en verdiepen van het begrip van het SSMMD in relatie tot de context van werkplekleren. Over het algemeen boden de bevindingen empirische ondersteuning voor de relevantie van het SSMMD in de context van werkplekleren. Het maakte het potentieel van het bestuderen van werkplek- en schools leren als twee onderling verbonden leercontexten zichtbaar en stimuleert wetenschappers om op een hybride manier onderzoek te voeren naar leerbetrokkenheid en in het ontwerpen van leeromgevingen de grenzen tussen beide leerdomeinen verder te overstijgen.

Doctoraatsverdediging Margot Chauliac (Departement OOW) - Treading the tightrope. Towards a deeper understanding of completing self-report questionnaires on student learning and its related data quality - 31/08/2021

  • Promovendus: Margot Chauliac
  • Promotor(s): Prof. dr. Vincent Donche & Prof. dr. David Gijbels
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: Dinsdag 31 augustus 2021, 14u30 – Frederik De Tassiszaal

Abstract

Zelfrapportagevragenlijsten zijn een veelgebruikt instrument om overtuigingen, attitudes, gevoelens en meningen te meten in diverse onderzoeksdomeinen. Ze stellen onderzoekers in staat om grote groepen respondenten op een snelle, goedkope en toegankelijke manier te bevragen. Vanwege deze voordelen worden vragenlijsten vaak gebruikt om het leren van studenten in kaart te brengen en vervolgens ook feedback te geven op deze gerapporteerde leeraanpak. Het geven van deze feedback op leerlingniveau veronderstelt dat de individuele scores ook betrouwbaar zijn, maar onderzoek wijst uit dat dit niet altijd het geval is. Een kritische houding tegenover het gebruik van deze vragenlijsten is dus nodig. Veel onderzoekers stellen dat respondenten, bewust of onbewust, niet altijd in staat zijn om accuraat te antwoorden op de gestelde vragen en pleiten er daarom voor andere technieken te gebruiken die beter aansluiten bij de leerstrategieën van respondenten waarin men inzicht wil krijgen. Ondanks de kritiek blijven zelfrapportagevragenlijsten een unieke en waardevolle bron van informatie over veel cruciale aspecten van de leerprocessen van respondenten. Ze bieden onderzoekers inzicht in de percepties die respondenten hebben over hun leergedrag. Er is momenteel weinig bekend over hoe respondenten vragenlijsten invullen en hoe dit de kwaliteit van de verzamelde gegevens beïnvloedt. Een beter begrip van het antwoordproces kan de beoordeling van de datakwaliteit vergemakkelijken.

In deze dissertatie proberen we aan de hand van drie verschillende studies meer inzicht te krijgen in het invulproces van zelfrapportagevragenlijsten over het leren van studenten en de gerelateerde datakwaliteit. Op basis van de uitkomsten van dit proefschrift benadrukken we de toegevoegde waarde die zelfrapportagevragenlijsten kunnen hebben in onderwijsonderzoek en -praktijk. Ondanks de kritiek dat respondenten niet in staat zijn nauwkeurig verslag te doen van hun leerprocessen, en daarom onzorgvuldig antwoorden op de gestelde vragen, is het voornaamste probleem niet respondenten die onzorgvuldig antwoorden, maar eerder het falen om deze respondenten op te sporen. De resultaten van de verschillende studies tonen aan dat het gebruik van statistische technieken een goede eerste stap is om onzorgvuldig antwoordgedrag op te sporen, maar dat het geen eindpunt mag zijn. Om meer inzicht te krijgen in de cognitieve processen is oogbewegingsregistratie een goed hulpmiddel.

Doctoraatsverdediging Boukje Compen (Antwerp School of Education) - Making sure the penny drops – An evaluation of implementation strategies intended to enhance the effectiveness of financial literacy education - 25/06/2021

  • Promovendus: Boukje Compen
  • Promotoren: Wouter Schelfhout (UAntwerpen) en Kristof De Witte (KU Leuven)
  • Datum: 25 juni 2021 om 15.00, online. De link om deel te nemen volgt na inschrijving. 
  • Graag je aanwezigheid bevestigen voor 22 juni bij boukje.compen@uantwerpen.be. Gelieve het ook aan te geven wanneer je een (digitale) versie van het doctoraat wenst te ontvangen.  

Summary

Financial literacy is considered an important twenty-first century life skill, as the ability to make well-informed financial decisions decreases financial fragility of both individual households and society at large. Since only one-third of the adults worldwide are financially literate, governments are increasingly providing both school-based and non-school based financial literacy education. However, financial literacy education programmes tend to impact the financial knowledge of individuals to a larger extent than their financial behaviours. This is disadvantageous, as financial well-being is mainly determined by financial behaviour. Therefore, these findings raise the question of how the effectiveness of financial literacy education could be improved. This dissertation aimed to find an answer to this question by evaluating two implementation strategies for financial literacy education.

The first implementation strategy evaluated concerned the effectiveness of three types of teacher professional development (TPD) initiatives. Although competent teachers are considered essential in the impact of financial literacy education on student outcomes, it has been shown that the majority of teachers lack the capabilities that are required to teach financial topics effectively. Therefore, it was examined in this dissertation whether increasing teacher quality through TPD could enhance the effectiveness of financial literacy education.

The second implementation strategy was based on insights from behavioural economics, in which it is recognised that the decision-making process is influenced by psychological factors such as cognitive biases. The effectiveness of financial literacy education— especially in terms of financial behaviours— may benefit from efforts that raise individuals’ awareness of the non-rational factors influencing decision-making. Therefore, in this dissertation, it was evaluated to what extent an intervention that enhances awareness of cognitive biases, and herding bias in specific, influences financial decisions. 

Multiple empirical methods— ranging from large-scale randomized controlled trials to case study research— were used to evaluate the two strategies. The results indicated that the TPD initiatives had a positive impact on students’ financial literacy and/or teacher outcomes. The integration of similar efforts could, therefore, be a successful means to enhance the effectiveness of financial literacy education. In addition, it was shown that a warning message appears to be insufficient to rationalise the financial decision-making process by debiasing herding behaviour. Further research is needed to explore whether the integration of efforts that intend to raise awareness on the role of psychological factors in the decision-making process, could improve the effectiveness of financial literacy education in terms of financial behaviours.

Samenvatting

Financiële geletterdheid wordt beschouwd als een belangrijke 21e-eeuwse levensvaardigheid, omdat het vermogen om weloverwogen financiële beslissingen te nemen de financiële kwetsbaarheid van zowel individuele huishoudens als de samenleving als geheel vermindert. Omdat slechts een derde van de volwassenen wereldwijd financieel geletterd is, bieden overheden steeds vaker financiële educatie aan, zowel op scholen als daarbuiten. Echter, het effect van financiële educatieprogramma’s op de financiële kennis van individuen is over het algemeen groter dan het effect op financieel gedrag. Dit is ongunstig omdat financieel welzijn uiteindelijk vooral wordt bepaald door financieel gedrag. Deze bevindingen roepen dan ook de vraag op hoe de effectiviteit van financiële educatie kan worden verbeterd. Dit proefschrift was erop gericht om een antwoord te vinden op deze vraag door twee implementatiestrategieën voor financiële educatie te evalueren.

De eerste geëvalueerde implementatiestrategie betreft de effectiviteit van drie typen van professionaliseringsinitiatieven. Ondanks dat competente leerkrachten als essentieel beschouwd worden een positief effect van financiële educatie op leerlinguitkomsten, werd aangetoond dat de meerderheid van de leerkrachten de competenties mist die nodig zijn om effectief les te kunnen geven over financiële onderwerpen. Daarom werd in dit proefschrift onderzocht of het verbeteren van leerkrachtkwaliteit door middel van professionalisering de effectiviteit van financiële educatie kan verhogen.

De tweede implementatiestrategie was gebaseerd op inzichten uit de gedragseconomie, waarin wordt erkend dat financiële beslissingen worden beïnvloed door psychologische factoren zoals cognitieve denkfouten. De effectiviteit van financiële educatie—voornamelijk in termen van financiële gedragingen—kan mogelijk voordeel hebben van inspanningen die bewustzijn creëren van irrationele factoren die het beslissingsproces beïnvloeden. Daarom werd in dit proefschrift geëvalueerd in welke mate een interventie die het bewustzijn van cognitieve denkfouten, en meer bepaald de neiging tot kuddegedrag, vergroot, van invloed is op financiële beslissingen.

Verschillende empirische methoden—variërend van grootschalige gerandomiseerde gecontroleerde experimenten tot case study onderzoek— werden gebruikt om de strategieën te evalueren. De resultaten toonden aan dat de professionaliseringsinitiatieven een positief effect hadden op de financiële geletterdheid van leerlingen en/of op de leerkrachtuitkomsten. Het integreren van soortelijke inspanningen kan daarom een succesvolle methode zijn om de effectiviteit van financiële educatie te verbeteren. Daarnaast bleek het tonen van een waarschuwingsbericht onvoldoende om het financiële beslissingsproces te rationaliseren. Verder onderzoek is nodig om te bestuderen of de integratie van inspanningen die gericht zijn op het creëren van bewustzijn van de rol van psychologische factoren in het beslissingsproces, de effectiviteit van financiële educatie in termen van financiële beslissingen kan verbeteren.


Doctoraatsverdediging Sara De Bruyn (Departement Sociologie) - Studying on Stimulants. The Misuse of Prescription Stimulants as Study Aids among Flemish Higher Education Students - 16/06/2021

  • Promovendus: Sara De Bruyn
  • Promotor(s): Edwin Wouters, Guido Van Hal, Koen Ponnet
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: Woensdag 16 juni om 14u, online (de link stuur ik hen op als ze hun aanwezigheid bevestigen)
  • Graag je aanwezigheid bevestigen voor vrijdag 11 juni bij sara.debruyn@uantwerpen.be; link om deel te nemen volgt na inschrijving

Summary

The misuse of prescription stimulants, such as Ritalin®, has received increasing attention both in the public and the academic sphere. These stimulants are normally prescribed to people with ADHD, but students sometimes use them to increase their study performances. Despite alarming prevalence rates and concerns with respect to safety, research on stimulant misuse is still in its infancy. This PhD thesis will address two main research objectives: (1) demand side: Understand the prevalence, determinants and process of misusing stimulants among Flemish students, and (2) supply side: Understand the sources students use to acquire these stimulants as well as the off-label prescribing behavior of general practitioners. A mixed-method research design is used.

First, the results show that 8.5% of students have ever used prescription stimulants to enhance their performance without it being part of a treatment (e.g., ADHD). Second, multiple personal (e.g., self-perceived ADHD, academic stress), social (e.g., living situation, social norm) and cultural (e.g., competitive study-environment, financial worries) factors were identified as risk factors of students’ intention to misuse stimulants. Third, analyses indicated four subtypes of misusers: (1) the normalization subtype indicates having concentration problems and structurally uses stimulants to deal with these problems; (2) the rescue subtype is able to study without stimulants, but occasionally uses them to cope with high academic demands and/or personal stressors; (3) the experimental subtype does not have an academic need to use stimulants, but temporarily uses them out of curiosity; and (4) the performance subtype also not really needs the medication, but perceives it as a convenient tool to structurally facilitate academic life. Finally, the results showed GPs’ perspectives on whether or not to off-label prescribe stimulants to students for academic purposes. Results identified two groups of GPs: (1) hard-liners who strictly follow medical guidelines and who would only prescribe in case of an appropriate diagnosis and (2) context-dependent GPs who would prescribe stimulants depending on the patients’ problems/symptoms and extent of need. GPs’ decisions depend on one-on-one doctor-patient interactions (i.e., the extent of empathy from the doctor and the extent of assertiveness from the patient); the extent to which GPs define concentration problems as medical problems; GPs’ interactions with fellow health care workers; as well as GPs’ interaction with the wider patient community. Based on these results, several prevention initiatives are proposed.

Doctoraatsverdediging Jonas Willems (Departement OOW) - Examining the early first-year experience: Straying from traditional research paths on transition to higher education - 10/06/2021

  • Promovendus: Jonas Willems
  • Promotor(s): Vincent Donche en Liesje Coertjens
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: Donderdag 10 juni, 10.00u. Online verdediging.
  • Bevestig je aanwezigheid voor 7 juni via  jonas.willems@uantwerpen.be 


Nederlandstalig abstract

Er kunnen twee grote onderzoeksdomeinen onderscheiden worden in de literatuur over de transitie naar het hoger onderwijs. Het eerste onderzoeksdomein is het meest traditionele, en omvat studies die harde, objectieve uitkomstvariabelen (academische prestaties) voorspellen. In deze groep van studies wordt doorgaans verondersteld dat studiesucces van studenten gelijk staat aan het behalen van goede academische prestaties. Meer recent heeft een tweede onderzoeksdomein aan belang gewonnen in de transitie-literatuur, waarin de onderzoeksfocus op academische prestaties wordt vervangen door een focus op zachte, subjectieve variabelen. Studies in dit domein onderzoeken de percepties van studenten van hun “eerstejaarservaring”, en erkennen dat dergelijke zachte variabelen op zichzelf ook essentiële (uitkomst)variabelen zijn. Dit laatste komt ook overeen met de opkomende conceptie dat studiesucces van studenten voorbij gaat aan enkel academische prestaties, en ook meer subjectieve variabelen omhelst, zoals het niveau van aanpassing aan de nieuwe omgeving of mentale welzijn van eerstejaarsstudenten. Dit doctoraat draagt bij aan beide onderzoeksdomeinen.

Vier onderzoeksdoelen werden vooropgesteld. Hierbij zijn we van start gegaan in dit doctoraatsproject met een traditionele benadering van onderzoek naar de transitie naar het hoger onderwijs. Vooreerst richtten we ons in de eerste twee onderzoeksdoelen specifiek op de voorspelling van academischeprestaties, waarbij deze harde, objectieve uitkomstvariabelen centraal in het studie-opzet stonden. Daarnaast was onze onderzoeksfocus bij aanvang van het project gericht op academische eerstejaarscontexten in het hoger onderwijs, waar inderdaad de overgrote meerderheid van het transitieonderzoek wordt uitgevoerd. In de loop van het doctoraatsproject zijn we echter steeds meer van deze traditionele onderzoekspaden afgeweken, naarmate onze onderzoeksinteresse meer verschoof naar de transitie in professionele hoger onderwijscontexten, en naarmate zachte, subjectieve variabelen meer centraal kwamen te staan in onze studies.

De eerste twee onderzoeksdoelen situeren zich binnen het eerste onderzoeksdomein (focus op  voorspellen van academische prestaties): (1) het onderzoeken van de incrementele waarde van diverse niet-cognitieve variabelen bij het voorspellen van de vroege academische prestaties van studenten in een academische hoger onderwijscontext, bovenop cognitieve factoren; (2) nagaan in hoeverre de verklarende waarden van leerstrategieën, motivationele variabelen, en algemene academische aanpassing in het voorspellen van academische prestaties, verschillen tussen academische en professionele hoger onderwijscontexten. De laatste twee onderzoeksdoelen situeren zich in het tweede onderzoeksdomein (focus op de subjectieve eerstejaarservaring): (3) de belangrijkste vroege eerstejaarservaringen van studenten in het professioneel hoger onderwijs blootleggen; (4) het ontwikkelen van een zelfrapportagevragenlijst die een beeld geeft van de belangrijkste ervaringen van eerstejaarsstudenten tijdens hun transitie in een professionele hoger onderwijscontext, en het onderzoeken van de criterium-gerelateerde validiteit van deze ervaringsschalen met betrekking tot mentaal welzijn en de academische prestaties. In het proefschrift worden de bevindingen van bovenstaande vier onderzoeksdoelen uitvoerig besproken.

English abstract

Two major strands of research can be discerned in the literature on transition to higher education. The first strand of research is the most traditional one, and includes studies that predict hard, objective outcome variables (i.e., academic achievement). This type of studies typically maintain the traditional notion that student success equals academic achievement. However, more recently, a second strand of research has gained importance in transition literature, wherein the research focus on academic achievement is substituted by a focus on more soft, subjective key variables. Studies in this latter strand of research focus on students’ perceptions of the first-year experience, acknowledging that soft variables are essential (outcome) variables in their own right. This also resonates with the upcoming conception of several scholars that student success goes beyond merely academic achievement, also comprehending more subjective variables, such as students’ levels of adjustment or mental well-being. This dissertation contributes to both major research strands

Four research goals were put forth. We started out this PhD project adopting a rather traditional approach towards research on transition to higher education. First of all, in the first two research goals, we specifically focused on the prediction of academic achievement, where these hard, objective outcome variables were situated in the very centre of the study designs. Secondly, at the start of the project, our research focus was aimed at academic first-year higher education contexts, where indeed the vast majority of transition research typically is undertaken. Throughout the PhD project, however, we have increasingly strayed from these traditional research paths, as our research interest shifted more towards the first-year transition in professional higher education contexts, and as soft, subjective variables became more central in our studies.

The first two research goals are situated within the first research strand (concerned with the prediction of academic achievement): (1) examining the incremental value of a variety of non-cognitive variables in predicting students’ early academic achievement in an academic higher education context, over and above cognitive factors; (2) examining to what extent the explanatory values of learning strategies, motivational variables, and general academic adjustment in predicting first-year academic achievement differ across academic and professional higher education contexts. The last two gaps, then, are situated in the second strand of transition research (concerned with the subjective first-year student experience): (3) examining the most important early first-year experiences of first-year students in professional higher education; (4) developing a self-report questionnaire that provides a comprehensive picture of the most important experiences of first-year university college students during their transition, and examining the criterion related validity of these experience scales with regard to mental well-being and academic achievement. The findings of the aforementioned four research goals are detailed in this dissertation.

PhD defence Bastiaan Redert (Department of Political Science) - Between a Rock and a Hard Place: Stakeholder Involvement as a Legitimation Strategy in European Union Agencies - 25/05/2021

  • Promovendus: Bastiaan Redert (Department of Political Science)
  • Promotor(s): prof Peter Bursens & prof Jan Beyers
  • Title:  Between a Rock and a Hard Place: Stakeholder Involvement as a Legitimation Strategy in European Union Agencies
  • Date: 25 May, 2021 - 3 PM (online event) 
  • Confirm your attendance before 19 May 2021 at bastiaan.redert@uantwerp.be 


SUMMARY

The European Union and its regulatory agencies are stuck between a rock and a hard place when involving societal stakeholders. On the one hand, agencies are expected to involve stakeholders to avoid allegations of being technocratic and distant policymaking. On the other hand, however, opening the door for stakeholders induces the risk for agency capture. Yet, it remains unknown whether stakeholder involvement as an institutional instrument indeed contributes to the agencies’ legitimacy. Therefore, the central research question of this dissertation is ‘To what extent does stakeholder involvement foster or inhibit balanced interest representation in EU regulatory agencies?’

This dissertation’s answer is based on two pillars. First, a theoretical pillar challenges the link built between stakeholder involvement, democracy and legitimacy. It argues that legitimacy is a social relationship and thus cannot be evaluated by simply comparing the EU’s institutional design to a democratic ideal. It reconceptualises legitimacy as a social relation and argues that stakeholder involvement is a mere legitimation strategy. To evaluate a legitimation strategy, scholars should assess whether the EU’s claims to be more democratic do in fact translate into improved policies or institutional designs.

The second pillar, consisting of four empirical chapters, does exactly so, and focuses on the formal consultation instruments of the European Supervisory Authorities (ESAs): three regulatory agencies operating in the policy field of financial regulation. Each of the empirical chapters assesses the participation of stakeholders in formal consultation procedures, i.e. public consultations and advisory councils. To this end, it collected all stakeholders’ responses to public consultations organised by the ESAs from 2004-2014. Moreover, to analyse the advisory councils, qualitative interviews were conducted with the members of these councils.

Based on these data, this dissertation shows that both the public consultations and the advisory councils are dominated by business interests. Participation in the public consultations remains largely stable over time, and although new stakeholders enter the arena, they remain peripheral actors. Also in the advisory councils, non-business interests such as consumer groups face difficulties in contributing to the meetings, allowing business interests to influence the councils.

These findings place a critical note to the idea that stakeholder involvement would automatically foster legitimate policymaking. Instead, stakeholder involvement is a legitimation strategy which the EU uses to legitimate their policymaking efforts. Investigating stakeholder involvement in three agencies, this dissertation shows that involving stakeholders might do more harm than good. The results show that it does not overcome, and sometimes even induces, biased interest representation. This implies that stakeholder involvement as an instrument to improve agencies’ legitimacy is flawed and should be considered with care.

SAMENVATTING

De Europese Unie en haar regelgevende agentschappen bevinden zich in een benarde situatie als het gaat om het betrekken van maatschappelijke stakeholders. Enerzijds moeten de agentschappen stakeholders betrekken om niet technocratisch en ondemocratisch geacht te worden. Anderzijds kunnen agentschappen beïnvloed worden door deze stakeholders, en riskeren ze zo economische belangen te bevoordelen bij het maken van beleid. Tot nu toe blijft het onbekend of het betrekken van stakeholders als institutioneel instrument inderdaad kan bijdragen aan de legitimiteit van EU-agentschappen. Daarom is de centrale onderzoeksvraag in dit proefschrift ‘In hoeverre bevordert of remt het betrekken van stakeholders een evenwichtige belangenvertegenwoordiging in regelgevende agentschappen van de EU?’

Het antwoord van dit proefschrift is gebaseerd op twee pijlers. De eerste pijler betwist de theoretische link die is gelegd tussen het betrekken van stakeholders, democratie en legitimiteit. Het proefschrift stelt dat legitimiteit een sociale relatie is en daarom niet kan worden beoordeeld door het institutionele ontwerp van de EU te vergelijken met een democratisch ideaal. Het beschouwt legitimiteit als een sociale relatie en stelt dat de betrokkenheid van stakeholders louter een legitimatiestrategie is. Om zo’n legitimatiestrategie te evalueren, moet men beoordelen of de claims van de EU zich daadwerkelijk vertalen in verbeterd beleid.

De tweede pijler, bestaande uit vier empirische hoofdstukken, evalueert deze legitimatiestrategie. Deze pijler richt zich op de formele consultatie-instrumenten van de European Supervisory Authorities (ESA’s): drie regelgevende agentschappen die actief zijn op het gebied van financiële regulering. De empirische hoofdstukken analyseren de deelname van stakeholders aan twee formele consultatie-instrumenten, namelijk openbare consultaties en adviesraden. Om deze instrumenten te analyseren, gebruikt dit proefschrift de data van alle reacties van stakeholders op de openbare consultaties van de ESA’s die zijn georganiseerd tussen 2004-2014. Voor de analyse van de adviesraden, zijn er kwalitatieve interviews afgenomen met de leden van deze raden.

Op basis van deze data laat dit proefschrift zien dat beide consultatie- instrumenten gedomineerd worden door economische belangen. De deelname aan de openbare consultaties blijft grotendeels stabiel in de loop van de tijd, en hoewel nieuwe stakeholders de beleidsnetwerken betreden, blijven zij perifere actoren. Ook in de adviesraden hebben niet-economische belangen zoals consumentengroepen moeite om bij te dragen, waardoor het economische belangen vrij staat om de raden te beïnvloeden.

Deze bevindingen plaatsen een kritische noot bij het idee dat het betrekken van stakeholders automatisch beleidsprocessen zou legitimeren. Het betrekken van stakeholders is slechts een legitimatiestrategie die de EU gebruikt om haar beleid te legitimeren. Echter, zoals dit proefschrift laat zien, kan het betrekken van stakeholders meer kwaad dan goed doen. De resultaten tonen aan dat het kan leiden tot een scheve belangenvertegenwoordiging in het voordeel van economische belangen. Dit impliceert dat het betrekken van stakeholders niet automatisch leidt tot het verbeteren van de legitimiteit van agentschappen. Daarom moet men zorgvuldig overwegen of het betrekken van stakeholders in beleidsprocessen wenselijk is of niet.

PhD defence Linda Sīle - Databased research in context: Exploration of contextual features of national databases for research output in the social sciences and humanities - 07/05/2021

  • Promovendus: Linda Sīle
  • Supervisors: Dr. Raf Guns, Prof. Dr. Tim Engels
  • Date of the defence:  Friday, May 7, 2021. 2 pm. Online.
  • Contact information: linda.sile@uantwerpen.be

Abstract

The aim of this thesis is to contribute to the understanding of contextual features of national databases of research output and the role these features play in the understanding of research within the social sciences and humanities. 

This mixed-methods thesis consists of four separate studies, each one contributing to the understanding of a particular aspect of databases for research output. The focus of the first study is on the identification and description of national databases for research output for social sciences and humanities currently operational in Europe. It is based on data collected through two surveys. The first survey gathered responses from 39 countries in Europe and identified more than 20 national databases. The key finding of the second survey is the identification of a variation in terms of different aspects of comprehensiveness (e.g., research output types, authors, institutions). The second study makes use of bibliometric research methods and explores how the choice of disciplinary classifications for journals in the social sciences and humanities influences bibliometric analysis. The findings of this study show that the choice of disciplinary classifications does not equally affect all analyses. While the changes in the absolute number of publications can be substantial, the changes in the relative number of publications are typically small. The third study also employs bibliometric methods and demonstrates an approach to construct complexity-sensitive book metrics for scholarly monographs. This approach takes into account that scholarly monographs can be complex works consisting of different translations, editions, and physical manifestations and results in a typology of different scholarly monographs: Globally-visible single-expression works, Globally-visible multi-expression works (GVME), Globally invisible works, and Miscellaneous. The fourth empirical study employs qualitative research methods to explore the conceptualisations that underpin national databases for research output. The findings show that there are two different database logics—Enlightenment and New Public Management—that shape the way these databases are designed and run.

The main conclusion that can be drawn from this thesis is that contextual features of databases for research output are of utmost importance. Databases for research output are created differently and for different purposes thus setting limits to the uses of these databases. Furthermore, this study highlights that the understanding of national databases for research output requires understanding of both the debates on such databases that take place in different knowledge domains and the specifics of research and research governance where the database for research output is situated.


Doctoraatsverdediging Jolijn De Roover (Departement Politieke Wetenschappen) - The Players and the Playing Field: How local governments practise autonomy - 06/05/2021

  • Promovendus: Jolijn De Roover
  • Promotor: prof. dr. Wouter Van Dooren
  • Titel thesis: The Players and the Playing Field: How local governments practise autonomy 
  • Datum en startuur: 6 mei van 15-17u 
  • Contactinformatie: Jolijn.DeRoover@uantwerpen.be
  • Bevestigen voor 4 mei

Abstract

Vele Europese landen hebben in de afgelopen decennia inspanningen geleverd om de autonomie van steden en gemeenten te vergroten. Het versterken van de lokale democratie en het verhogen van de efficiëntie en effectiviteit van beleid waren hierbij centrale uitgangspunten. Lokale autonomie kan echter pas een meerwaarde betekenen als steden en gemeenten de grotere vrijheid ook gebruiken om beleid te maken. Het blijft echter onduidelijk of meer formele autonomie ook resulteert in meer gebruikte autonomie. Bijgevolg onderzoek ik in deze doctoraatsstudie hoe en op welke manier steden en gemeenten formele autonomie ook effectief gebruiken in de beleidspraktijk.

Door de beleidskeuzes van steden en gemeenten onder de loep te nemen, toon ik aan dat formele autonomie een belangrijke eerste stap is naar meer autonomie in de lokale beleidsvoering, maar dat tegelijkertijd ook verschillende sociale mechanismen een cruciale rol spelen. De formele regelgeving voorziet immers het speelveld, maar verklaart niet waarom niet alle spelers hetzelfde spel spelen. Naast wetten en regelgeving blijken ook druk van horizontale en bottom-up structuren, alsook sectorale afscherming en capaciteit, bepalend voor de autonomie die steden en gemeenten gebruiken. Bij het vergroten van de formele autonomie moet daarom ook aandacht uitgaan naar informele druk vanuit netwerken, de capaciteit om te interageren met die netwerken, alsook naar de ‘capturing’ van het beleid door sterke betrokken partijen. Slechts op die manier kan lokale autonomie een opstap zijn naar meer lokaal maatwerk en een beter functioneren van de lokale democratie.

Doctoraatsverdediging Jasper Vanhaelemeesch (Departement Communicatiewetenschappen) - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America - 19/04/2021

Abstract - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America

In the first 20 years of the 21st century, Central American film production has increased exponentially, despite a persistent lack of state support after decades of armed conflict. The relatively recent professionalisation and visibility of the ‘small’ and ‘precarious’ cinemas of Central America has coincided with the development of film festivals. In the ongoing emergence of regionally embedded film cultures, film festivals have assumed particularly mediating and enabling roles, in terms of education, promotion and distribution of local cinemas. These initiatives are contained within traditions that can be traced back to the heyday of New Latin American Cinemas during the 1980s, the Havana Film Festival and the educational ideology of the EICTV Film and Television School in Cuba, which emphasise creative solidarity and collaboration across borders. Since the signing of the last regional Peace Agreements in 1996, events responded to the broader cultural sector’s call to set up networks for cultural production on a regional scale, due to an emphasis on commonality, and the need for a larger audience. Through immersive and reflexive ethnographic fieldwork at film festivals in the region and a network analysis of film production relations, this study illuminates film-cultural developments during the postwar moment, a time especially marked by the active processing of past conflict and trauma through the socially cathartic experience of cinema. This results in a threefold thematic analysis of respectively film festivals, filmmaking communities and the creative use of the ‘postmemory’ phenomenon in the Central American film landscape. In absence of strong national support structures, film festivals have surfaced as multipurpose interfaces that facilitate the exhibition of Central American films, the transnational mobilisation and networking of film professionals, and the mediation of a conflicted past. Against economic, social and political odds, filmmakers in Central America share a common energy to strengthen and expand the region’s small cinemas for both cultural and economic reasons.

Abstract - Raakvlakken: Filmculturen en filmfestvals in Centraal-Amerika

Het productievolume van Centraal-Amerikaanse films is de voorbije jaren sterk toegenomen. Op minder dan een kwart eeuw zijn er vier keer meer langspeelfilms uitgebracht dan in de eerste honderd jaar aan film in Centraal-Amerika. Ondanks een gebrek aan structurele ondersteuning vanuit de zes respectievelijke overheden is er sprake van een culturele heropleving na decennia aan, al dan niet gewapende, conflicten in het subcontinent. De recente professionalisering en internationale zichtbaarheid van deze kleine en precaire filmculturen viel samen met de oprichting van een aantal nationale filmfestivals in Costa Rica en Guatemala, in een poging tot culturele reorganisatie die volgde op de ondertekening van de laatste regionale Vredesakkoorden tussen overheden en revolutionaire partijen in 1996. Bij gebrek aan uitgebouwde culturele industrieën en staatssteun stuurde de culturele sector in Centraal-Amerika erop aan om, naar het historische voorbeeld van de Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas, het filmfestival van Havana en de legendarische filmschool in San Antonio de los Baños in Cuba, zich te organiseren aan de hand van regionale ontmoetingen en elkaar te steunen inzake onderwijs over, productie en verspreiding van film. Het naoorlogse culturele vacuüm werd zo nagenoeg op organische wijze ingevuld door een reeks evenementen die zich al snel een regionaal bereik toemeten, en filmfestivals werden belangrijke platformen voor filmculturele ontwikkelingen binnen het subcontinent.

Dit werk bestudeert hoe filmfestivals hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van filmculturen in Centraal-Amerika sinds het ondertekenen van de Vredesakkoorden in 1996. Om deze vraag te beantwoorden werd er een uitvoerig theoretisch kader onderbouwd dat Centraal-Amerikaanse cinema’s beschouwt als onafhankelijke, kleine, precaire en regionale filmculturen met wortels in de ruimere geschiedenis van Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas en sterk geallieerd aan Cubaanse ideologisch-artistieke processen. De bevindingen uit het theoretische onderzoek hebben geleid tot het opstellen van een drievoudige thematische onderverdeling in het analytische deel, respectievelijk met een focus op filmfestivals in de regio, op film-producerende gemeenschappen en op de creatieve notie van postmemory als zijnde sterk karakteristiek met betrekking tot het huidige culturele landschap in Centraal-Amerika, dat zich in een fase bevindt waarin het recente tumultueuze en traumatische verleden actief verwerkt wordt om zodoende de toekomst vorm en kleur te geven.

Na het literatuuronderzoek werd er een vijftal maanden aan etnografisch veldwerk verricht op tien filmfestivals in Centraal-Amerika en Cuba. De empirische bevindingen uit het veldwerk hebben nadien geleid tot het opstellen van een relationele dataset waarin 344 films werden opgenomen, als ook 5,607 individuen die hebben meegewerkt aan de productie van deze films. De dataset liet toe om een netwerkanalyse uit te voeren, waarbij er gezocht werd naar de connecties in en tussen de producerende gemeenschappen doorheen de regio, om deze te toetsen aan de ervaringen uit het veldwerk. In de zes bestudeerde landen werden er dan ook zes gemeenschappen gevonden, die evenwel sterk verbonden zijn onderling door een aantal katalyserende sleutelfiguren die een centrale rol opnemen in het netwerk van Centraal-Amerikaanse filmproductie. Uit de analyse blijkt dat de spilfiguren in het netwerk niet enkel regisseurs zijn, maar ook producenten, festivalorganisatoren en anderen met film-technische profielen zoals geluidsspecialisten of camerapersoneel. Filmproductie wordt op deze manier in de verf gezet als een collectieve inspanning.

De drie geanalyseerde thema’s, zijnde filmfestivals, productienetwerken en audiovisueel geheugendiscours, wijzen erop dat filmfestivals in de regio zich ontwikkeld hebben als multifunctionele interfaces. Ze verzekeren niet enkel de vertoning van Centraal-Amerikaanse films, ze staan ook in voor de regionale mobilisatie en het netwerken van filmprofessionals en ze treden bovendien op als bemiddelaars van een gewelddadig verleden. Tegen economische, sociale en politieke verwachtingen in worden Centraal-Amerikaanse filmmakers gekenmerkt door een gedeelde energie om kleine filmculturen van binnenuit te versterken en uit te breiden, om culturele dan wel economische redenen.

Praktisch

  • Doctorandus: Jasper Vanhaelemeesch (Onderzoeksgroep ViDi)
  • Promotor: prof. dr. Philippe Meers
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging 19/04/2021 17h00 (CEST), online
  • Deelnemen? Bevestigen voor 16/04/2021 bij jasper.vanhaelemeesch@uantwerpen.be 
  • ism Vandenbunder Baillet Latour Chair for Film Studies and Visual Culture

Doctoraatsverdediging Lars Dorren (Departement Politieke Wetenschappen) - Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes - 03/03/2021

  • Promovendus: Lars Dorren
  • Promotor(s): Wouter Van Dooren, Koen Verhoest
  • Titel van de thesis : Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: 3 maart, 15.00, online.
  • Bevestigen voor 24 februari per mail aan lars.dorren@uantwerpen.be

Abstract

Over the past decades, predictive or ex ante analyses have come to play an increasingly important part in policy processes. In infrastructure policy, they are used to predict the economic and environmental impact of investments. The ex ante analyses used in infrastructure policy processes are complex, difficult to understand and have limited predictive power, yet they also take up a central position in modern day policy processes.

This study offers a new perspective on the popularity of ex ante analyses based on an ethnographic study observing meetings in three large infrastructure policy processes in Belgium and the Netherlands. It argues that, besides the obvious informational role, ex ante analyses fulfil an important therapeutic function. The prime reason they are valued is not because they unambiguously tell policymakers what to do, but because they offer them the confidence to move processes forward in a world characterized by ambiguity and uncertainty.

Samenvatting

Gedurende de afgelopen decennia zijn voorspellende of ex ante analyses een steeds belangrijkere rol gaan spelen in beleidsprocessen. Zo worden ze in infrastructuurbeleid gebruikt om de economische- en milieueffecten van investeringen in te schatten. De ex ante analyses die hiervoor worden gebruikt zijn vaak complex, lastig te begrijpen en hebben beperkte voorspellende kracht, maar nemen tegelijkertijd een centrale positie in beleidsprocessen in.

Dit onderzoek biedt een nieuw perspectief op de populariteit van ex ante analyses, gebaseerd op een etnografische studie van infrastructuurbeleidsprocessen in Nederland en Vlaanderen. Het onderzoek laat zien dat ex ante analyses naast een informerende functie ook een belangrijke therapeutische functie hebben. Zij niet zo zeer gewaardeerd omdat ze beleidsmakers laten zien welke beleidsopties objectief de beste zijn, maar omdat zij beleidsmakers het vertrouwen geven keuzes te maken in een wereld gekenmerkt door ambiguïteit en onzekerheid.

Doctoraatsverdediging Evelien Willems (Departement Politieke Wetenschappen) - Balanceren tussen het vertegenwoordigen van de organisatorische achterban en het grote publiek: Een analyse van belangengroepen hun functioneren als intermediair tussen burgers en publieke beleidsvorming. - 25/02/2021

English abstract

How and the extent to which interest groups impact public policy is a core controversy in political science. On the one hand, interest groups hold the potential to function as intermediaries between citizens and policymakers thereby advancing policies closely connected to societal concerns. On the other hand, many groups are considered to bias public policy in favor of the happy few and to detract from the public interest. Lobbying scandals making news headlines invigorate concerns on the negative impact of interest group involvement in public policymaking.

This dissertation addressed this controversy by examining when and how interest groups connect the policy preferences of the general public with the policymaking process in each step of the influence production process. Specifically, I analyze the extent to which interest groups incorporate the citizen preferences in their positions (mobilization stage), how groups’ alignment with public opinion affects access to advisory councils, news media prominence (advocacy activities and access stage) and advocacy success (influence stage).

Results, based on comprehensive news and policy content analyses of 110 specific issues and a representative survey with Belgian interest groups, indicate that interest groups constantly walk a tightrope between, on the one hand, acting on their members and supporters’ preferences and, on the other hand, trying to influence public policy through the strategic alignment with public opinion. While broad public support helps interest groups to influence public policy, securing ties with members and supporters is vital for interest group maintenance and survival. This dissertation demonstrates that close constituency involvement often results in defending positions with scant public support and consequently can hamper groups’ access to advisory councils, limits the benefits of media prominence, and decreases the chances of advocacy success. These constraining effects of close constituency engagement in advocacy activities are especially pronounced on politicized issues; on salient and conflictual issues on which many interest groups mobilize. Hence, the active engagement of members and supporters is especially an asset to gain policy access and exert influence when policy issues are decided upon out of the public spotlight and when the scope of conflict remains limited. Interest groups that do enjoy broad public support, in contrast, can more easily put pressure on policymakers in a politicized context. Politicization elevates electoral and legitimacy concerns among policymakers and thus heightens their demand of broad societal support.

In sum, politicization and the strong involvement of constituencies can put interest groups’ intermediary function between the general public and policymakers under strain, but when interest groups enjoy broad public support it can also help them influence policy.

Nederlands abstract

Hoe en in hoeverre belangengroepen het overheidsbeleid beïnvloeden, is een kerncontroverse in de politieke wetenschappen. Enerzijds hebben belangengroepen het potentieel om als intermediair tussen burgers en beleidsmakers te fungeren en zo beleid te bevorderen dat nauw verband houdt met maatschappelijke bezorgdheden. Anderzijds worden veel groepen geacht het beleid te beïnvloeden ten gunste van slechts enkele geprivilegieerden en afbreuk te doen aan het algemeen belang. Lobbyschandalen die de krantenkoppen halen, versterken de bezorgdheid over de negatieve impact van de betrokkenheid van belangengroepen bij de beleidsvorming.

Dit proefschrift ging in op deze controverse door te onderzoeken wanneer en hoe belangengroepen de beleidsvoorkeuren van het grote publiek verbinden met het beleidsvormingsproces in elke stap van het invloedsproductieproces. Specifiek analyseer ik in hoeverre belangengroepen de beleidsvoorkeuren van burgers in hun standpunten opnemen (mobilisatiefase), hoe steun van de publieke opinie de toegang tot adviesraden en prominentie in nieuwsmedia kan verklaren (belangenbehartiging en toegangsfase) en het uiteindelijke succes van belangenbehartiging beïnvloedt (invloedsfase).

Resultaten, gebaseerd op uitgebreide nieuws- en beleidsinhoudsanalyses van 110 specifieke beleidskwesties en een representatieve enquête onder Belgische belangengroepen, tonen aan dat belangengroepen voortdurend balanceren tussen enerzijds het handelen op basis van de voorkeuren van hun leden en achterban en anderzijds, proberen het overheidsbeleid te beïnvloeden door middel van strategische afstemming met de publieke opinie. Terwijl brede publieke steun belangengroepen kan helpen om beleid te beïnvloeden, is het veiligstellen van banden met leden en achterban essentieel voor het voortbestaan van belangenorganisaties. Dit proefschrift toont aan dat nauwe betrokkenheid van de achterban vaak leidt tot het verdedigen van een standpunt met weinig publieke steun en bijgevolg de toegang van groepen tot adviesraden kan belemmeren, de voordelen van media-aandacht beperkt en de kans op succes van belangenbehartiging verkleint. Deze beperkende effecten van de nauwe betrokkenheid van de achterban bij belangenbehartigingsactiviteiten zijn vooral uitgesproken bij gepolitiseerde kwesties; bij kwesties die veel aandacht trekken, een hoge mate van conflict genereren en waarop veel belangengroepen mobiliseren. Daarom is de actieve betrokkenheid van leden en achterban vooral een troef om toegang tot het beleid te krijgen en invloed uit te oefenen wanneer beleidskwesties buiten de publieke schijnwerpers worden beslist en wanneer de omvang van het conflict beperkt blijft. Belangengroepen die wel een breed maatschappelijk draagvlak genieten, kunnen daarentegen gemakkelijker druk uitoefenen op beleidsmakers in een gepolitiseerde context. Politisering verhoogt beleidsmakers hun bezorgdheid over electorale vergelding en de legitimiteit van beleid, en verhoogt daarmee hun vraag naar brede maatschappelijke steun.

Kortom, politisering en de sterke betrokkenheid van de achterban kunnen de intermediaire functie van belangengroepen tussen het grote publiek en beleidsmakers onder druk zetten, maar wanneer belangengroepen brede maatschappelijke steun genieten kan dit hen ook helpen beleid te beïnvloeden.

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie) - Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space - 29/01/2021

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie & Culture Commons Quest Office)

Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space

  • Promotoren: Prof. Pascal Gielen & Prof. Walter Weyns
  • Vrijdag 29 januari 2021, 9u30

Wil je de online verdediging bijwonen? Geef dan een seintje voor 19 januari aan Louis Volont.

Abstract

As the neoliberalization of our cities continues apace, a growing group of opponents assumes merit in the concept of ‘common space’. In common space, use and collectivity take precedence over profit and expert authorship. Whilst a growing body of scholarship construes such common spaces as pre-existing areas or buildings to be reclaimed from capitalist command, less attention has gone to how they are raised from scratch. In order to fill this void, this study explores how common spaces are produced within the current conditions of urban development. In so doing, it follows the lead of a specific breed of architect: the one working at the crossroads of cultural activism and community organizing.

In-depth interviewing and participatory observation allow to present the possibilities and pitfalls of space-commoning in a variety of cities. At the Public Land Grab (London), a derelict piece of urban land was transformed into a community farm. At Pension Almonde (Rotterdam), a social housing complex became a locus for cultural production. At Montaña Verde (Antwerp), a plaza was turned into a co-created piece of public art. Data from collectives such as the Atelier d’Architecture Autogérée (Paris), Raumlabor (Berlin) and Zuloark (Madrid) are highlighted as well. Transversally, the voyage is guided by Henri Lefebvre’s theory of the production of space.

Results are threefold. First, the distinction between Symbiotic and Oppositional Commoning is proposed, resulting in a ‘Taxonomy of Tactics’. Second, the relation between urban commoners and municipal institutions is refined by advocating agonism. Finally, Lefebvre’s lexicon is mobilized in order to explore the cross-fertilization between urban commoning and political action. Overall, this dissertation puts the human imagination at the centre of the city. It will therefore be of value to scholars, artists and activists with an interest in the creative dimension of the built environment.