Sociale Wetenschappen

Doctoraatsverdedigingen

Doctoraatsverdediging Jasper Vanhaelemeesch (Departement Communicatiewetenschappen) - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America - 19/04/2021

Abstract - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America

In the first 20 years of the 21st century, Central American film production has increased exponentially, despite a persistent lack of state support after decades of armed conflict. The relatively recent professionalisation and visibility of the ‘small’ and ‘precarious’ cinemas of Central America has coincided with the development of film festivals. In the ongoing emergence of regionally embedded film cultures, film festivals have assumed particularly mediating and enabling roles, in terms of education, promotion and distribution of local cinemas. These initiatives are contained within traditions that can be traced back to the heyday of New Latin American Cinemas during the 1980s, the Havana Film Festival and the educational ideology of the EICTV Film and Television School in Cuba, which emphasise creative solidarity and collaboration across borders. Since the signing of the last regional Peace Agreements in 1996, events responded to the broader cultural sector’s call to set up networks for cultural production on a regional scale, due to an emphasis on commonality, and the need for a larger audience. Through immersive and reflexive ethnographic fieldwork at film festivals in the region and a network analysis of film production relations, this study illuminates film-cultural developments during the postwar moment, a time especially marked by the active processing of past conflict and trauma through the socially cathartic experience of cinema. This results in a threefold thematic analysis of respectively film festivals, filmmaking communities and the creative use of the ‘postmemory’ phenomenon in the Central American film landscape. In absence of strong national support structures, film festivals have surfaced as multipurpose interfaces that facilitate the exhibition of Central American films, the transnational mobilisation and networking of film professionals, and the mediation of a conflicted past. Against economic, social and political odds, filmmakers in Central America share a common energy to strengthen and expand the region’s small cinemas for both cultural and economic reasons.

Abstract - Raakvlakken: Filmculturen en filmfestvals in Centraal-Amerika

Het productievolume van Centraal-Amerikaanse films is de voorbije jaren sterk toegenomen. Op minder dan een kwart eeuw zijn er vier keer meer langspeelfilms uitgebracht dan in de eerste honderd jaar aan film in Centraal-Amerika. Ondanks een gebrek aan structurele ondersteuning vanuit de zes respectievelijke overheden is er sprake van een culturele heropleving na decennia aan, al dan niet gewapende, conflicten in het subcontinent. De recente professionalisering en internationale zichtbaarheid van deze kleine en precaire filmculturen viel samen met de oprichting van een aantal nationale filmfestivals in Costa Rica en Guatemala, in een poging tot culturele reorganisatie die volgde op de ondertekening van de laatste regionale Vredesakkoorden tussen overheden en revolutionaire partijen in 1996. Bij gebrek aan uitgebouwde culturele industrieën en staatssteun stuurde de culturele sector in Centraal-Amerika erop aan om, naar het historische voorbeeld van de Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas, het filmfestival van Havana en de legendarische filmschool in San Antonio de los Baños in Cuba, zich te organiseren aan de hand van regionale ontmoetingen en elkaar te steunen inzake onderwijs over, productie en verspreiding van film. Het naoorlogse culturele vacuüm werd zo nagenoeg op organische wijze ingevuld door een reeks evenementen die zich al snel een regionaal bereik toemeten, en filmfestivals werden belangrijke platformen voor filmculturele ontwikkelingen binnen het subcontinent.

Dit werk bestudeert hoe filmfestivals hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van filmculturen in Centraal-Amerika sinds het ondertekenen van de Vredesakkoorden in 1996. Om deze vraag te beantwoorden werd er een uitvoerig theoretisch kader onderbouwd dat Centraal-Amerikaanse cinema’s beschouwt als onafhankelijke, kleine, precaire en regionale filmculturen met wortels in de ruimere geschiedenis van Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas en sterk geallieerd aan Cubaanse ideologisch-artistieke processen. De bevindingen uit het theoretische onderzoek hebben geleid tot het opstellen van een drievoudige thematische onderverdeling in het analytische deel, respectievelijk met een focus op filmfestivals in de regio, op film-producerende gemeenschappen en op de creatieve notie van postmemory als zijnde sterk karakteristiek met betrekking tot het huidige culturele landschap in Centraal-Amerika, dat zich in een fase bevindt waarin het recente tumultueuze en traumatische verleden actief verwerkt wordt om zodoende de toekomst vorm en kleur te geven.

Na het literatuuronderzoek werd er een vijftal maanden aan etnografisch veldwerk verricht op tien filmfestivals in Centraal-Amerika en Cuba. De empirische bevindingen uit het veldwerk hebben nadien geleid tot het opstellen van een relationele dataset waarin 344 films werden opgenomen, als ook 5,607 individuen die hebben meegewerkt aan de productie van deze films. De dataset liet toe om een netwerkanalyse uit te voeren, waarbij er gezocht werd naar de connecties in en tussen de producerende gemeenschappen doorheen de regio, om deze te toetsen aan de ervaringen uit het veldwerk. In de zes bestudeerde landen werden er dan ook zes gemeenschappen gevonden, die evenwel sterk verbonden zijn onderling door een aantal katalyserende sleutelfiguren die een centrale rol opnemen in het netwerk van Centraal-Amerikaanse filmproductie. Uit de analyse blijkt dat de spilfiguren in het netwerk niet enkel regisseurs zijn, maar ook producenten, festivalorganisatoren en anderen met film-technische profielen zoals geluidsspecialisten of camerapersoneel. Filmproductie wordt op deze manier in de verf gezet als een collectieve inspanning.

De drie geanalyseerde thema’s, zijnde filmfestivals, productienetwerken en audiovisueel geheugendiscours, wijzen erop dat filmfestivals in de regio zich ontwikkeld hebben als multifunctionele interfaces. Ze verzekeren niet enkel de vertoning van Centraal-Amerikaanse films, ze staan ook in voor de regionale mobilisatie en het netwerken van filmprofessionals en ze treden bovendien op als bemiddelaars van een gewelddadig verleden. Tegen economische, sociale en politieke verwachtingen in worden Centraal-Amerikaanse filmmakers gekenmerkt door een gedeelde energie om kleine filmculturen van binnenuit te versterken en uit te breiden, om culturele dan wel economische redenen.

Praktisch

  • Doctorandus: Jasper Vanhaelemeesch (Onderzoeksgroep ViDi)
  • Promotor: prof. dr. Philippe Meers
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging 19/04/2021 17h00 (CEST), online
  • Deelnemen? Bevestigen voor 16/04/2021 bij jasper.vanhaelemeesch@uantwerpen.be 
  • ism Vandenbunder Baillet Latour Chair for Film Studies and Visual Culture

Doctoraatsverdediging Lars Dorren (Departement Politieke Wetenschappen) - Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes - 03/03/2021

  • Promovendus: Lars Dorren
  • Promotor(s): Wouter Van Dooren, Koen Verhoest
  • Titel van de thesis : Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: 3 maart, 15.00, online.
  • Bevestigen voor 24 februari per mail aan lars.dorren@uantwerpen.be

Abstract

Over the past decades, predictive or ex ante analyses have come to play an increasingly important part in policy processes. In infrastructure policy, they are used to predict the economic and environmental impact of investments. The ex ante analyses used in infrastructure policy processes are complex, difficult to understand and have limited predictive power, yet they also take up a central position in modern day policy processes.

This study offers a new perspective on the popularity of ex ante analyses based on an ethnographic study observing meetings in three large infrastructure policy processes in Belgium and the Netherlands. It argues that, besides the obvious informational role, ex ante analyses fulfil an important therapeutic function. The prime reason they are valued is not because they unambiguously tell policymakers what to do, but because they offer them the confidence to move processes forward in a world characterized by ambiguity and uncertainty.

Samenvatting

Gedurende de afgelopen decennia zijn voorspellende of ex ante analyses een steeds belangrijkere rol gaan spelen in beleidsprocessen. Zo worden ze in infrastructuurbeleid gebruikt om de economische- en milieueffecten van investeringen in te schatten. De ex ante analyses die hiervoor worden gebruikt zijn vaak complex, lastig te begrijpen en hebben beperkte voorspellende kracht, maar nemen tegelijkertijd een centrale positie in beleidsprocessen in.

Dit onderzoek biedt een nieuw perspectief op de populariteit van ex ante analyses, gebaseerd op een etnografische studie van infrastructuurbeleidsprocessen in Nederland en Vlaanderen. Het onderzoek laat zien dat ex ante analyses naast een informerende functie ook een belangrijke therapeutische functie hebben. Zij niet zo zeer gewaardeerd omdat ze beleidsmakers laten zien welke beleidsopties objectief de beste zijn, maar omdat zij beleidsmakers het vertrouwen geven keuzes te maken in een wereld gekenmerkt door ambiguïteit en onzekerheid.

Doctoraatsverdediging Evelien Willems (Departement Politieke Wetenschappen) - Balanceren tussen het vertegenwoordigen van de organisatorische achterban en het grote publiek: Een analyse van belangengroepen hun functioneren als intermediair tussen burgers en publieke beleidsvorming. - 25/02/2021

English abstract

How and the extent to which interest groups impact public policy is a core controversy in political science. On the one hand, interest groups hold the potential to function as intermediaries between citizens and policymakers thereby advancing policies closely connected to societal concerns. On the other hand, many groups are considered to bias public policy in favor of the happy few and to detract from the public interest. Lobbying scandals making news headlines invigorate concerns on the negative impact of interest group involvement in public policymaking.

This dissertation addressed this controversy by examining when and how interest groups connect the policy preferences of the general public with the policymaking process in each step of the influence production process. Specifically, I analyze the extent to which interest groups incorporate the citizen preferences in their positions (mobilization stage), how groups’ alignment with public opinion affects access to advisory councils, news media prominence (advocacy activities and access stage) and advocacy success (influence stage).

Results, based on comprehensive news and policy content analyses of 110 specific issues and a representative survey with Belgian interest groups, indicate that interest groups constantly walk a tightrope between, on the one hand, acting on their members and supporters’ preferences and, on the other hand, trying to influence public policy through the strategic alignment with public opinion. While broad public support helps interest groups to influence public policy, securing ties with members and supporters is vital for interest group maintenance and survival. This dissertation demonstrates that close constituency involvement often results in defending positions with scant public support and consequently can hamper groups’ access to advisory councils, limits the benefits of media prominence, and decreases the chances of advocacy success. These constraining effects of close constituency engagement in advocacy activities are especially pronounced on politicized issues; on salient and conflictual issues on which many interest groups mobilize. Hence, the active engagement of members and supporters is especially an asset to gain policy access and exert influence when policy issues are decided upon out of the public spotlight and when the scope of conflict remains limited. Interest groups that do enjoy broad public support, in contrast, can more easily put pressure on policymakers in a politicized context. Politicization elevates electoral and legitimacy concerns among policymakers and thus heightens their demand of broad societal support.

In sum, politicization and the strong involvement of constituencies can put interest groups’ intermediary function between the general public and policymakers under strain, but when interest groups enjoy broad public support it can also help them influence policy.

Nederlands abstract

Hoe en in hoeverre belangengroepen het overheidsbeleid beïnvloeden, is een kerncontroverse in de politieke wetenschappen. Enerzijds hebben belangengroepen het potentieel om als intermediair tussen burgers en beleidsmakers te fungeren en zo beleid te bevorderen dat nauw verband houdt met maatschappelijke bezorgdheden. Anderzijds worden veel groepen geacht het beleid te beïnvloeden ten gunste van slechts enkele geprivilegieerden en afbreuk te doen aan het algemeen belang. Lobbyschandalen die de krantenkoppen halen, versterken de bezorgdheid over de negatieve impact van de betrokkenheid van belangengroepen bij de beleidsvorming.

Dit proefschrift ging in op deze controverse door te onderzoeken wanneer en hoe belangengroepen de beleidsvoorkeuren van het grote publiek verbinden met het beleidsvormingsproces in elke stap van het invloedsproductieproces. Specifiek analyseer ik in hoeverre belangengroepen de beleidsvoorkeuren van burgers in hun standpunten opnemen (mobilisatiefase), hoe steun van de publieke opinie de toegang tot adviesraden en prominentie in nieuwsmedia kan verklaren (belangenbehartiging en toegangsfase) en het uiteindelijke succes van belangenbehartiging beïnvloedt (invloedsfase).

Resultaten, gebaseerd op uitgebreide nieuws- en beleidsinhoudsanalyses van 110 specifieke beleidskwesties en een representatieve enquête onder Belgische belangengroepen, tonen aan dat belangengroepen voortdurend balanceren tussen enerzijds het handelen op basis van de voorkeuren van hun leden en achterban en anderzijds, proberen het overheidsbeleid te beïnvloeden door middel van strategische afstemming met de publieke opinie. Terwijl brede publieke steun belangengroepen kan helpen om beleid te beïnvloeden, is het veiligstellen van banden met leden en achterban essentieel voor het voortbestaan van belangenorganisaties. Dit proefschrift toont aan dat nauwe betrokkenheid van de achterban vaak leidt tot het verdedigen van een standpunt met weinig publieke steun en bijgevolg de toegang van groepen tot adviesraden kan belemmeren, de voordelen van media-aandacht beperkt en de kans op succes van belangenbehartiging verkleint. Deze beperkende effecten van de nauwe betrokkenheid van de achterban bij belangenbehartigingsactiviteiten zijn vooral uitgesproken bij gepolitiseerde kwesties; bij kwesties die veel aandacht trekken, een hoge mate van conflict genereren en waarop veel belangengroepen mobiliseren. Daarom is de actieve betrokkenheid van leden en achterban vooral een troef om toegang tot het beleid te krijgen en invloed uit te oefenen wanneer beleidskwesties buiten de publieke schijnwerpers worden beslist en wanneer de omvang van het conflict beperkt blijft. Belangengroepen die wel een breed maatschappelijk draagvlak genieten, kunnen daarentegen gemakkelijker druk uitoefenen op beleidsmakers in een gepolitiseerde context. Politisering verhoogt beleidsmakers hun bezorgdheid over electorale vergelding en de legitimiteit van beleid, en verhoogt daarmee hun vraag naar brede maatschappelijke steun.

Kortom, politisering en de sterke betrokkenheid van de achterban kunnen de intermediaire functie van belangengroepen tussen het grote publiek en beleidsmakers onder druk zetten, maar wanneer belangengroepen brede maatschappelijke steun genieten kan dit hen ook helpen beleid te beïnvloeden.

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie) - Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space - 29/01/2021

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie & Culture Commons Quest Office)

Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space

  • Promotoren: Prof. Pascal Gielen & Prof. Walter Weyns
  • Vrijdag 29 januari 2021, 9u30

Wil je de online verdediging bijwonen? Geef dan een seintje voor 19 januari aan Louis Volont.

Abstract

As the neoliberalization of our cities continues apace, a growing group of opponents assumes merit in the concept of ‘common space’. In common space, use and collectivity take precedence over profit and expert authorship. Whilst a growing body of scholarship construes such common spaces as pre-existing areas or buildings to be reclaimed from capitalist command, less attention has gone to how they are raised from scratch. In order to fill this void, this study explores how common spaces are produced within the current conditions of urban development. In so doing, it follows the lead of a specific breed of architect: the one working at the crossroads of cultural activism and community organizing.

In-depth interviewing and participatory observation allow to present the possibilities and pitfalls of space-commoning in a variety of cities. At the Public Land Grab (London), a derelict piece of urban land was transformed into a community farm. At Pension Almonde (Rotterdam), a social housing complex became a locus for cultural production. At Montaña Verde (Antwerp), a plaza was turned into a co-created piece of public art. Data from collectives such as the Atelier d’Architecture Autogérée (Paris), Raumlabor (Berlin) and Zuloark (Madrid) are highlighted as well. Transversally, the voyage is guided by Henri Lefebvre’s theory of the production of space.

Results are threefold. First, the distinction between Symbiotic and Oppositional Commoning is proposed, resulting in a ‘Taxonomy of Tactics’. Second, the relation between urban commoners and municipal institutions is refined by advocating agonism. Finally, Lefebvre’s lexicon is mobilized in order to explore the cross-fertilization between urban commoning and political action. Overall, this dissertation puts the human imagination at the centre of the city. It will therefore be of value to scholars, artists and activists with an interest in the creative dimension of the built environment.