Sociale Wetenschappen

Doctoraatsverdedigingen

Doctoraatsverdediging Boukje Compen (Antwerp School of Education) - Making sure the penny drops – An evaluation of implementation strategies intended to enhance the effectiveness of financial literacy education - 25/06/2021

  • Promovendus: Boukje Compen
  • Promotoren: Wouter Schelfhout (UAntwerpen) en Kristof De Witte (KU Leuven)
  • Datum: 25 juni 2021 om 15.00, online. De link om deel te nemen volgt na inschrijving. 
  • Graag je aanwezigheid bevestigen voor 22 juni bij boukje.compen@uantwerpen.be. Gelieve het ook aan te geven wanneer je een (digitale) versie van het doctoraat wenst te ontvangen.  

Summary

Financial literacy is considered an important twenty-first century life skill, as the ability to make well-informed financial decisions decreases financial fragility of both individual households and society at large. Since only one-third of the adults worldwide are financially literate, governments are increasingly providing both school-based and non-school based financial literacy education. However, financial literacy education programmes tend to impact the financial knowledge of individuals to a larger extent than their financial behaviours. This is disadvantageous, as financial well-being is mainly determined by financial behaviour. Therefore, these findings raise the question of how the effectiveness of financial literacy education could be improved. This dissertation aimed to find an answer to this question by evaluating two implementation strategies for financial literacy education.

The first implementation strategy evaluated concerned the effectiveness of three types of teacher professional development (TPD) initiatives. Although competent teachers are considered essential in the impact of financial literacy education on student outcomes, it has been shown that the majority of teachers lack the capabilities that are required to teach financial topics effectively. Therefore, it was examined in this dissertation whether increasing teacher quality through TPD could enhance the effectiveness of financial literacy education.

The second implementation strategy was based on insights from behavioural economics, in which it is recognised that the decision-making process is influenced by psychological factors such as cognitive biases. The effectiveness of financial literacy education— especially in terms of financial behaviours— may benefit from efforts that raise individuals’ awareness of the non-rational factors influencing decision-making. Therefore, in this dissertation, it was evaluated to what extent an intervention that enhances awareness of cognitive biases, and herding bias in specific, influences financial decisions. 

Multiple empirical methods— ranging from large-scale randomized controlled trials to case study research— were used to evaluate the two strategies. The results indicated that the TPD initiatives had a positive impact on students’ financial literacy and/or teacher outcomes. The integration of similar efforts could, therefore, be a successful means to enhance the effectiveness of financial literacy education. In addition, it was shown that a warning message appears to be insufficient to rationalise the financial decision-making process by debiasing herding behaviour. Further research is needed to explore whether the integration of efforts that intend to raise awareness on the role of psychological factors in the decision-making process, could improve the effectiveness of financial literacy education in terms of financial behaviours.

Samenvatting

Financiële geletterdheid wordt beschouwd als een belangrijke 21e-eeuwse levensvaardigheid, omdat het vermogen om weloverwogen financiële beslissingen te nemen de financiële kwetsbaarheid van zowel individuele huishoudens als de samenleving als geheel vermindert. Omdat slechts een derde van de volwassenen wereldwijd financieel geletterd is, bieden overheden steeds vaker financiële educatie aan, zowel op scholen als daarbuiten. Echter, het effect van financiële educatieprogramma’s op de financiële kennis van individuen is over het algemeen groter dan het effect op financieel gedrag. Dit is ongunstig omdat financieel welzijn uiteindelijk vooral wordt bepaald door financieel gedrag. Deze bevindingen roepen dan ook de vraag op hoe de effectiviteit van financiële educatie kan worden verbeterd. Dit proefschrift was erop gericht om een antwoord te vinden op deze vraag door twee implementatiestrategieën voor financiële educatie te evalueren.

De eerste geëvalueerde implementatiestrategie betreft de effectiviteit van drie typen van professionaliseringsinitiatieven. Ondanks dat competente leerkrachten als essentieel beschouwd worden een positief effect van financiële educatie op leerlinguitkomsten, werd aangetoond dat de meerderheid van de leerkrachten de competenties mist die nodig zijn om effectief les te kunnen geven over financiële onderwerpen. Daarom werd in dit proefschrift onderzocht of het verbeteren van leerkrachtkwaliteit door middel van professionalisering de effectiviteit van financiële educatie kan verhogen.

De tweede implementatiestrategie was gebaseerd op inzichten uit de gedragseconomie, waarin wordt erkend dat financiële beslissingen worden beïnvloed door psychologische factoren zoals cognitieve denkfouten. De effectiviteit van financiële educatie—voornamelijk in termen van financiële gedragingen—kan mogelijk voordeel hebben van inspanningen die bewustzijn creëren van irrationele factoren die het beslissingsproces beïnvloeden. Daarom werd in dit proefschrift geëvalueerd in welke mate een interventie die het bewustzijn van cognitieve denkfouten, en meer bepaald de neiging tot kuddegedrag, vergroot, van invloed is op financiële beslissingen.

Verschillende empirische methoden—variërend van grootschalige gerandomiseerde gecontroleerde experimenten tot case study onderzoek— werden gebruikt om de strategieën te evalueren. De resultaten toonden aan dat de professionaliseringsinitiatieven een positief effect hadden op de financiële geletterdheid van leerlingen en/of op de leerkrachtuitkomsten. Het integreren van soortelijke inspanningen kan daarom een succesvolle methode zijn om de effectiviteit van financiële educatie te verbeteren. Daarnaast bleek het tonen van een waarschuwingsbericht onvoldoende om het financiële beslissingsproces te rationaliseren. Verder onderzoek is nodig om te bestuderen of de integratie van inspanningen die gericht zijn op het creëren van bewustzijn van de rol van psychologische factoren in het beslissingsproces, de effectiviteit van financiële educatie in termen van financiële beslissingen kan verbeteren.


Doctoraatsverdediging Sara De Bruyn (Departement Sociologie) - Studying on Stimulants. The Misuse of Prescription Stimulants as Study Aids among Flemish Higher Education Students - 16/06/2021

  • Promovendus: Sara De Bruyn
  • Promotor(s): Edwin Wouters, Guido Van Hal, Koen Ponnet
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: Woensdag 16 juni om 14u, online (de link stuur ik hen op als ze hun aanwezigheid bevestigen)
  • Graag je aanwezigheid bevestigen voor vrijdag 11 juni bij sara.debruyn@uantwerpen.be; link om deel te nemen volgt na inschrijving

Summary

The misuse of prescription stimulants, such as Ritalin®, has received increasing attention both in the public and the academic sphere. These stimulants are normally prescribed to people with ADHD, but students sometimes use them to increase their study performances. Despite alarming prevalence rates and concerns with respect to safety, research on stimulant misuse is still in its infancy. This PhD thesis will address two main research objectives: (1) demand side: Understand the prevalence, determinants and process of misusing stimulants among Flemish students, and (2) supply side: Understand the sources students use to acquire these stimulants as well as the off-label prescribing behavior of general practitioners. A mixed-method research design is used.

First, the results show that 8.5% of students have ever used prescription stimulants to enhance their performance without it being part of a treatment (e.g., ADHD). Second, multiple personal (e.g., self-perceived ADHD, academic stress), social (e.g., living situation, social norm) and cultural (e.g., competitive study-environment, financial worries) factors were identified as risk factors of students’ intention to misuse stimulants. Third, analyses indicated four subtypes of misusers: (1) the normalization subtype indicates having concentration problems and structurally uses stimulants to deal with these problems; (2) the rescue subtype is able to study without stimulants, but occasionally uses them to cope with high academic demands and/or personal stressors; (3) the experimental subtype does not have an academic need to use stimulants, but temporarily uses them out of curiosity; and (4) the performance subtype also not really needs the medication, but perceives it as a convenient tool to structurally facilitate academic life. Finally, the results showed GPs’ perspectives on whether or not to off-label prescribe stimulants to students for academic purposes. Results identified two groups of GPs: (1) hard-liners who strictly follow medical guidelines and who would only prescribe in case of an appropriate diagnosis and (2) context-dependent GPs who would prescribe stimulants depending on the patients’ problems/symptoms and extent of need. GPs’ decisions depend on one-on-one doctor-patient interactions (i.e., the extent of empathy from the doctor and the extent of assertiveness from the patient); the extent to which GPs define concentration problems as medical problems; GPs’ interactions with fellow health care workers; as well as GPs’ interaction with the wider patient community. Based on these results, several prevention initiatives are proposed.

Doctoraatsverdediging Jonas Willems (Departement OOW) - Examining the early first-year experience: Straying from traditional research paths on transition to higher education - 10/06/2021

  • Promovendus: Jonas Willems
  • Promotor(s): Vincent Donche en Liesje Coertjens
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: Donderdag 10 juni, 10.00u. Online verdediging.
  • Bevestig je aanwezigheid voor 7 juni via  jonas.willems@uantwerpen.be 


Nederlandstalig abstract

Er kunnen twee grote onderzoeksdomeinen onderscheiden worden in de literatuur over de transitie naar het hoger onderwijs. Het eerste onderzoeksdomein is het meest traditionele, en omvat studies die harde, objectieve uitkomstvariabelen (academische prestaties) voorspellen. In deze groep van studies wordt doorgaans verondersteld dat studiesucces van studenten gelijk staat aan het behalen van goede academische prestaties. Meer recent heeft een tweede onderzoeksdomein aan belang gewonnen in de transitie-literatuur, waarin de onderzoeksfocus op academische prestaties wordt vervangen door een focus op zachte, subjectieve variabelen. Studies in dit domein onderzoeken de percepties van studenten van hun “eerstejaarservaring”, en erkennen dat dergelijke zachte variabelen op zichzelf ook essentiële (uitkomst)variabelen zijn. Dit laatste komt ook overeen met de opkomende conceptie dat studiesucces van studenten voorbij gaat aan enkel academische prestaties, en ook meer subjectieve variabelen omhelst, zoals het niveau van aanpassing aan de nieuwe omgeving of mentale welzijn van eerstejaarsstudenten. Dit doctoraat draagt bij aan beide onderzoeksdomeinen.

Vier onderzoeksdoelen werden vooropgesteld. Hierbij zijn we van start gegaan in dit doctoraatsproject met een traditionele benadering van onderzoek naar de transitie naar het hoger onderwijs. Vooreerst richtten we ons in de eerste twee onderzoeksdoelen specifiek op de voorspelling van academischeprestaties, waarbij deze harde, objectieve uitkomstvariabelen centraal in het studie-opzet stonden. Daarnaast was onze onderzoeksfocus bij aanvang van het project gericht op academische eerstejaarscontexten in het hoger onderwijs, waar inderdaad de overgrote meerderheid van het transitieonderzoek wordt uitgevoerd. In de loop van het doctoraatsproject zijn we echter steeds meer van deze traditionele onderzoekspaden afgeweken, naarmate onze onderzoeksinteresse meer verschoof naar de transitie in professionele hoger onderwijscontexten, en naarmate zachte, subjectieve variabelen meer centraal kwamen te staan in onze studies.

De eerste twee onderzoeksdoelen situeren zich binnen het eerste onderzoeksdomein (focus op  voorspellen van academische prestaties): (1) het onderzoeken van de incrementele waarde van diverse niet-cognitieve variabelen bij het voorspellen van de vroege academische prestaties van studenten in een academische hoger onderwijscontext, bovenop cognitieve factoren; (2) nagaan in hoeverre de verklarende waarden van leerstrategieën, motivationele variabelen, en algemene academische aanpassing in het voorspellen van academische prestaties, verschillen tussen academische en professionele hoger onderwijscontexten. De laatste twee onderzoeksdoelen situeren zich in het tweede onderzoeksdomein (focus op de subjectieve eerstejaarservaring): (3) de belangrijkste vroege eerstejaarservaringen van studenten in het professioneel hoger onderwijs blootleggen; (4) het ontwikkelen van een zelfrapportagevragenlijst die een beeld geeft van de belangrijkste ervaringen van eerstejaarsstudenten tijdens hun transitie in een professionele hoger onderwijscontext, en het onderzoeken van de criterium-gerelateerde validiteit van deze ervaringsschalen met betrekking tot mentaal welzijn en de academische prestaties. In het proefschrift worden de bevindingen van bovenstaande vier onderzoeksdoelen uitvoerig besproken.

English abstract

Two major strands of research can be discerned in the literature on transition to higher education. The first strand of research is the most traditional one, and includes studies that predict hard, objective outcome variables (i.e., academic achievement). This type of studies typically maintain the traditional notion that student success equals academic achievement. However, more recently, a second strand of research has gained importance in transition literature, wherein the research focus on academic achievement is substituted by a focus on more soft, subjective key variables. Studies in this latter strand of research focus on students’ perceptions of the first-year experience, acknowledging that soft variables are essential (outcome) variables in their own right. This also resonates with the upcoming conception of several scholars that student success goes beyond merely academic achievement, also comprehending more subjective variables, such as students’ levels of adjustment or mental well-being. This dissertation contributes to both major research strands

Four research goals were put forth. We started out this PhD project adopting a rather traditional approach towards research on transition to higher education. First of all, in the first two research goals, we specifically focused on the prediction of academic achievement, where these hard, objective outcome variables were situated in the very centre of the study designs. Secondly, at the start of the project, our research focus was aimed at academic first-year higher education contexts, where indeed the vast majority of transition research typically is undertaken. Throughout the PhD project, however, we have increasingly strayed from these traditional research paths, as our research interest shifted more towards the first-year transition in professional higher education contexts, and as soft, subjective variables became more central in our studies.

The first two research goals are situated within the first research strand (concerned with the prediction of academic achievement): (1) examining the incremental value of a variety of non-cognitive variables in predicting students’ early academic achievement in an academic higher education context, over and above cognitive factors; (2) examining to what extent the explanatory values of learning strategies, motivational variables, and general academic adjustment in predicting first-year academic achievement differ across academic and professional higher education contexts. The last two gaps, then, are situated in the second strand of transition research (concerned with the subjective first-year student experience): (3) examining the most important early first-year experiences of first-year students in professional higher education; (4) developing a self-report questionnaire that provides a comprehensive picture of the most important experiences of first-year university college students during their transition, and examining the criterion related validity of these experience scales with regard to mental well-being and academic achievement. The findings of the aforementioned four research goals are detailed in this dissertation.

PhD defence Bastiaan Redert (Department of Political Science) - Between a Rock and a Hard Place: Stakeholder Involvement as a Legitimation Strategy in European Union Agencies - 25/05/2021

  • Promovendus: Bastiaan Redert (Department of Political Science)
  • Promotor(s): prof Peter Bursens & prof Jan Beyers
  • Title:  Between a Rock and a Hard Place: Stakeholder Involvement as a Legitimation Strategy in European Union Agencies
  • Date: 25 May, 2021 - 3 PM (online event) 
  • Confirm your attendance before 19 May 2021 at bastiaan.redert@uantwerp.be 


SUMMARY

The European Union and its regulatory agencies are stuck between a rock and a hard place when involving societal stakeholders. On the one hand, agencies are expected to involve stakeholders to avoid allegations of being technocratic and distant policymaking. On the other hand, however, opening the door for stakeholders induces the risk for agency capture. Yet, it remains unknown whether stakeholder involvement as an institutional instrument indeed contributes to the agencies’ legitimacy. Therefore, the central research question of this dissertation is ‘To what extent does stakeholder involvement foster or inhibit balanced interest representation in EU regulatory agencies?’

This dissertation’s answer is based on two pillars. First, a theoretical pillar challenges the link built between stakeholder involvement, democracy and legitimacy. It argues that legitimacy is a social relationship and thus cannot be evaluated by simply comparing the EU’s institutional design to a democratic ideal. It reconceptualises legitimacy as a social relation and argues that stakeholder involvement is a mere legitimation strategy. To evaluate a legitimation strategy, scholars should assess whether the EU’s claims to be more democratic do in fact translate into improved policies or institutional designs.

The second pillar, consisting of four empirical chapters, does exactly so, and focuses on the formal consultation instruments of the European Supervisory Authorities (ESAs): three regulatory agencies operating in the policy field of financial regulation. Each of the empirical chapters assesses the participation of stakeholders in formal consultation procedures, i.e. public consultations and advisory councils. To this end, it collected all stakeholders’ responses to public consultations organised by the ESAs from 2004-2014. Moreover, to analyse the advisory councils, qualitative interviews were conducted with the members of these councils.

Based on these data, this dissertation shows that both the public consultations and the advisory councils are dominated by business interests. Participation in the public consultations remains largely stable over time, and although new stakeholders enter the arena, they remain peripheral actors. Also in the advisory councils, non-business interests such as consumer groups face difficulties in contributing to the meetings, allowing business interests to influence the councils.

These findings place a critical note to the idea that stakeholder involvement would automatically foster legitimate policymaking. Instead, stakeholder involvement is a legitimation strategy which the EU uses to legitimate their policymaking efforts. Investigating stakeholder involvement in three agencies, this dissertation shows that involving stakeholders might do more harm than good. The results show that it does not overcome, and sometimes even induces, biased interest representation. This implies that stakeholder involvement as an instrument to improve agencies’ legitimacy is flawed and should be considered with care.

SAMENVATTING

De Europese Unie en haar regelgevende agentschappen bevinden zich in een benarde situatie als het gaat om het betrekken van maatschappelijke stakeholders. Enerzijds moeten de agentschappen stakeholders betrekken om niet technocratisch en ondemocratisch geacht te worden. Anderzijds kunnen agentschappen beïnvloed worden door deze stakeholders, en riskeren ze zo economische belangen te bevoordelen bij het maken van beleid. Tot nu toe blijft het onbekend of het betrekken van stakeholders als institutioneel instrument inderdaad kan bijdragen aan de legitimiteit van EU-agentschappen. Daarom is de centrale onderzoeksvraag in dit proefschrift ‘In hoeverre bevordert of remt het betrekken van stakeholders een evenwichtige belangenvertegenwoordiging in regelgevende agentschappen van de EU?’

Het antwoord van dit proefschrift is gebaseerd op twee pijlers. De eerste pijler betwist de theoretische link die is gelegd tussen het betrekken van stakeholders, democratie en legitimiteit. Het proefschrift stelt dat legitimiteit een sociale relatie is en daarom niet kan worden beoordeeld door het institutionele ontwerp van de EU te vergelijken met een democratisch ideaal. Het beschouwt legitimiteit als een sociale relatie en stelt dat de betrokkenheid van stakeholders louter een legitimatiestrategie is. Om zo’n legitimatiestrategie te evalueren, moet men beoordelen of de claims van de EU zich daadwerkelijk vertalen in verbeterd beleid.

De tweede pijler, bestaande uit vier empirische hoofdstukken, evalueert deze legitimatiestrategie. Deze pijler richt zich op de formele consultatie-instrumenten van de European Supervisory Authorities (ESA’s): drie regelgevende agentschappen die actief zijn op het gebied van financiële regulering. De empirische hoofdstukken analyseren de deelname van stakeholders aan twee formele consultatie-instrumenten, namelijk openbare consultaties en adviesraden. Om deze instrumenten te analyseren, gebruikt dit proefschrift de data van alle reacties van stakeholders op de openbare consultaties van de ESA’s die zijn georganiseerd tussen 2004-2014. Voor de analyse van de adviesraden, zijn er kwalitatieve interviews afgenomen met de leden van deze raden.

Op basis van deze data laat dit proefschrift zien dat beide consultatie- instrumenten gedomineerd worden door economische belangen. De deelname aan de openbare consultaties blijft grotendeels stabiel in de loop van de tijd, en hoewel nieuwe stakeholders de beleidsnetwerken betreden, blijven zij perifere actoren. Ook in de adviesraden hebben niet-economische belangen zoals consumentengroepen moeite om bij te dragen, waardoor het economische belangen vrij staat om de raden te beïnvloeden.

Deze bevindingen plaatsen een kritische noot bij het idee dat het betrekken van stakeholders automatisch beleidsprocessen zou legitimeren. Het betrekken van stakeholders is slechts een legitimatiestrategie die de EU gebruikt om haar beleid te legitimeren. Echter, zoals dit proefschrift laat zien, kan het betrekken van stakeholders meer kwaad dan goed doen. De resultaten tonen aan dat het kan leiden tot een scheve belangenvertegenwoordiging in het voordeel van economische belangen. Dit impliceert dat het betrekken van stakeholders niet automatisch leidt tot het verbeteren van de legitimiteit van agentschappen. Daarom moet men zorgvuldig overwegen of het betrekken van stakeholders in beleidsprocessen wenselijk is of niet.

PhD defence Linda Sīle - Databased research in context: Exploration of contextual features of national databases for research output in the social sciences and humanities - 07/05/2021

  • Promovendus: Linda Sīle
  • Supervisors: Dr. Raf Guns, Prof. Dr. Tim Engels
  • Date of the defence:  Friday, May 7, 2021. 2 pm. Online.
  • Contact information: linda.sile@uantwerpen.be

Abstract

The aim of this thesis is to contribute to the understanding of contextual features of national databases of research output and the role these features play in the understanding of research within the social sciences and humanities. 

This mixed-methods thesis consists of four separate studies, each one contributing to the understanding of a particular aspect of databases for research output. The focus of the first study is on the identification and description of national databases for research output for social sciences and humanities currently operational in Europe. It is based on data collected through two surveys. The first survey gathered responses from 39 countries in Europe and identified more than 20 national databases. The key finding of the second survey is the identification of a variation in terms of different aspects of comprehensiveness (e.g., research output types, authors, institutions). The second study makes use of bibliometric research methods and explores how the choice of disciplinary classifications for journals in the social sciences and humanities influences bibliometric analysis. The findings of this study show that the choice of disciplinary classifications does not equally affect all analyses. While the changes in the absolute number of publications can be substantial, the changes in the relative number of publications are typically small. The third study also employs bibliometric methods and demonstrates an approach to construct complexity-sensitive book metrics for scholarly monographs. This approach takes into account that scholarly monographs can be complex works consisting of different translations, editions, and physical manifestations and results in a typology of different scholarly monographs: Globally-visible single-expression works, Globally-visible multi-expression works (GVME), Globally invisible works, and Miscellaneous. The fourth empirical study employs qualitative research methods to explore the conceptualisations that underpin national databases for research output. The findings show that there are two different database logics—Enlightenment and New Public Management—that shape the way these databases are designed and run.

The main conclusion that can be drawn from this thesis is that contextual features of databases for research output are of utmost importance. Databases for research output are created differently and for different purposes thus setting limits to the uses of these databases. Furthermore, this study highlights that the understanding of national databases for research output requires understanding of both the debates on such databases that take place in different knowledge domains and the specifics of research and research governance where the database for research output is situated.


Doctoraatsverdediging Jolijn De Roover (Departement Politieke Wetenschappen) - The Players and the Playing Field: How local governments practise autonomy - 06/05/2021

  • Promovendus: Jolijn De Roover
  • Promotor: prof. dr. Wouter Van Dooren
  • Titel thesis: The Players and the Playing Field: How local governments practise autonomy 
  • Datum en startuur: 6 mei van 15-17u 
  • Contactinformatie: Jolijn.DeRoover@uantwerpen.be
  • Bevestigen voor 4 mei

Abstract

Vele Europese landen hebben in de afgelopen decennia inspanningen geleverd om de autonomie van steden en gemeenten te vergroten. Het versterken van de lokale democratie en het verhogen van de efficiëntie en effectiviteit van beleid waren hierbij centrale uitgangspunten. Lokale autonomie kan echter pas een meerwaarde betekenen als steden en gemeenten de grotere vrijheid ook gebruiken om beleid te maken. Het blijft echter onduidelijk of meer formele autonomie ook resulteert in meer gebruikte autonomie. Bijgevolg onderzoek ik in deze doctoraatsstudie hoe en op welke manier steden en gemeenten formele autonomie ook effectief gebruiken in de beleidspraktijk.

Door de beleidskeuzes van steden en gemeenten onder de loep te nemen, toon ik aan dat formele autonomie een belangrijke eerste stap is naar meer autonomie in de lokale beleidsvoering, maar dat tegelijkertijd ook verschillende sociale mechanismen een cruciale rol spelen. De formele regelgeving voorziet immers het speelveld, maar verklaart niet waarom niet alle spelers hetzelfde spel spelen. Naast wetten en regelgeving blijken ook druk van horizontale en bottom-up structuren, alsook sectorale afscherming en capaciteit, bepalend voor de autonomie die steden en gemeenten gebruiken. Bij het vergroten van de formele autonomie moet daarom ook aandacht uitgaan naar informele druk vanuit netwerken, de capaciteit om te interageren met die netwerken, alsook naar de ‘capturing’ van het beleid door sterke betrokken partijen. Slechts op die manier kan lokale autonomie een opstap zijn naar meer lokaal maatwerk en een beter functioneren van de lokale democratie.

Doctoraatsverdediging Jasper Vanhaelemeesch (Departement Communicatiewetenschappen) - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America - 19/04/2021

Abstract - Common ground: Film cultures and film festivals in Central America

In the first 20 years of the 21st century, Central American film production has increased exponentially, despite a persistent lack of state support after decades of armed conflict. The relatively recent professionalisation and visibility of the ‘small’ and ‘precarious’ cinemas of Central America has coincided with the development of film festivals. In the ongoing emergence of regionally embedded film cultures, film festivals have assumed particularly mediating and enabling roles, in terms of education, promotion and distribution of local cinemas. These initiatives are contained within traditions that can be traced back to the heyday of New Latin American Cinemas during the 1980s, the Havana Film Festival and the educational ideology of the EICTV Film and Television School in Cuba, which emphasise creative solidarity and collaboration across borders. Since the signing of the last regional Peace Agreements in 1996, events responded to the broader cultural sector’s call to set up networks for cultural production on a regional scale, due to an emphasis on commonality, and the need for a larger audience. Through immersive and reflexive ethnographic fieldwork at film festivals in the region and a network analysis of film production relations, this study illuminates film-cultural developments during the postwar moment, a time especially marked by the active processing of past conflict and trauma through the socially cathartic experience of cinema. This results in a threefold thematic analysis of respectively film festivals, filmmaking communities and the creative use of the ‘postmemory’ phenomenon in the Central American film landscape. In absence of strong national support structures, film festivals have surfaced as multipurpose interfaces that facilitate the exhibition of Central American films, the transnational mobilisation and networking of film professionals, and the mediation of a conflicted past. Against economic, social and political odds, filmmakers in Central America share a common energy to strengthen and expand the region’s small cinemas for both cultural and economic reasons.

Abstract - Raakvlakken: Filmculturen en filmfestvals in Centraal-Amerika

Het productievolume van Centraal-Amerikaanse films is de voorbije jaren sterk toegenomen. Op minder dan een kwart eeuw zijn er vier keer meer langspeelfilms uitgebracht dan in de eerste honderd jaar aan film in Centraal-Amerika. Ondanks een gebrek aan structurele ondersteuning vanuit de zes respectievelijke overheden is er sprake van een culturele heropleving na decennia aan, al dan niet gewapende, conflicten in het subcontinent. De recente professionalisering en internationale zichtbaarheid van deze kleine en precaire filmculturen viel samen met de oprichting van een aantal nationale filmfestivals in Costa Rica en Guatemala, in een poging tot culturele reorganisatie die volgde op de ondertekening van de laatste regionale Vredesakkoorden tussen overheden en revolutionaire partijen in 1996. Bij gebrek aan uitgebouwde culturele industrieën en staatssteun stuurde de culturele sector in Centraal-Amerika erop aan om, naar het historische voorbeeld van de Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas, het filmfestival van Havana en de legendarische filmschool in San Antonio de los Baños in Cuba, zich te organiseren aan de hand van regionale ontmoetingen en elkaar te steunen inzake onderwijs over, productie en verspreiding van film. Het naoorlogse culturele vacuüm werd zo nagenoeg op organische wijze ingevuld door een reeks evenementen die zich al snel een regionaal bereik toemeten, en filmfestivals werden belangrijke platformen voor filmculturele ontwikkelingen binnen het subcontinent.

Dit werk bestudeert hoe filmfestivals hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van filmculturen in Centraal-Amerika sinds het ondertekenen van de Vredesakkoorden in 1996. Om deze vraag te beantwoorden werd er een uitvoerig theoretisch kader onderbouwd dat Centraal-Amerikaanse cinema’s beschouwt als onafhankelijke, kleine, precaire en regionale filmculturen met wortels in de ruimere geschiedenis van Nieuwe Latijns-Amerikaanse Cinemas en sterk geallieerd aan Cubaanse ideologisch-artistieke processen. De bevindingen uit het theoretische onderzoek hebben geleid tot het opstellen van een drievoudige thematische onderverdeling in het analytische deel, respectievelijk met een focus op filmfestivals in de regio, op film-producerende gemeenschappen en op de creatieve notie van postmemory als zijnde sterk karakteristiek met betrekking tot het huidige culturele landschap in Centraal-Amerika, dat zich in een fase bevindt waarin het recente tumultueuze en traumatische verleden actief verwerkt wordt om zodoende de toekomst vorm en kleur te geven.

Na het literatuuronderzoek werd er een vijftal maanden aan etnografisch veldwerk verricht op tien filmfestivals in Centraal-Amerika en Cuba. De empirische bevindingen uit het veldwerk hebben nadien geleid tot het opstellen van een relationele dataset waarin 344 films werden opgenomen, als ook 5,607 individuen die hebben meegewerkt aan de productie van deze films. De dataset liet toe om een netwerkanalyse uit te voeren, waarbij er gezocht werd naar de connecties in en tussen de producerende gemeenschappen doorheen de regio, om deze te toetsen aan de ervaringen uit het veldwerk. In de zes bestudeerde landen werden er dan ook zes gemeenschappen gevonden, die evenwel sterk verbonden zijn onderling door een aantal katalyserende sleutelfiguren die een centrale rol opnemen in het netwerk van Centraal-Amerikaanse filmproductie. Uit de analyse blijkt dat de spilfiguren in het netwerk niet enkel regisseurs zijn, maar ook producenten, festivalorganisatoren en anderen met film-technische profielen zoals geluidsspecialisten of camerapersoneel. Filmproductie wordt op deze manier in de verf gezet als een collectieve inspanning.

De drie geanalyseerde thema’s, zijnde filmfestivals, productienetwerken en audiovisueel geheugendiscours, wijzen erop dat filmfestivals in de regio zich ontwikkeld hebben als multifunctionele interfaces. Ze verzekeren niet enkel de vertoning van Centraal-Amerikaanse films, ze staan ook in voor de regionale mobilisatie en het netwerken van filmprofessionals en ze treden bovendien op als bemiddelaars van een gewelddadig verleden. Tegen economische, sociale en politieke verwachtingen in worden Centraal-Amerikaanse filmmakers gekenmerkt door een gedeelde energie om kleine filmculturen van binnenuit te versterken en uit te breiden, om culturele dan wel economische redenen.

Praktisch

  • Doctorandus: Jasper Vanhaelemeesch (Onderzoeksgroep ViDi)
  • Promotor: prof. dr. Philippe Meers
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging 19/04/2021 17h00 (CEST), online
  • Deelnemen? Bevestigen voor 16/04/2021 bij jasper.vanhaelemeesch@uantwerpen.be 
  • ism Vandenbunder Baillet Latour Chair for Film Studies and Visual Culture

Doctoraatsverdediging Lars Dorren (Departement Politieke Wetenschappen) - Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes - 03/03/2021

  • Promovendus: Lars Dorren
  • Promotor(s): Wouter Van Dooren, Koen Verhoest
  • Titel van de thesis : Analysis as Therapy. The therapeutic function of ex ante analyses in infrastructure policy processes
  • Datum, startuur & plaats van de verdediging: 3 maart, 15.00, online.
  • Bevestigen voor 24 februari per mail aan lars.dorren@uantwerpen.be

Abstract

Over the past decades, predictive or ex ante analyses have come to play an increasingly important part in policy processes. In infrastructure policy, they are used to predict the economic and environmental impact of investments. The ex ante analyses used in infrastructure policy processes are complex, difficult to understand and have limited predictive power, yet they also take up a central position in modern day policy processes.

This study offers a new perspective on the popularity of ex ante analyses based on an ethnographic study observing meetings in three large infrastructure policy processes in Belgium and the Netherlands. It argues that, besides the obvious informational role, ex ante analyses fulfil an important therapeutic function. The prime reason they are valued is not because they unambiguously tell policymakers what to do, but because they offer them the confidence to move processes forward in a world characterized by ambiguity and uncertainty.

Samenvatting

Gedurende de afgelopen decennia zijn voorspellende of ex ante analyses een steeds belangrijkere rol gaan spelen in beleidsprocessen. Zo worden ze in infrastructuurbeleid gebruikt om de economische- en milieueffecten van investeringen in te schatten. De ex ante analyses die hiervoor worden gebruikt zijn vaak complex, lastig te begrijpen en hebben beperkte voorspellende kracht, maar nemen tegelijkertijd een centrale positie in beleidsprocessen in.

Dit onderzoek biedt een nieuw perspectief op de populariteit van ex ante analyses, gebaseerd op een etnografische studie van infrastructuurbeleidsprocessen in Nederland en Vlaanderen. Het onderzoek laat zien dat ex ante analyses naast een informerende functie ook een belangrijke therapeutische functie hebben. Zij niet zo zeer gewaardeerd omdat ze beleidsmakers laten zien welke beleidsopties objectief de beste zijn, maar omdat zij beleidsmakers het vertrouwen geven keuzes te maken in een wereld gekenmerkt door ambiguïteit en onzekerheid.

Doctoraatsverdediging Evelien Willems (Departement Politieke Wetenschappen) - Balanceren tussen het vertegenwoordigen van de organisatorische achterban en het grote publiek: Een analyse van belangengroepen hun functioneren als intermediair tussen burgers en publieke beleidsvorming. - 25/02/2021

English abstract

How and the extent to which interest groups impact public policy is a core controversy in political science. On the one hand, interest groups hold the potential to function as intermediaries between citizens and policymakers thereby advancing policies closely connected to societal concerns. On the other hand, many groups are considered to bias public policy in favor of the happy few and to detract from the public interest. Lobbying scandals making news headlines invigorate concerns on the negative impact of interest group involvement in public policymaking.

This dissertation addressed this controversy by examining when and how interest groups connect the policy preferences of the general public with the policymaking process in each step of the influence production process. Specifically, I analyze the extent to which interest groups incorporate the citizen preferences in their positions (mobilization stage), how groups’ alignment with public opinion affects access to advisory councils, news media prominence (advocacy activities and access stage) and advocacy success (influence stage).

Results, based on comprehensive news and policy content analyses of 110 specific issues and a representative survey with Belgian interest groups, indicate that interest groups constantly walk a tightrope between, on the one hand, acting on their members and supporters’ preferences and, on the other hand, trying to influence public policy through the strategic alignment with public opinion. While broad public support helps interest groups to influence public policy, securing ties with members and supporters is vital for interest group maintenance and survival. This dissertation demonstrates that close constituency involvement often results in defending positions with scant public support and consequently can hamper groups’ access to advisory councils, limits the benefits of media prominence, and decreases the chances of advocacy success. These constraining effects of close constituency engagement in advocacy activities are especially pronounced on politicized issues; on salient and conflictual issues on which many interest groups mobilize. Hence, the active engagement of members and supporters is especially an asset to gain policy access and exert influence when policy issues are decided upon out of the public spotlight and when the scope of conflict remains limited. Interest groups that do enjoy broad public support, in contrast, can more easily put pressure on policymakers in a politicized context. Politicization elevates electoral and legitimacy concerns among policymakers and thus heightens their demand of broad societal support.

In sum, politicization and the strong involvement of constituencies can put interest groups’ intermediary function between the general public and policymakers under strain, but when interest groups enjoy broad public support it can also help them influence policy.

Nederlands abstract

Hoe en in hoeverre belangengroepen het overheidsbeleid beïnvloeden, is een kerncontroverse in de politieke wetenschappen. Enerzijds hebben belangengroepen het potentieel om als intermediair tussen burgers en beleidsmakers te fungeren en zo beleid te bevorderen dat nauw verband houdt met maatschappelijke bezorgdheden. Anderzijds worden veel groepen geacht het beleid te beïnvloeden ten gunste van slechts enkele geprivilegieerden en afbreuk te doen aan het algemeen belang. Lobbyschandalen die de krantenkoppen halen, versterken de bezorgdheid over de negatieve impact van de betrokkenheid van belangengroepen bij de beleidsvorming.

Dit proefschrift ging in op deze controverse door te onderzoeken wanneer en hoe belangengroepen de beleidsvoorkeuren van het grote publiek verbinden met het beleidsvormingsproces in elke stap van het invloedsproductieproces. Specifiek analyseer ik in hoeverre belangengroepen de beleidsvoorkeuren van burgers in hun standpunten opnemen (mobilisatiefase), hoe steun van de publieke opinie de toegang tot adviesraden en prominentie in nieuwsmedia kan verklaren (belangenbehartiging en toegangsfase) en het uiteindelijke succes van belangenbehartiging beïnvloedt (invloedsfase).

Resultaten, gebaseerd op uitgebreide nieuws- en beleidsinhoudsanalyses van 110 specifieke beleidskwesties en een representatieve enquête onder Belgische belangengroepen, tonen aan dat belangengroepen voortdurend balanceren tussen enerzijds het handelen op basis van de voorkeuren van hun leden en achterban en anderzijds, proberen het overheidsbeleid te beïnvloeden door middel van strategische afstemming met de publieke opinie. Terwijl brede publieke steun belangengroepen kan helpen om beleid te beïnvloeden, is het veiligstellen van banden met leden en achterban essentieel voor het voortbestaan van belangenorganisaties. Dit proefschrift toont aan dat nauwe betrokkenheid van de achterban vaak leidt tot het verdedigen van een standpunt met weinig publieke steun en bijgevolg de toegang van groepen tot adviesraden kan belemmeren, de voordelen van media-aandacht beperkt en de kans op succes van belangenbehartiging verkleint. Deze beperkende effecten van de nauwe betrokkenheid van de achterban bij belangenbehartigingsactiviteiten zijn vooral uitgesproken bij gepolitiseerde kwesties; bij kwesties die veel aandacht trekken, een hoge mate van conflict genereren en waarop veel belangengroepen mobiliseren. Daarom is de actieve betrokkenheid van leden en achterban vooral een troef om toegang tot het beleid te krijgen en invloed uit te oefenen wanneer beleidskwesties buiten de publieke schijnwerpers worden beslist en wanneer de omvang van het conflict beperkt blijft. Belangengroepen die wel een breed maatschappelijk draagvlak genieten, kunnen daarentegen gemakkelijker druk uitoefenen op beleidsmakers in een gepolitiseerde context. Politisering verhoogt beleidsmakers hun bezorgdheid over electorale vergelding en de legitimiteit van beleid, en verhoogt daarmee hun vraag naar brede maatschappelijke steun.

Kortom, politisering en de sterke betrokkenheid van de achterban kunnen de intermediaire functie van belangengroepen tussen het grote publiek en beleidsmakers onder druk zetten, maar wanneer belangengroepen brede maatschappelijke steun genieten kan dit hen ook helpen beleid te beïnvloeden.

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie) - Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space - 29/01/2021

Doctoraatsverdediging Louis Volont (Departement Sociologie & Culture Commons Quest Office)

Shapeshifting: The Cultural Production of Common Space

  • Promotoren: Prof. Pascal Gielen & Prof. Walter Weyns
  • Vrijdag 29 januari 2021, 9u30

Wil je de online verdediging bijwonen? Geef dan een seintje voor 19 januari aan Louis Volont.

Abstract

As the neoliberalization of our cities continues apace, a growing group of opponents assumes merit in the concept of ‘common space’. In common space, use and collectivity take precedence over profit and expert authorship. Whilst a growing body of scholarship construes such common spaces as pre-existing areas or buildings to be reclaimed from capitalist command, less attention has gone to how they are raised from scratch. In order to fill this void, this study explores how common spaces are produced within the current conditions of urban development. In so doing, it follows the lead of a specific breed of architect: the one working at the crossroads of cultural activism and community organizing.

In-depth interviewing and participatory observation allow to present the possibilities and pitfalls of space-commoning in a variety of cities. At the Public Land Grab (London), a derelict piece of urban land was transformed into a community farm. At Pension Almonde (Rotterdam), a social housing complex became a locus for cultural production. At Montaña Verde (Antwerp), a plaza was turned into a co-created piece of public art. Data from collectives such as the Atelier d’Architecture Autogérée (Paris), Raumlabor (Berlin) and Zuloark (Madrid) are highlighted as well. Transversally, the voyage is guided by Henri Lefebvre’s theory of the production of space.

Results are threefold. First, the distinction between Symbiotic and Oppositional Commoning is proposed, resulting in a ‘Taxonomy of Tactics’. Second, the relation between urban commoners and municipal institutions is refined by advocating agonism. Finally, Lefebvre’s lexicon is mobilized in order to explore the cross-fertilization between urban commoning and political action. Overall, this dissertation puts the human imagination at the centre of the city. It will therefore be of value to scholars, artists and activists with an interest in the creative dimension of the built environment.