Onderzoekslijnen

Momenteel is Antwerp Tax Academy gericht op vijf onderzoekslijnen.

1. Het draagkrachtbeginsel als 'leitmotiv' voor de hervorming van de personenbelasting in de actieve welvaartstaat.


De wetgever heeft bij de hervorming van de wetgeving inzake de inkomstenbelastingen in 1962 duidelijk rekening willen houden met de draagkracht van de belastingplichtige. Deze ambitie stond vooral centraal bij de uitwerking van de personenbelasting. Genoemde belasting werd immers sindsdien geheven op de globale inkomsten, ongeacht de aard ervan en de cumulatieve belasting van de inkomsten van echtgenoten werd veralgemeend.

De wetgever ging uit van de gedachte dat een rechtvaardige lastenverdeling niet behoorlijk kon worden gerealiseerd indien enkel rekening werd gehouden met het fiscaal draagvermogen van het individu. Het gezin werd gezien als een economische eenheid, en derhalve werd, ter beoordeling van de draagkracht van de belastingplichtige, de samenstelling van zijn gezin in aanmerking genomen. Dit uitte zich o.m. in de verhoging van het belastingvrij minimum en een progressieve reductie op basis van het aantal familieleden ten laste. Op grond van voormeld beginsel werd ook de invoering gerechtvaardigd van de progressie van de tarieven in de personenbelasting. Wel werd erover gewaakt dat deze progressie niet zo hoog werd opgevoerd dat zij zou leiden tot een inkomensnivellering i.p.v. tot enkel een billijke aanpassing van de belastingdruk aan het werkelijke draagvermogen. Ook de omstandigheid dat de personenbelasting in principe wordt geheven op een netto-grondslag, geeft uiting aan het draagkrachtbeginsel.

Over de jaren heen is het Wetboek inkomstenbelastingen echter veelvuldig gewijzigd, met als gevolg dat van de oorspronkelijke bedoeling een eenvoudige belasting te ontwikkelen, weinig terecht is gekomen en dat van de eerbiediging van het draagkrachtbeginsel steeds minder sprake is.
Dit rechtvaardigt de vraag of ons huidige stelsel in globo nog beantwoordt aan het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel, waarvan het draagkrachtbeginsel kan worden beschouwd als een uitloper. De zware fiscale druk op inkomsten uit arbeid vergeleken met de fiscale druk op andere inkomsten, vormt hiervan een schoolvoorbeeld. De belastingdruk voor loontrekkenden in België behoort al jaren  tot de hoogste ter wereld ondanks maatregelen om hieraan te verhelpen.
Verder hebben de verschillende aanpassingen aan het Wetboek inkomstenbelastingen sinds 1962 ertoe geleid dat de Belgische inkomstenbelastingen hopeloos ondoorzichtig en ingewikkeld zijn geworden en rijst de vraag door welke de basisopties de inkomstenbelastingen thans worden beheerst.
 
Belastingplichtigen hebben het steeds moeilijker om de logica van het systeem te doorgronden, zij worden geconfronteerd met talloze snel wijzigende, moeilijk te begrijpen fiscale regeltjes waarvan de samenhang en logica vaak ver is te zoeken. Belastingplichtigen dreigen hierdoor steeds meer te vervreemden van het fiscaal regime waaraan zij worden onderworpen. Een gevolg is dat zij steeds minder begrip kunnen opbrengen voor de zinvolheid van de forse financiële inspanning die jaarlijks van hen wordt verwacht.

De personenbelasting vandaag vertoont fundamentele onevenwichten die vragen om een meer grondige hervorming.
Opdat een degelijke hervorming op een voldoende ruim (maatschappelijk) draagvlak zou kunnen rusten is voorafgaandelijk een grondig debat vereist dat rust op interdisciplinair fundamenteel onderzoek. Zo moet o.m. opnieuw de vraag worden gesteld of de oorspronkelijke basisopties inzake de personenbelasting (nl. een eenvoudige, efficiënte en rechtvaardige belasting naar draagkracht) nog wel als valabel kunnen worden beschouwd. Indien het draagkrachtbeginsel niet meer als een aanvaard uitgangspunt wordt beschouwd, rijst de vraag volgens welk(e) beginsel(en) de personenbelasting dan wel moeten gestalte krijgen. Wordt het draagkrachtbeginsel daarentegen nog wel aanvaard, dan rijst de vraag of draagkracht beoordeeld moet worden op individuele basis (per belastingplichtige) dan wel rekening houdende met al dan niet juridisch gestructureerde samenlevingsvormen (bijv. feitelijke samenwoning, wettelijke samenwoning, huwelijk, enz.). Voorts rijst de vraag of vanuit het draagkrachtprincipe het nog kan worden verantwoord dat in de personenbelasting de verschillende soorten inkomsten zo uiteenlopend worden belast. Vergelijk daartoe bijv. de belasting op de roerende inkomsten en bepaalde onroerende inkomsten met de belastingdruk op inkomsten uit arbeid.

Beperkt de vaststelling van de draagkracht zich tot de “draagkracht” geput uit inkomen (ongeacht de oorsprong ervan: arbeid of vermogen), of moet ook rekening worden gehouden met het volledige vermogen van de belastingplichtigen, ook als dat geen inkomen genereert? Moet bij de vaststelling van de draagkracht naast het inkomen en/of vermogen eventueel nog rekening worden gehouden met andere factoren (bijv. de koppeling van draagkracht aan cognitieve capaciteiten? enz.).

2. Ondernemen in de 21ste eeuw en nieuwe technologie├źn: fiscale opportuniteiten en uitdagingen

Nieuwe technologieën en de digitalisering hebben een fundamentele impact op onze maatschappij. Deze evolutie brengt zowel fiscale opportuniteiten als uitdagingen met zich mee.

Aan de ene kant bieden nieuwe technologieën (datamining, blockchain, internet of things, enz.) opportuniteiten voor de fiscale administratie op het vlak van efficiëntie, als middel voor een betere handhaving van de belastingplicht. Deze verhoogde efficiëntie kan voor ondernemingen bijdragen tot meer vertrouwen in een goed georganiseerde overheid, tot minder administratieve lasten, meer transparantie  en een betere ‘compliance’. Doch privacyoverwegingen en meer algemeen, de rechtsbescherming van de belastingplichtige moeten hierbij eveneens in aanmerking worden genomen.

Aan de andere kant leidt de digitalisering tot een nieuwe economische werkelijkheid (bv. nieuwe werkvormen en nieuwe ondernemingsmodellen), waarmee de huidige regelgeving onvoldoende rekening houdt. Het is van belang dat ook binnen deze nieuwe economische werkelijkheid ondernemingen een rechtvaardige belastingbijdrage betalen in functie van de plaats waar waarde wordt gecreëerd. Voorts biedt de digitalisering nieuwe risico’s van agressieve fiscale planning en concurrentiestrijd tussen lidstaten om investeringen aan te trekken. Ook België ontsnapt hier niet aan en participeert als kleine, open economie zelfs effectief mee aan deze hevige concurrentiestrijd.

Het regelgevend kader moet aan deze evolutie aangepast worden, om te blijven voldoen aan de eisen van gelijkheid, draagkracht en efficiëntie. Dit vormt een uitdaging aangezien waardecreatie in de digitale economie minder gekoppeld is aan fysieke aanwezigheid, maar meer aan immateriële activa die eigen zijn aan de digitalisering (intellectuele eigendomsrechten, artificiële intelligentie).

De aanpassing van de internationale, Europese en Belgische ondernemingsfiscaliteit aan deze wereldwijde ontwikkelingen,  staat centraal in deze onderzoekslijn.

3. Fiscaal federalisme

Onder de druk van de financiële en daaropvolgende economische crisis lijkt in de Europese Unie en meer in het bijzonder in de Eurozone een toegenomen behoefte aan verdere integratie op fiscaal en begrotingstechnisch vlak. Deze vaststelling rechtvaardigt vragen over het al dan niet afstaan van ‘fiscale’ soevereiniteit door de lidstaten ten gunste van de Europese Unie resp. de Eurozone.

Moet de versterking van de economische en monetaire unie binnen de Europese Unie en meer specifiek binnen de eurozone effectief leiden tot een grotere inspraak op Europees niveau bij de uitoefening door de lidstaten van hun eigen fiscale bevoegdheden? Zo ja, tot hoever is men bereid deze verdergaande inspraak vanuit Europa toe te laten en hoe verhoudt dit alles zich tot het zgn. subsidiariteitsprincipe?

Veronderstelt een monetaire unie ook dat (op termijn) meer moet worden geraakt aan de nationale fiscale soevereiniteit zelf van de lidstaten en tot de invoering van regelrechte Europese belastingen.

Ten slotte roept de ontwikkeling naar meer regionale autonomie binnen de EU-lidstaten, vragen op naar de mogelijkheden tot en de grenzen aan de verkaveling van fiscale bevoegdheden over meerdere bestuursniveaus en naar de wijze waarop bestuursrechtelijke verzelfstandigingsprocessen fiscaal het meest optimaal kunnen worden afgewikkeld.

4. Het beheer van het privaat vermogen vanuit fiscaal perspectief

Deze vierde onderzoekslijn is gericht op multidisciplinair onderzoek  (juridisch, sociologisch, economisch en ethisch) over de fiscale aspecten van het privaat vermogen  gezien vanuit het perspectief van de eigenaar.

Enerzijds focust het onderzoek op het fiscale statuut van het privaat vermogen gedurende het leven. Het onderzoek richt zich daarbij in eerste instantie op de fiscale gevolgen van het verwerven van vermogen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan de fiscale behandeling van het beheer van het vermogen.

Anderzijds richt het onderzoek zich op de fiscale behandeling van de overdracht van vermogen en naar de verhouding tussen vermogenstransfertbelastingen en eventuele vermogensbelastingen. Het fiscaal regime van de overdracht van het vermogen weerspiegelt vaak de eigen bijzondere visie van  de fiscale wetgever  op traditionele concepten als gezin en vermogen. Zo stimuleert de fiscale wetgever via tal van technieken (categorieën erfgenamen, gelijkstellingen, vrijstellingen en verminderingen) de gezinsvorming. Te denken valt aan het fiscaal statuut van partnerrelaties of aan de fiscale behandeling van zorgrelaties. Via vrijstellingen en verminderingen bij de overdracht van bepaalde vermogensbestanddelen beïnvloedt de fiscale wetgever ook de wijze van samenstelling van het vermogen. Te denken valt hier aan de fiscale behandeling van familieondernemingen, maar evenzeer aan de vrijstelling op de vererving van de gezinswoning.

5. Fiscaal (rechts) vergelijkend onderzoek

In de vijfde en laatste onderzoekslijn van Antwerp Tax Academy staat de (rechts)vergelijkende methode centraal. Deze onderzoekslijn heeft twee stromen.

1. Een eerste stroom onderzoekt volgens de (rechts)vergelijkende methode lokale, regionale, nationale, Europese en internationale fiscale knelpuntthema’s. Daarbij wordt vooral aandacht besteed aan structurele verschillen en gelijkenissen tussen belastingsystemen. Onder meer de volgende thema's komen aan bod: statuut van de algemene rechtsbeginselen, interpretatiemethoden, maatregelen tegen agressieve fiscale planning, stimuli voor onderzoek en ontwikkeling, fiscale autonomie van lokale overheden en de overheid als belastingplichtige.

Vanuit een multidisciplinaire invalshoek (juridisch, economisch, sociologisch, filosofisch, psychologisch of historisch) wordt onderzocht hoe verschillende belastingsystemen verklaard kunnen worden, en worden nieuwe inzichten en oplossingen gezocht.

Het rechtsvergelijkend onderzoek draagt ook bij tot de vier andere onderzoekslijnen van Antwerp Tax Academy (namelijk het draagkrachtsbeginsel, de belastingen als instrument ter bevordering van het ondernemerschap, het fiscaal federalisme en het beheer van het privaat vermogen).

2. Een tweede stroom onderzoekt de functies van de rechtsvergelijkende methode in fiscalibus. Waartoe dient deze methode? 

Ten eerste wordt in de rechtsleer aangenomen dat rechtsvergelijking toelaat het eigen recht beter te kennen, omdat op deze manier het referentiekader ruimer wordt. Aldus worden nieuwe invalshoeken gevonden voor de verbetering van het eigen recht.

Ten tweede wordt vastgesteld dat de nationale belastingsystemen onvoldoende op elkaar zijn afgestemd. Dit leidt tot coördinatieproblemen (bv. afbreuk aan draagkrachtbeginsel, dubbele belasting, ruimte voor agressieve fiscale planning). Fiscale rechtsvergelijking laat toe om het belastingsysteem van andere landen beter te kennen, zodat de systemen beter op elkaar afgestemd kunnen worden.

Ten slotte is minder duidelijk of rechtsvergelijking ook een verdergaande rol kan hebben. Zo kan worden vastgesteld dat het Europees Hof steeds vaker uitgebreid beroep doet op de rechtsvergelijkende methode om de draagwijdte van de in het EVRM bepaalde grondrechten te beoordelen. Daarnaast doen ook nationale hoven in meerdere of mindere mate beroep op de rechtsvergelijkende methode om het eigen belastingrecht te interpreteren.

Onderzocht wordt hoe ver de functies reiken van de rechtsvergelijkende methode. Wat zijn de mogelijkheden en de grenzen?