Niels De Ridder is postdoctoraal onderzoeker aan de KU Leuven, met een bijzondere interesse in het raakvlak tussen literatuur en ideologie in de midden-Byzantijnse periode.

Frans van Cranevelt, bekend onder zijn pennaam Franciscus Craneveldius, moest in de winter van 1534 wegens koorts op doktersadvies thuisblijven vanwege “het winterse jaargetij en de koude” (propter hybernum anni tempus, ac frigora). Om de verveling tegen te gaan maakte hij in zes boeken een Latijnse vertaling van Procopius van Caesarea’s oorspronkelijk Griekse tekst De Aedificiis. Zo schrijft hij in het korte voorwoord op zijn vertaling, die hij opdraagt aan Nicolas Perrenot, adviseur en secretaris van keizer Karel V, aan wiens hof hij zelf ook nog werkte. Volgens van Cranevelt past het een christelijke vorst beter om een bouwheer te zijn dan een krijger. Daarom lijkt het hem gepast zijn vertaalwerk – uiteraard in Ciceroniaanse stijl – op te dragen aan bovengenoemde Perrenot, in zijn hoedanigheid als adviseur van de voornaamste christelijke heerser van die tijd.

Van Cranevelt studeerde en onderwees aan de Leuvense universiteit, waar hij bekendheid verwierf als hellenist, en waar zijn briefwisseling met de groten van zijn tijd, zoals Lipsius en Erasmus, nog steeds bewaard wordt. Ondanks Cranevelts’ “hanenpoten” (gallinacea more pingas, aldus de humanist Vives), is zijn correspondentie van onschatbare waarde voor onze kennis van het intellectuele leven in de vroege zestiende eeuw.

De Aedificiis, of Περὶ κτισμάτων, is een van de drie bewaarde werken van Procopius, samen met de Bella ('Oorlogen') en de Anecdota (“Geheime geschiedenis”). Alle drie beschrijven een aspect van de heerschappij van de Romeinse keizer Justinianus. Deze probeerde in de zesde eeuw vanuit het Oosten om de verloren provincies van het West-Romeinse rijk opnieuw onder zijn gezag te brengen en het keizerrijk een nieuwe uitstraling te geven met een grootse bouwcampagne. Bella bevat een eerder feitelijk relaas van Justinianus’ campagnes. De Aedificiis is fraaie propaganda, waarin Procopius in rijke taal de grootsheid van de gebouwen die Justinianus liet oprichten beschrijft, alsook de goedheid en de vroomheid van de keizer. Pour la petite histoire: in de pas later ontdekte Anecdota schildert Procopius de keizer en zijn echtgenote af als schurken en tirannen.

Het werk begint met een beschrijving van de Hagia Sofia. Het meest sublieme deel van de kerk is de koepel die, rondom voorzien van ramen, de kerk voorziet van licht en de blik van de bezoekers omhoog leidt. In de vertaling van van Cranevelt leest dit als volgt: “Dit bouwwerk lijkt door de uitmuntendheid van haar structuur niet op de aarde te staan, maar in de hemel te hangen op een gouden keten.” (Videtur enim hoc opus proter excellentiam structurae non in terra consistere, sed aurea quadam cathena e coelo dimissum.) Dit architecturale wonder, gevat in de woorden van Procopius en van Cranevelt, was door de eeuwen heen de grote aandachtstrekker van bezoekers van de kerk.

Al leefden ze duizend jaar van elkaar gescheiden, toch hadden Procopius en van Cranevelt veel met elkaar gemeen. Beiden waren geleerden en mannen van het woord, beiden waren aangewezen op de gunsten van rijke en machtige sponsors. Of is dat simpelweg het lot van woordkunstenaars in alle tijden?

Bron

Procopius van Caesarea, Frans van Cranevelt (vert.), De Justiniani Imp. aedificiis libri sex. Parijs: Chrétien Wechel, 1537.
Universiteitsbibliotheek Antwerpen, Bijzondere Collecties. MAG-P 13.153.

Meer lezen?

  • “Granvelle, Nicolas Perrenot de (1485-1550)”. Online geraadpleegd in BnF-catalogue.
  • R. Adam, 'Recherches sur la bibliothèque de Frans van Cranevelt (1485-1564)', in: De Gulden Passer, vol. 90, nr. 2 (2012), 127-142
  • J. IJsewijn, De Cranevelt correspondentie. Brussel: Koning Boudewijn Stichting, 1990.
  • De brieven van van Cranevelt zijn te bekijken via deze online tentoonstelling.