Yuna De Leeuw over haar masterproef

Studio Reuse of Modernist Buildings


In het derde jaar werkte ik zowel in mijn bachelorproef als tijdens mijn stage in een architectenbureau rond zorgfuncties. Ik werkte ik mee aan plannen voor de renovatie van een palliatieve afdeling. Die ervaring maakte me duidelijk hoe sterk ontwerp kan inspelen op kwetsbare contexten en gebruikers. 

Een bewuste keuze voor een ontwerpmasterproef

Bij de start van het masterjaar moest ik een keuze maken voor mijn masterproef. De kennis en ervaringen uit het derde jaar waren daarbij doorslaggevend. Ik ontwerp graag en had enorm veel zin om dieper in het ontwerpproces te duiken, waardoor ik bewust koos voor een ontwerpmasterproef binnen de studio RMB. Modernistische architectuur is alomtegenwoordig en herkenbaar, en het idee om erfgoed mee te nemen in een ontwerp sprak me sterk aan. Dat je niet zomaar alles afbreekt, maar vertrekt vanuit wat er al is, hergebruikt en de karaktereigenschappen juist in het licht zet, voelde voor mij helemaal juist. Vooral nu duurzaam en circulair bouwen voor mij en in de maatschappij steeds belangrijker wordt.

Leren ontwerpen in een realistische context

Wat voor mij deze studio extra waardevol maakt, is de sterke link met de praktijk. We werken in een realistische context, wat me enorm motiveert. In het eerste semester ontwierpen we samen met medestudenten een nieuw masterplan voor het gebouw van de Hogere Zeevaartschool in Antwerpen. Het vooronderzoek gebeurde in kleine groepen, waarna we individueel verder werkten. Zelf koos ik in mijn herontwerp voor een open leercentrum. Al vóór de jury van het eerste semester voelde ik het kriebelen om in het volgende semester echt aan mijn eigen masterproef te beginnen.

Een modernistisch gebouw als vertrekpunt

Voor mijn individuele masterproef koos ik een modernistisch kantoorgebouw in Oud-Berchem. Vooral de gevel trok me aan: het gebouw wordt gedragen door kolommen die nog steeds zichtbaar zijn in het gevelbeeld. Dat structurele ritme wilde ik absoluut behouden en verder onderzoeken. Het gebouw is ontworpen door Leon Stynen en Paul De Meyer, wat het erfgoedaspect nog relevanter maakte.

Grondig onderzoek als ontwerpmotor

Ik heb me volledig in het onderzoek gestort, zonder vooropgezet ontwerpidee. Ik las ontzettend veel artikels en academische papers over de buurt en raadpleegde verschillende archieven en literatuur over het architectenduo, om meer inzicht te krijgen in het gebouw en de oorspronkelijke plannen. Dat vooronderzoek was intens maar enorm verrijkend. Het deed me opnieuw beseffen hoe essentieel grondig onderzoek is en hoeveel impact het heeft op de kwaliteit en onderbouwing van een ontwerp. 

Tijdens mijn onderzoek ontdekte ik dat de buurt vandaag aantrekkelijker wordt gemaakt, maar tegelijk blijft het een aankomstwijk voor nieuwkomers. Die spanning is niet nieuw waardoor er al heel wat over geschreven is, in onderzoek en via getuigenissen. De buurtbewoners ervaren het actief. Dit wilde ik meenemen in mijn ontwerp. Het werd al snel duidelijk dat mijn project een sociale functie nodig had. Ook de problematische huizenmarkt speelde een grote rol. Na verder onderzoek drong het thema wonen zich vanzelf op, het is vandaag moeilijk om een woning te vinden in Oud-Berchem. 

In een theorieles ‘onderzoekstheorie’ bij professor Somers werd sociale duurzaamheid in relatie tot wonen een belangrijk onderwerp. Die inzichten kon ik rechtstreeks toepassen. Je kan een prachtig gebouw ontwerpen, maar uiteindelijk is het altijd de gebruiker die bepaalt of het werkt, dat uitgangspunt lag aan de basis van mijn ontwerp. Ik stelde een enquête op en ging de buurtbewoners bevragen. Meer dan de helft van de respondenten miste groen in de wijk. Weer iets dat werd onderbouwd door onderzoek, maar ook makkelijk zelf te ervaren was. De noden van de buurt waren duidelijk: een stedelijke serre en co-housing als woonvorm. Zo pak ik de segregatie, huizenmarktcrisis en terkort aan groen aan.

Van concept naar ontwerp: interactie en ontmoeting

Het gelijkvloers van het gebouw maakte ik open en voorzag ik van stedelijk groen. Buitenruimte ontwerpen was nieuw voor mij waardoor ik advies vroeg aan Kevin Van Steenbergen, tuin- en landschapsarchitect, met wie ik eerder al had samengewerkt. Deze multidisciplinaire aanpak vond ik bijzonder waardevol. Op de hogere verdiepingen organiseerde ik huisvesting. De structuur en het strakke ritme van het modernistische gebouw leenden zich daar perfect toe. Die kwaliteiten wilde ik maximaal behouden en liefst nog extra gebruiken. Hiervoor hergebruik ik bijvoorbeeld de profielen van gevelopeningen als scheidingselementen in het interieur wat het karakter van het gebouw benadrukt, iets waar ik veel waarde aan hecht. 

Conceptueel stond ‘interactie’ centraal. Ik onderzocht de circulatie door te schetsen en dagelijkse routines in kaart te brengen. Mensen zoeken instinctief de kortste weg, iets waar mijn docente Sara Eloy al op wees. Die rechte, korte lijnen vormden een raster dat zichtbaar maakte waar ontmoetingen vanzelf zou ontstaan, zonder iets te forceren als ontwerper. Dat werd de basis voor mijn ontwerp van een co-housingproject, met een focus op transitiewoningen: een eerste woonplek voor nieuwkomers in de buurt. Het ontwerp is niet dwingend, maar suggereert en faciliteert ontmoeting.

Alles komt samen in de masterproef

Vandaag ben ik volop bezig met schetsen en volumestudies maken om het ontwerp verder te verfijnen en te visualiseren. Deze masterproef brengt alles samen: onderzoek, ontwerp, theorie, praktijk en samenwerking. Ik contacteer onderzoekers, gebruik inzichten uit verschillende opleidingsonderdelen en bouw verder op contacten die ik tijdens mijn opleiding heb gelegd. Ik zit helemaal in mijn sas: dit project bevestigt voor mij waarom ik voor interieurarchitectuur heb gekozen.