PhD defenses 2023

Attend a PhD defense or consult past defenses

The Impact of the Best Interests of the Child on Shared Parenting and Joint Custody - Marco Poli (13/12/2023)

PhD defense Marco Poli

  • 13 December 2023 - 11am at Università di Torino
  • Supervisors: prof. dr. Frederik Swennen (University of Antwerpen) & prof. dr. Joëlle Long (Università di Torino)
  • Joint PhD Università di Torino & University of Antwerp - Public defense at Università di Torino
  • You can attend the defense online via this link: ​


In the Western legal tradition, there is a broad consensus that it is in the child's best interests for each parent to be involved in the child’s upbringing, even if they live apart. Therefore, shared parenting and joint custody are generally presented as the optimal outcome in non-partnering parenting scenarios. But what do shared parenting and joint custody mean? Are they the same in Belgium, Italy, England and Wales? In whose best interests is shared parenting awarded?

This study examines custody law and its application to determine whether the current implementation of shared parenting arrangements, as governed by family law in Belgium, Italy, England and Wales, effectively serves the best interests of the child.

Because of its legal nature, this analysis focuses primarily on a comparison of national legislation, with particular reference to the Children Act 1989 and the Belgian and Italian Civil Codes, as well as, from a law-in-action perspective, on their application in case law. However, in line with the socio-legal approach, social science and psychological literature from a gender perspective are considered. Quantitative and qualitative research are examined to contribute to a socially informed understanding of joint custody as a legal tool.

With this comparative and multidisciplinary focus in mind, the research first examines the general principles of non-partnering parenting, namely the best interests of the child and the shared parenting principle. Second, it analyses the current legal implementation of the shared parenting principle, looking at both legal and physical custody. Third, it examines whether the current implementation of custody law has limitations with regard to the best interests of the child. Particular attention is paid to inter-parental conflict and the parent-child relationship. Finally, based on these findings, the thesis attempts to provide recommendations for courts and legislators involved in dealing with custody issues to adopt a child-inclusive approach, encompassing the emotional, psychological and social dimensions in the legal analysis.

From an interdisciplinary and holistic approach, the thesis concludes by highlighting the limitations of shared parenting as a universal solution to custody disputes, especially when confronted with the best interests of the child and the diverse realities of modern families. Indeed, as far as the best interests of the child are concerned, it's important to stress the undeniable and often covert influence of parental interests on the courts' custody decisions, overshadowing the transparency of the legal process. Moreover, the current approach to shared parenting tends to focus on an idealised 50/50 division of the child's time: it neglects the importance of sharing parental responsibilities and, thus, reduces shared parenting as an optimal outcome to a mere alternative time-sharing arrangement. However, the diverse structures, dynamics and demands of contemporary families have highlighted the inadequacies of this one-size-fits-all approach. The composition of families varies widely, including working parents, single parents, people living close together or far apart, even in different cities or countries. In addition, cultural and socio-economic factors influence parenting practices and expectations, further highlighting the limitations of a standardised shared (physical) custody framework in addressing the persistent gendered division of care within the family. Given these complexities, the current approach to shared custody differs significantly from what is required for a child-inclusive custody law.

Bijzondere receptiviteit voor schade in het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht: de aansprakelijke neemt het slachtoffer zoals hij het aantreft? - Lies D'Hondt (20/11/2023)

Doctoraatsverdediging Lies D'Hondt

  • 20 november 2023 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Thierry Vansweevelt & prof. dr. Britt Weyts (Faculteit Rechten)


Iedereen heeft wel één of ander(e) gezondheidskwaal, aandoening, letsel, zoals een allergie, slecht zicht, artrose… Dit geldt vergelijkbaar voor zaken, die onderhevig zijn aan ouderdomsslijtage, mechanische defecten oplopen… Al deze aspecten kunnen, in geval van een schadegeval, een invloed uitoefenen op de schade naar aanleiding van dat schadegeval. De vraag is bijgevolg wie voor deze invloed moet instaan. Moet de aansprakelijke het slachtoffer nemen zoals hij het aantreft? Of moet het slachtoffer, gelet op deze invloed op de schade, zelf voor (een deel van) deze schade instaan?

Het ontbrak tot nu toe aan een bredere theorie omtrent deze materie, wat aanleiding gaf tot rechtsonzekerheid. De doelstelling van dit onderzoek was dan ook om een algemene theorie te creëren voor deze materie, gebaseerd op de principes van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht.

Dit onderzoek stelt om te beginnen een onderscheid voor tussen 1) de activatie van de loutere aanleg, 2) de synergetische verergering van de bestaande schadende toestand en 3) de vermindering van de schade door de bestaande schadende toestand. Dit voorgestelde onderscheid betreft doelbewust een vereenvoudiging van de tot nu toe bestaande uiteenlopende onderverdelingen in de doctrine. Om dit onderscheid verder te concretiseren, werkte het onderzoek een beoordelingswijze uit die op verschillende punten afwijkt van de bestaande theorie en de manier waarop dit onderscheid in de praktijk plaatsvindt, allebei eerder gestoeld op medische inzichten.

In de verdere opbouw van het theoretisch kader werd voor elke onderscheidde situatie aangegeven hoe deze moet worden beoordeeld in het licht van de principes van het buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht. Voor de activatie van de loutere aanleg geldt de regel dat de aansprakelijke, ondanks de invloed van de loutere aanleg op de schade, alle schade naar aanleiding van het schadegeval moet vergoeden. Bij een verergering van de bestaande schadende toestand moet de aansprakelijke, na aftrek van de bestaande schadende toestand, alle schade vergoeden, ondanks de invloed van de bestaande schadende toestand op de schade. In geval van een vermindering van de schade door de bestaande schadende toestand moet de aansprakelijke (louter) de beperktere schade vergoeden. De aansprakelijke lijkt het slachtoffer dus te moeten nemen zoals hij het aantreft. Het geheel van deze beoordelingswijzen werd in een praktisch hanteerbaar schema weergegeven.

Tenslotte werd de verhouding tussen een aantal bijzondere leerstukken (bv. vetusteit) en de theorie omtrent de bijzondere receptiviteit voor schade toegelicht, werden een aantal uitwegen gezocht voor de bewijsproblematiek en werden beleidsmatige aanbevelingen geformuleerd, met het oog op het wetsvoorstel houdende boek 6 “Buitencontractuele aansprakelijkheid” van het Burgerlijk Wetboek.

The Belgian Co-operative Tax Compliance Pilot Project – Key Success Indicators* - Wouter Dister (15/11/2023)

PhD defense Wouter Dister

  • 15 November 2023 - 9 p.m.
  • Supervisors: prof. dr.Anne Van de Vijver (University of Antwerp) & Miet Vanderhallen (University of Antwerp & Maastricht University)


*This thesis is confidential and cannot be consulted.

In Belgium – as well as in most, if not all, other countries – the relationship between the tax administration and the taxpayers has traditionally been based on a conflict model. Behavioural insights suggest, however, that a more trust-based relationship, rather than a conflictual relationship, between taxpayers and tax administrations can enhance tax compliance. That is why tax administrations and legislators have been looking at ways to incorporate trust, mutual understanding, and transparency in their tax administration–taxpayer relationships. Through the Co-operative Tax Compliance pilot project, the Belgian tax administration aimed at improving the working relationship it has with the participating enterprises, increasing voluntary tax compliance, achieving more tax and legal certainty for both the taxpayers as for itself, and becoming more cost-effective in handling these large enterprises. The introduction of such a co-operative compliance program does, however, not take place in a legal vacuum. When such programs are implemented, a legal framework and administrative practices for the taxation of large enterprises are already present. 

This research therefore aimed to obtain a better understanding of how the legal framework in which the Belgian Co-operative Tax Compliance pilot project is implemented, as well as the policies developed by the tax administration regarding this program, can contribute to its success. To this end, the central research objective was to reconstruct and evaluate the program theory to clarify the underlying mechanisms and legal environment for the co-operative compliance program to be effective in achieving its goals.This was performed through a program evaluation, in which the first four participating enterprises and their contact points at the tax administration were studied (by having regular, semi-structured interviews, and through document analysis) throughout the ‘intake phase’ of the program. Next to a number of administrative best practices, the research suggests that a specific legal framework is not necessary for the day-to-day functioning of the program. However, implementing procedural safeguards in legislation, specifically regarding the end of the cooperation, may contribute to the success of the co-operative compliance program, by addressing possible concerns of enterprises that are reluctant about joining the program. Additionally, the findings suggest that having a legal basis for the binding opinions that are provided by the administration in this program may result in more tax and legal certainty for the participating enterprises.

De bewijslast in het fiscaal recht: een kritische analyse bij de vaststelling van de eigenlijke belastingschuld - Inès Rivière (9/11/2023)

Doctoraatsverdediging Inès Rivière

  • 9 november 2023 - 17 uur
  • Promotor: prof. dr. Nicole Plets (Faculteit Rechten)


De bewijslast klinkt bekend, maar kent in het fiscaal recht tot nu toe nog maar weinig diepgaand onderzoek. Het bepaalt wie het bewijs van bepaalde feiten of rechtshandelingen dient te leveren om geen verzwakking in de procespositie te ervaren en is hierbij te onderscheiden van het bewijsvoorwerp en de bewijsmiddelen. Hoewel de civiele bewijslastregels (gelegen in artikel 870 Gerechtelijk Wetboek en artikel 8.4 Burgerlijk Wetboek) als basis van de fiscale bewijslast kunnen worden beschouwd, behelzen ook heel wat materiële bepalingen een zekere bewijslast. De ratio legis van deze bepalingen beperkt zich vaak tot de onwetende fiscus, terwijl deze onwetendheid op heden wellicht niet meer geheel opgaat. Steeds vaker ontvangt de fiscus immers informatie over de belastbare situatie van belastingplichtigen. Het komt dan ook aan de wetgever toe om de instrumenten waarover de fiscus kan beschikken op voortdurende wijze te evalueren op de noodwendigheid ervan. Bovendien gaat aan de fiscale bewijslast een constante wisselwerking tussen de onderzoeksplicht van de fiscus en de medewerkingsplicht van de belastingplichtige en derden vooraf, waaruit bewijsstukken worden vergaard die onderdeel uitmaken van het administratief dossier. Toch hebben deze onderzoeks- en medewerkingsplicht, als zogenaamde preprocessuele verplichtingen, geen directe invloed op de eigenlijke bewijslastverdeling. Zij dienen er weliswaar toe om de feiten en rechtshandelingen die relevant zijn voor de belastingheffing vast te stellen, maar keren de bewijslast niet rechtstreeks om. De bewijslastregels kunnen we dan ook veeleer als een rode draad doorheen de fiscale fasen beschouwen, die de nodige houvast bieden voor de fiscale partijen en de rechter om uiteindelijk een beslissing aangaande die eigenlijke belastingschuld te nemen. 

Uit het onderzoek is gebleken dat het er vooral op aankomt om potentiële bewijsproblemen zo vroeg mogelijk aan te pakken, vooraleer deze bewijslastregels een oplossing moeten bieden. Hierbij is het van belang om op de samenwerking tussen de fiscale partijen te focussen door bijvoorbeeld het onderzoek dat de fiscus kan voeren niet tot de belastende feiten en rechtshandelingen te beperken, maar op verzoek van de belastingplichtige uit te breiden tot mogelijke ontlastende elementen. Ook een beperking van de ambtshalve aanslag, een uitbreiding van de rol van de fiscale bemiddelaar, een ruimer toepassingsgebied van de ambtshalve ontheffing en een wettelijke verplichting tot voorlegging van het gehele administratieve dossier aan de rechter kunnen mogelijk bijdragen tot de vaststelling van die correcte belastingschuld.

De functie en criteria van het intergenerationeel versterferfrecht - Linde Wuyts (4/10/2023)

Doctoraatsverdediging Linde Wuyts

  • 4 oktober 2023 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Renate Barbaix en prof. dr. Frederik Swennen (Faculteit Rechten)


Wanneer een erflater geen (geldig) testament heeft gemaakt, duidt het versterferfrecht de erfgerechtigden in zijn nalatenschap aan. Het versterferfrecht doet dat op basis van formele, juridische criteria. Voor erfaanspraken tussen ouders en kinderen, of intergenerationele erfaanspraken, is juridisch ouderschap bijgevolg het enige aanknopingspunt.

Juridisch ouderschap door afstamming of adoptie is noodzakelijk voor een kind om te erven van zijn ouder. Feitelijke relaties, zoals een biologische afstammingsband, een stief- of zorgrelatie, brengen geen versterferfaanspraken teweeg. Tegelijk is juridisch ouderschap voldoende voor een kind om te erven van zijn ouder. Het kind met een juridische afstammingsband wordt tot de nalatenschap van zijn ouder geroepen, ongeacht of het behoeftig is, een bijdrage heeft geleverd aan (de instandhouding van) het vermogen van de ouder of een goede relatie met de ouder onderhield tijdens zijn leven.

Thans is er echter een verruimd begrip van wat een familie is.  Het antwoord op de vraag wie de ouders van een kind zijn, is daardoor niet meer zo eenduidig.  Als familiale relaties worden vandaag ook relaties waarvoor ouders en kinderen zelf kiezen, begrepen, bijvoorbeeld in de context van nieuwe voortplantingstechnieken en nieuw samengestelde gezinnen. Het is evenwel niet altijd mogelijk of wenselijk om deze relaties ook juridisch vorm te geven, en soms gebeurt dat gewoonweg niet. Bij gebrek aan juridisch ouderschap kunnen deze ouders en kinderen niet van mekaar erven volgens het versterferfrecht.

De toepassing van het discriminatieverbod in het erfrecht vereist nochtans dat vergelijkbare familiale relaties in principe zouden leiden tot gelijke versterferfaanspraken (o.a. EHRM Marckx/België). In andere rechtssystemen en -domeinen heeft het discriminatieverbod reeds geleid tot andere criteria voor intergenerationele solidariteit bij overlijden. Dit doet vragen rijzen naar het criterium van juridisch ouderschap in het intergenerationeel versterferfrecht. Welke relaties vergelijkbaar zijn, hangt echter af van welke functies het versterferfrecht zou moeten nastreven. Met als leidraad de discriminatietoets is in dit onderzoek in kaart gebracht welke functies intergenerationele versterferfaanspraken zouden moeten hebben in de hedendaagse maatschappij, en welke criteria bijgevolg intergenerationele versterferfaanspraken zouden moeten impliceren.

Het onderzoek reikt een kader aan voor een update van het intergenerationeel versterferfrecht, dat vertrekt vanuit de vermoedelijke wil van een gemiddelde en zorgvuldige erflater en steunt op drie pijlers: een continuïteitsfunctie, onderhoudsfunctie en compensatiefunctie. Vanuit een functionele benadering worden daarbij per functie telkens de relevante criteria voor intergenerationele versterferfaanspraken bepaald en getoetst op hun inpasbaarheid in het erfrecht. Daarbij gaat er ook aandacht naar de verhouding tussen de functies onderling. 

Juridische aspecten van mobiele gezondheidszorg of mHealth - Julie Hantson (2/10/2023)

Doctoraatsverdediging Julie Hantson

  • 2 oktober 2023 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Thierry Vansweevelt en prof. dr. Patrick Van Eecke (Faculteit Rechten)


De mobiele gezondheidszorg heeft het potentieel om een aanzienlijke rol te spelen in de transformatie en digitalisering van de gezondheids- en welzijnszorg. Door de toenemende vergrijzing en de toename van de groep die lijdt aan chronische aandoeningen stijgt de zorgvraag, terwijl de beschikbare budgetten gelijk blijven of er zelfs wordt bezuinigd. mHealth kan hiervoor een oplossing bieden. Het geeft de mogelijkheid om de zorg – op lange termijn – betaalbaar te houden en de kosten te besparen.  Bovendien maakt het de zorg ook toegankelijk en verbetert het de kwaliteit van de zorg. Het maakt ook de personalized medicine mogelijk en levert een bijdrage voor meer patiëntgerichte zorg. De bevolking wordt eveneens meer empowered, door de ondersteuning van de zelfredzaamheid in de eigen (thuis)omgeving. Door de integratie van mHealth neemt eveneens de health literacy van de patiënten toe. Het is niet de bedoeling om de gezondheidszorgbeoefenaars, door middel van mHealth-toepassingen, te vervangen. mHealth wordt eerder beschouwd als een soort ondersteunend “hulpmiddel”, terwijl de gezondheidszorgbeoefenaars hun kernpositie in de zorg blijven behouden.

Ondanks de talloze voordelen van mHealth mogen deze voordelen niet blind worden gevolgd. mHealth draagt evenzeer een aantal risico’s en uitdagingen met zich mee waaraan aandacht moet worden besteed door alle betrokken stakeholders. Zo bestaat het risico dat mHealth aanleiding geeft tot overmedicalisering en dat kwetsbare doelgroepen door digitale ongeletterdheid worden uitgesloten van het bepaalde gezondheidsdiensten. Verder bestaat het gevaar dat er onveilige, niet-kwaliteitsvolle en/of onbetrouwbare mHealth-toepassingen in de handel worden gebracht, waardoor de gezondheid van de eindgebruikers in het gedrang komt. Ook de potentiële risico’s inzake datalekken en het ongewenst gebruik van (gevoelige) persoonsgegevens die zijn verwerkt door middel van mHealth-toepassingen zijn niet onbestaande.

Het doctoraatsonderzoek streeft ernaar om na te gaan in welke mate er een adequaat normenkader voor mHealth in België is voorzien en zo niet, welke aanvullingen en/of wijzigingen noodzakelijk zijn. Het onderzoek is gekenmerkt door een thematisch, rechtsvergelijkend, karakter waarbij de volgende topics aan bod zijn gekomen: de kwalificatie, de betrouwbaarheid, de kwaliteit en de veiligheid van mHealth-toepassingen, alsook de privacy- en gegevensbescherming van de verwerkingsactiviteiten die zijn gesteld door middel van mHealth-toepassingen en de aansprakelijkheid van de mHealth-stakeholders. De doorwerking van de Europese regelgeving op het Belgisch niveaus is daarbij, per topic, grondig geanalyseerd.

Het onderzoek wijst uit dat de Belgische wetgever – in tegenstelling tot enkele naburige landen – zo goed als volledig voorbijgaat aan mHealth an sich en de concrete invulling ervan. Gezien de nood aan transparantie en rechtszekerheid voor de stakeholders van het mHealth-ecosysteem is het wenselijk om onder meer de Belgische regelgeving uit te breiden door de invoering van een wet inzake digitale gezondheid. Binnen een wet inzake digitale gezondheid kan de aangelegenheid van mHealth dan worden gereguleerd via een functionele benadering enerzijds en een aanvullende thematische benadering anderzijds. Dit naar analogie van de Digital Health Act die door de Duitse wetgever is ingevoerd.  

Resource conditions for legal residence in the EU: A comparative analysis of EU migration law and its implementation in selected Member States - Miriam Quené (27/9/2023)

PhD defense Miriam Quené

  • 27 September 2023 - 5 p.m.
  • Supervisor: prof. dr. Herwig Verschueren (University of Antwerp) & prof. dr. Dirk Vanheule (University of Antwerp)


As the EU has expanded and moved towards greater integration, debates about the impact of free movement and immigration on host States’ national welfare systems have become increasingly topical. In order to respond to Member State fears of ‘benefit tourism’ by migrants with poor economic prospects, EU migration law has come to include economic conditions for legal residence, both for mobile EU citizens and for third-country nationals who want to settle in the EU in order to work, study or join their family members. Instead of bringing the envisaged clarity, however, resource conditions have proven to perpetuate discussions on Member State possibilities to bar unwanted migrants. 

This dissertation examines (i) the ways in which resource conditions regulate different types of migration, (ii) how these conditions are implemented on the national level and (iii) how they relate to the fundamental right to non-discrimination. After highlighting interpretative difficulties and legislative and jurisprudential inconsistencies at the EU level, a comparative study of the ways in which Belgium, the Netherlands, Austria and Germany transpose, apply and enforce the various conditions reveals a disconnect between the EU legal framework and the way it is implemented in practice. In fact, even though Member States try to make good on their obligations under EU law (at least in most cases), they are shown to use various strategies to implement or change the resource conditions in ways that reflect their national preferences. Despite the conditions’ purported goal to provide a neutral and meritocratic mechanism for migrant selection, the design and application of these conditions moreover produce disproportionate effects for members of certain identity groups to which current non-discrimination law fails to provide clear answers.

Blauwdruk van een effectieve urgentierespons. Een onderzoek naar een rechtstheoretisch onderbouwde methode die de Vlaamse ruimtelijke ordening beter uitrust voor klimaatadaptatiedoeleinden - Sigrid Pauwels (21/9/2023)

Doctoraatsverdediging Sigrid Pauwels

  • 21 september 2023 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Patricia Popelier (Faculteit Rechten) & prof. dr. Tom Coppens (Faculteit Ontwerpwetenschappen)


Ruimtegebruik is een urgent probleem op wereldschaal. AR6, het zesde en laatste syntheserapport van het IPCC, Intergovernmental Panel on Climate Change van de Verenigde Naties (VN), leidt een wereldwijde alarmfase in. Het panel adviseert dringende actie met maatregelen die zowel mitigatie als adaptatie beogen. Klimaatadaptatie beoogt aanpassing van de fysieke en sociale leefomgeving aan de onvermijdelijke en onvoorspelbare impact van klimaatverandering. Dat vraagt dringende en drastische reorganisatie van ruimtegebruik. Die sense of urgency dringt in Vlaanderen echter onvoldoende door. ‘Klimaatadaptatieplannen’ en de beoogde ‘bouwshift’ volstaan duidelijk niet om dit onverwijld en over de hele lijn te waarborgen.

Ruimtelijk beleid voeren is in Vlaanderen dan ook een behoorlijke uitdaging. De Vlaamse ruimtelijke ordening is namelijk niet onbesproken en wordt gekwalificeerd als een ‘gefaald systeem in crisis’. Sinds Wereldoorlog II staat eigendom van een eigen woning model voor welvaart en heeft de overheid kwistig en ondoordacht bouwrechten toegekend. Het blijkt politiek ingewikkeld om dit overaanbod terug te schroeven want het vormt inmiddels de basis van een belangrijk economisch verdienmodel.

Om dit probleem op te lossen heeft het Vlaams Gewest een juridische strategie nodig waarmee klimaatadaptatie onverwijld en over de hele lijn wordt gewaarborgd, ‘een effectieve urgentierespons’. Er bestaat echter geen referentiestrategie of ‘blauwdruk’ om met een bestendige en onzekere noodsituatie zoals klimaatverandering om te gaan, waarop het Vlaams Gewest zich kan oriënteren. Enkel het gebruik van noodwetgeving wordt in deze context uitgesloten. In dit proefschrift werd daarom op basis van rechtstheoretische concepten een ‘blauwdruk van een effectieve urgentierespons’ ontwikkeld.

Dat is een maatstaf van effectieve rechtstechniek voor klimaatadaptatie, maar ook een denkkader voor kritische reflectie over hoe elementaire juridische principes in de ruimtelijke ordening evolueren in een tijdgeest van bestendige onzekerheid. Vanuit die invalshoek is het ook verantwoord om de finaliteit van het kader te veralgemenen naar andere urgente problemen in de ruimtelijke ordening, zoals grote strategische projecten die kampen met uitvoeringsrisico’s of politieke en financiële onzekerheid.

De gevolgen van de vernietiging door het Hof van Cassatie. Een analyse in het licht van de taak van het hoogste rechtscollege - Lauranne Claus (13/6/2023)

Doctoraatsverdediging Lauranne Claus

  • 13 juni 2023 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Stefan Rutten & prof. dr. Beatrix Vanlerberghe

Abstract (English version below)

Als hoogste rechtscollege heeft het Hof van Cassatie een drieledige opdracht: het bieden van rechtsbescherming, het waarborgen van rechtseenheid en het bevorderen van de rechtsontwikkeling. Deze laatste twee elementen worden ook aangeduid als de normatieve taak van het Hof. Het is deze taak die het Hof onderscheidt van de ‘gewone’ rechtscolleges.

Aangezien de meerwaarde van het hoogste rechtscollege gelegen is in de normatieve taak, is er een internationale tendens merkbaar tot versterking van de normatieve taak van de hoogste rechtscolleges.

Het proefschrift heeft tot doel te onderzoeken of de gevolgen van een vernietigingsarrest door het Hof van Cassatie in burgerlijke zaken onder het huidig recht in overeenstemming zijn met de normatieve rol van het Hof van Cassatie.

Het Hof van Cassatie is gelet op zijn bijzondere taak geen derde aanleg. Bij het uitoefenen van zijn opdracht treedt het Hof niet in de beoordeling van de zaken zelf. Het beoordeelt niet de vordering van partijen, maar de rechterlijke uitspraak. Bijgevolg stelt het Hof van Cassatie geen eigen beoordeling van het geschil in de plaats, maar vernietigt het enkel de rechterlijke uitspraak in zoverre deze niet in overeenstemming is met de wet.

Indien een beslissing wordt vernietigd, rijst bijgevolg de vraag welke rechter na vernietiging opnieuw uitspraak zal doen over de vordering van partijen en wat de concrete omvang van de vernietiging is. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen welke beslissingen vernietigd worden en of partijen na vernietiging nog het recht hebben om nieuwe feiten of middelen aan te voeren. 

Hoewel het Hof van Cassatie geenszins een derde aanleg is, leidt de vernietiging er in de praktijk meestal wel toe dat de rechtzoekende zijn zaak (minstens gedeeltelijk) voor een derde maal behandeld zal zien. Aangezien de gevolgen van de vernietiging bepalen binnen welke grenzen het geschil opnieuw beoordeeld wordt, is dit één van de elementen die meespelen in de afweging om al dan niet cassatieberoep in te stellen. Op die manier bepalen de gevolgen van de vernietiging mee de mate waarin het Hof van Cassatie kan focussen op zijn normatieve taak.

Het onderzoek stelt een aantal aanbevelingen voor omtrent de gevolgen van de vernietiging die de normatieve taak van het Hof van Cassatie verder zouden kunnen versterken, zonder hierbij afbreuk te doen aan de beginselen van behoorlijke rechtspleging. Meer bepaald worden de aanbevelingen geformuleerd rekening houdend met het rechtszekerheidsbeginsel, het recht op tegenspraak, de proceseconomie, het beschikkingsbeginsel en de beleidsvrijheid van de rechter.


English version

As the highest court, the Belgian Supreme Court has a threefold mission: providing legal protection, ensuring legal unity and promoting legal development. These last two aspects are also referred to as the normative task of the Court. It is this task that distinguishes the Court from 'ordinary' courts.

Since the added value of the highest court lies in its normative task, there is an international trend towards strengthening the normative task of the highest courts.

The thesis aims to examine whether the consequences of a annulment by the Supreme Court in civil cases under current law are in line with the normative role of the Belgian Supreme Court.

The Belgian Supreme Court is not a third instance given its particular remit. In exercising its role, the Court does not enter into the assessment of the cases themselves. It assesses not the parties' claim, but the judicial decision. Consequently, the Belgian Supreme Court does not impose its own assessment of the dispute, but only annuls the court decision to the extent that it does not comply with the law.

Consequently, if a decision is annulled, the question arises as to which court will rule again on the parties' claim and what the concrete scope of the annulment is. One may ask, for example, which decisions are annulled and whether the parties are still entitled to raise new facts or pleas after annulment. 

Although the Belgian Supreme Court is by no means a third instance, in practice, annulment does usually result in the litigant seeing his case heard (at least in part) for a third time. Since the consequences of an annulment determine the limits within which the dispute will be re-judged, this is one of the elements that play a role in deciding whether or not to lodge an appeal in cassation. In this way, the consequences of annulment help determine the extent to which the Belgian Court of Cassation can focus on its normative task.

The study proposes a number of recommendations regarding the consequences of an annulment that could further strengthen the normative role of the Belgian Court of Cassation, without prejudice to the principles of due process. More specifically, the recommendations are formulated taking into account the principle of legal certainty, the adversarial principle, procedural economy, the principle of party autonomy and the court's freedom of policy.

Use of and Access to Land for Peaceful Transformation. A socio-legal Perspective on Human Rights of Indigenous Women of the Cochabamba Upper Valley - Celeste Quiroga Eróstegui (8/6/2023)

PhD defense Celeste Quiroga Eróstegui 

  • 8 June 2023 - 5 p.m.
  • Supervisor: prof. dr. Koen De Feyter (University of Antwerrp)​


In the course of the evolution and development of international human rights law, States have responded to different moments in human history and especially to their political agenda. In this order, both the history of women in law as well as an agenda of their own have been postponed.

The recognition of human rights of indigenous peoples has broadened the individual understanding of rights aiming at a renovated perception of collective human rights. Even though this could be considered the most transformative change in human rights law since its creation, assumptions surrounding the law-making process and the fulfillment of collective rights replicate power dynamics and social exclusion. This situation affects women in general, especially indigenous women, who have an integrated identity marked by different and simultaneous systems of oppression that intersect their lives. Nevertheless, their lives together with their active participation in society remain as subsidiaries in the Bolivian law-making process.

Through the analysis of the Bolivian State's political agenda on collective rights, this Ph.D. research focuses on women's right to access to land. Tools such as Theater of the Oppressed, co-creation of timelines and social mapping are applied from existing methodological strategies of action-participation/training with women from economic peasant organizations (OECAS by their initials in Spanish).

The results allow us to contrast the value of local views and actions of organized peasant indigenous women with similarities in their agenda priorities and collaborative work strategies, even when they overcome obstacles determined by patriarchal/state social mandates. This local advocacy proves to be essential to directly improve the exercise of rights of women, their families, and communities. The short-term results suggest a political incidence that can transcend to the international level, resolving and transforming conflicts peacefully together with the action from a particular and protagonist perspective of indigenous women, as essential characteristics.

Conflicts between the fields of private international law and children’s rights law. The case of international child abduction - Tine Van Hof (2/6/2023)

PhD defense Tine Van Hof


In international child abduction cases, instruments from both the private international law field and the children’s rights law field are applicable. The different approach of those instruments regarding the concept of the best interests of the child - focussing on the best interests in abstracto versus in concreto – results in a potential conflict between the two fields. This potential conflict can be reinforced or can materialise and lead to actual conflict, if the inter-/supranational courts belonging to, respectively, the private international law field and the children’s rights law field apply the instruments in a strict fashion.

The thesis investigates this relationship between private international law and children’s rights law in the context of international child abduction cases and aims to find a way to address the conflicts resulting from this relationship. To reach this aim, this thesis looks through the lens of the theoretical framework of the diversification and expansion of international law. This framework is used both to explain and to address the conflicts that occur between the two fields at issue. To address conflicts between fields of law, the theoretical framework of the diversification and expansion of international law offers several tools (nine tools were identified). The thesis classifies these tools into four categories (coordination, hierarchy, priority, and harmony) and explores whether they might be useful to address the conflicts between the two fields at issue. For the three tools that were considered useful (namely comity, formal dialogue and systemic treaty interpretation), the thesis further explores (i) whether these tools are used by the relevant actors in the context of international child abduction, and (ii) whether they are apt to address the conflicts. For this assessment, the thesis analysed the case law of the CJEU, the ECtHR, the Committee on the Rights of the Child and of five national jurisdictions (Belgium, England & Wales, Ireland, the Netherlands, and Switzerland) by using NVivo (722 cases in total).

The thesis concludes that the tools of formal dialogue and systemic treaty interpretation offer ways to address the conflicts between the fields of private international law and children’s rights law that occur in international child abduction cases. Based on these results, the thesis proposes some recommendations, addressed to lawmakers, implementing organs and inter-/supranational and domestic courts, to ensure non-conflictual relationships between different fields of law.

Comparative Constitutional Design For Divided Societies: A Model To Explain Constitutional Asymmetries - Lidia Bonifati (29/5/2023)

PhD defense Lidia Bonifati

  • 29 May 2023 - 9 a.m.
  • Supervisors: prof. dr. Patricia Popelier (University of Antwerp) & Prof. dr. Susanna Mancini (Università de Bologna)
  • Joint PhD Università di Bologna & University of Antwerp - Public defense at Università di Bologna.


Comparative studies on constitutional design for divided societies indicate that there is no magic formula or one-size-fits-all solution to the challenges that these societies pose, as lots of factors influence constitutional design. In the literature on asymmetric federalism, the introduction of constitutional asymmetries is considered a flexible instrument of ethnic conflict resolution, as it provides a mixture of the two main theoretical approaches to constitutional design for divided societies (i.e., integration and accommodation). Indeed, constitutional asymmetries are a complex and multifaceted phenomenon, as their degree of intensity can vary across constitutional systems, and there are both legal and extra-legal factors that may explain such differences.

This thesis argues that constitutional asymmetries provide a flexible model of constitutional design and aims to explore the legal factors that are most likely to explain the different degrees of constitutional asymmetry in divided multi-tiered systems. To this end, the research adopts a qualitative methodology, i.e., Qualitative Comparative Analysis (QCA), which allows an understanding of whether a condition or combination of conditions (i.e., the legal factors) determine the outcome (i.e., high, medium, low degree of constitutional asymmetry, or constitutional symmetry). The QCA is conducted on 16 divided multi-tiered systems, and for each case, the degree of constitutional asymmetry was analyzed by employing standardized indexes on subnational autonomy along three dimensions (i.e., status, powers, fiscal arrangements), allowing for a more precise measure of constitutional asymmetry than has previously been provided in the literature on asymmetric federalism.

Overall, the research confirms the complex nature of constitutional asymmetries, as the degrees of asymmetries vary substantially not only across systems but also within cases among the dimensions of subnational autonomy. The outcome of the Qualitative Comparative Analysis also confirms a path of complex causality since the different degrees of constitutional asymmetry always depend on several legal factors, that combined produce a low, medium, or high degree of constitutional asymmetry or, conversely, constitutional symmetry.

The relevance of the implications of the research is a product of the fact that many divided multi-tiered systems are in the European Union (both Member States and prospective members), and many others are located in deeply unstable regions of the world, such as the Middle East (e.g., Iraq, Lebanon, Afghanistan). Therefore, scholars and policymakers may need a new perspective to deal effectively with the challenges raised by divided societies, especially in a post-conflict environment.

Safety Cultivation. An integrative approach to improve organisational safety culture - Karolien van Nunen (14/3/2023)

PhD defense Karolien van Nunen - PhD in Safety Sciences

  • 14 March 2023 - 5 p.m.
  • Supervisors: prof. dr. Koen Ponnet (Ghent University & University of Antwerp) & prof. dr. ir. Genserik Reniers (Delft University of Technology & University of Antwerp)


A plethora of scientific and practical research has already been conducted in the field of safety culture, but still no consensus has been reached on its definition and content. In general, safety culture research lacks a transdisciplinary approach. Furthermore, although the concept of safety culture is characterised by complexity, the safety culture concept has been characterised by reductionism, where models and theories simplify the concept in order to better grasp it, leading to confined approaches. This research wants to contribute to the field of safety culture research by developing an integrative theoretical and practical framework for organisational safety culture using a transdisciplinary approach, and by taking into account the needs of the work field. The developed integrative theoretical framework acknowledges the multifacetedness of the concept safety culture by taking into account technological, organisational or contextual, and human aspects as interacting and interrelating elements. The theoretical framework has been converted into an applied assessment instrument, namely the ‘Integrated Safety Culture Assessment’, abbreviated ISCA, where the ‘assessment’ refers to its practical usability. Within ISCA, an important dichotomy is present, namely non-observable (subjective) factors, and observable (objective) factors constituting the organisational safety culture. Questionnaires are used to map or ‘diagnose’ the non-observable part of ISCA, i.e. the perceptual and psychological domain of safety culture. To measure the observable part of ISCA, an approach to compose company-specific safety indicators has been developed. Key in this approach is the sequence of follow-up when assessing indicators, and the focus on quality rather than quantity. By using company-specific safety indicators, the specific needs and context of a company is taken into account. The practical rendition of ISCA can be used to map the safety culture of an organisation (by a quantitative scan using the aforementioned questionnaires and safety indicators, followed by a qualitative in-depth analysis) and to formulate recommendations in this regard, with the ultimate goal of bringing about a change towards a positive safety culture. When using ISCA, safety culture is assessed in an integrative way, by using a variety of research methods involving the entire organisation (when determining the safety culture, but also when validating results and when formulating and implementing improvement strategies). The output of the doctoral research has been developed in close collaboration with the key stakeholders as regards safety culture, namely safety professionals, the companies and their employees.

Effectiveness of the Indigenous Justice of Jach’a Karangas in the Framework of the Egalitarian and Plural Justice of Bolivia - Leonardo Villafuerte Philippsborn (15/2/2023)

PhD defense Leonardo Villafuerte Philippsborn

  • 15 February 2023 - 5 p.m.
  • Supervisors: prof. dr. Koen de Feyter (UAntwerpen) & Stefaan Smis (VUB)


Law is planned to produce its effects on society. However, since the law belongs to "ought" instead of "is," the extent of its effects is a contingent event to a specific context. The existence and scope of the law's effects are fundamental for any society, especially for its governments, policymakers, and judges. Whilst specialized literature discusses and develops a conceptual framework of the effectiveness of legal norms or institutions, much less is known about the effectiveness of rights.

This research aims to propose a rights' effectiveness methodological framework and employ it in a case study. To this end, the indigenous collective right to exercise jurisdiction, i.e., applying indigenous law in dispute resolution, was selected concerning the Aymara indigenous people "Nación Originaria Suyu Jach'a Karangas" (JK) in the egalitarian justice system of the Plurinational State of Bolivia between 2009 and 2019.

Analyzing rights' effectiveness within the dissertation's conceptual framework involves assessing the extent of the right holder's proposed achievements through three crucial elements: a cause, a planned effect, and the actual effects attained. The contrast of such effects results in the effectiveness assessment: if the actual effect achieved is similar to the planned effect, the right is effective; if it exceeds expectations, it is more effective; and, conversely, to the extent that it is less than the planned effect, it will be less effective or ineffective. As a result, considering that JK aims to have the possibility to resolve or contribute to resolving indigenous disputes among its members and that Bolivia has a relatively favorable legal framework that allows JK to decide a broad range of cases with binding effects on its members and state's institutions, it is possible to conclude that its jurisdictional exercise is moderately effective. JK often successfully resolves its members' disputes by exercising its jurisdiction when it is within its reach. JK sometimes also exhibits its compelling will in exercising its jurisdiction with more effectiveness, demonstrating it conserves a healthy margin of legal irreverence and its interest in remaining and continuing as a self-determining and autonomous indigenous people. Furthermore, JK is learning to assert its jurisdictional prerogatives against its duty bearers, that is, its members and the Bolivian ordinary and agri-environmental jurisdictions, through legal actions before the Bolivian Plurinational Constitutional Court, which has a growing trend to make the indigenous justice effective and, occasionally, more effective.

De feitelijke bestuurder - Alexander Snyers (23/1/2023)

Doctoraatsverdediging Alexander Snyers

  • 23 januari 2023 - 17 uur
  • Prolmotor: prof. dr. Robby Houben​

Abstract (English version below)

In 2019 vaardigde de Belgische wetgever een hertekend regime inzake bestuurdersaansprakelijkheid uit in een nieuw Wetboek van vennootschappen en verenigingen (“WVV”). In de context van dat nieuwe regime opteerde hij ervoor om niet langer enkel formeel benoemde leden van een bestuursorgaan in het vizier te nemen, maar ook zogenaamde feitelijke bestuurders. Zij worden in artikel 2:56 WVV omschreven als “alle andere personen die ten aanzien van de rechtspersoon werkelijke bestuursbevoegdheid hebben of hebben gehad”. Artikel 2:56, lid 1, eerste zin WVV bepaalt dat zij, net als hun formeel benoemde evenknieën, aansprakelijk zijn voor fouten begaan “in de uitoefening van hun opdracht”. Artikel 2:143 WVV stipuleert verder dat rechtsvorderingen wegens verrichtingen “in verband met hun taak”, net zoals t.a.v. de formeel benoemde leden van een bestuursorgaan, verjaren door verloop van vijf jaren. Deze normering is bijzonder opmerkelijk. Immers, dient er voor feitelijk bestuur juist geen feitelijke inmenging te zijn, los van of buiten iedere opdracht of taak om?      

De ingreep van de Belgische wetgever is conceptueel allesbehalve duidelijk te noemen. Daarom werd de  volgende centrale onderzoeksvraag geformuleerd: “Wat is de precieze draagwijdte van de normering rond de feitelijke bestuurder in het WVV en heeft de wetgever er goed aan gedaan om die normering in het WVV op te nemen?”.

Uit het onderzoek blijkt dat er over de precieze draagwijdte van de normering (het gaat dan in het bijzonder om de praktische toepassing van de eerder genoemde artikelen 2:56 en 2:143 WVV, maar ook het daarmee samenhangende artikel 2:57 WVV (de cap op aansprakelijkheid), op de feitelijke bestuurder) verschillende opvattingen zijn ontstaan in de rechtsleer. Ondanks deze controverse heeft de wetgever er toch niet slecht aan gedaan om haar in het WVV op te nemen. Een rechtsvergelijkende analyse legt bloot dat normering inzake feitelijk bestuur in de basiswetgeving inzake vennootschappen een belangrijke preventieve functie (oftewel: een ontradend effect) heeft, of toch op zijn minst kan hebben. Deze functie gaat in het WVV op heden grotendeels verloren. Er worden een aantal concrete voorstellen gedaan tot wijziging van de tekst van de artikelen 2:56, 2:143 en 2:57 WVV om hieraan tegemoet te komen. Voor enkele WVV-bepalingen die vandaag duidelijk geen toepassing op de feitelijke bestuurder vinden (met name artikel 2:58 WVV (het verbod op exoneratie of vrijwaring) en de artikelen 5:104, 6:89 en 7:157 WVV (de minderheidsvordering), luidt het advies om hen evenzeer op hem toepasselijk te verklaren


English version

The de facto director

In 2019, the Belgian legislator introduced a revised regime on directors’ liability in a new Companies and Associations Code (“CAC”). In the context of that new regime, he opted to not only target formally appointed members of a governing body, but also so-called de facto directors. They are defined in Article 2:56 CAC as “all other persons who have or have had actual governing power with regard to the legal person”. Article 2:56(1), first sentence CAC stipulates that they, like their formally appointed counterparts, are liable for errors committed “in the performance of their mission”. Article 2:143 CAC further stipulates that legal claims for actions undertaken “in relation to their task” are, just like legal claims against formally appointed members of a governing body, time-barred after five years. This normative approach is quite remarkable. After all, doesn’t de facto governance require a de facto interference, independent of or beyond any mission or task?

The intervention of the Belgian legislator is conceptually far from clear. Therefore, the following central research question was formulated: “What is the exact scope of the CAC provisions concerning the de facto director and did the legislator do right by introducing these provisions?”.

The research shows that different views have emerged in legal doctrine on the exact scope of the provisions (notably on the practical application to the de facto director of the aforementioned Articles 2:56 and 2:143 CAC, as well as Article 2:57 CAC (the cap on liability), which is closely related thereto). Despite this controversy, the legislator was not wrong to introduce them in the CAC. A comparative legal analysis reveals that norms or provisions on de facto governance in general company legislation fulfil, or can fulfil, an important preventive function (i.e., they have a dissuasive effect). In the current text of the CAC, this function is largely absent. A number of substantive proposals for amendments to the text of Articles 2:56, 2:143 and 2:57 CAC are made to address this issue. For some CAC provisions that, at present, clearly do not apply to the de facto director (notably Article 2:58 CAC (the ban on exoneration or indemnification) and Articles 5:104, 6:89 and 7:157 CAC (the derivative claim), the recommendation is to also extent their scope of application to the de facto director.

Deep Seabed Mining in the Area: Investment Protection and the Common Heritage of Mankind - Alberto Pecoraro (19/1/2023)

PhD defense Alberto Pecoraro

  • 19 January 2023 - 5 p.m.
  • Supervisor: prof. dr. Koen de Feyter


The international seabed’s designation as common heritage of mankind (or CHM) raises numerous fascinating legal issues. One crucial question is how to strike the correct balance between the protection of the private rights held by deep seabed mining operators and the achievement of the collective goals embodied in the CHM principle. Considering the risks inherent in deep seabed mining and the glaring gaps in scientific knowledge about the international seabed, the International Seabed Authority and sponsoring states may be required to modify the regulatory framework applicable to exploration and exploitation activities in the international seabed. However, whereas the law of the sea confers on them the authority to regulate, it also constrains their discretion. Additionally, national regulators will need to be mindful of rules of international investment law. These feature in national legislations and in investment contracts between sponsoring states and deep seabed mining operators.

Towards a legal paradigm of animal dignity - Eva Bernet Kempers (11/1/2023)

PhD defense Eva Bernet Kempers

  • 11 January 2023 -  5 p.m.
  • Supervisors: prof. dr. Frederik Swennen & dr. Johan Van de Voorde


The legal approach towards animals in continental Europe falls short. Animals are regarded as objects of law, classified according to their use-category, but at the same time increasingly protected by animal protection acts. This ambiguity creates a growing number of inconsistencies and incoherencies, hindering the adequate application and enforcement of the law addressing animals. Sometimes, animals are treated as equal to inanimate objects, but other times, they are taken into account for their own sakes, and their interests may override the interests of humans. In absence of a central foundation, the legal approach towards animals remains fragmentary and dispersed.

The traditional argument for animal rights maintains that animals need to be recognized as legal persons with fundamental rights. Animals are perceived as the last group of beings that should be saved from arbitrary discrimination on the basis of an irrelevant characteristic: their species. By pointing to the similarities between humans and other species, the traditional view aims to demonstrate that there is no justification to exclude (other) animals from having rights. Organizations such as the Nonhuman Rights Project initiate legal cases ‘in name of’ certain animals, aiming to liberate animals from their property-status by having courts recognize their personhood. The idea is that the revolution to animal legal personhood would bring all animal exploitation to an end.

This PhD-thesis explores an alternative road to improve the legal approach towards animals through the concept of animal dignity. Contrary to the traditional view, this alternative approach is specifically tailored to continental law in which change will have to go primarily through the legislature. It demonstrates how, informed by the capabilities theory of Martha Nussbaum, animal dignity can form a central foundation for the law addressing animals that does not start from the premise that animals should be turned into legal persons first. Through a comparative study of a selection of European jurisdictions, it becomes clear that animal dignity is increasingly recognized, implicitly as well as explicitly, for instance by making animals beneficiaries of legal obligations, and distinguishing them from legal things. Based on the analysis, the thesis proposes a set of recommendations on how to increase respect for animal dignity in continental law. Rather than assuming that animals’ status as property needs to be abolished in order to adequately protect them, the approach based in animal dignity aims to ensure the respectful treatment of animals as flourishing individuals throughout the legal system.