I.s.m. Team Diversiteit en Inclusie, UAntwerpen

LGBTQI+-studenten* voelen zich niet altijd even goed thuis op de campus of in de les. Ze krijgen soms te maken met misplaatste grappen, uitsluiting, pesten of onbegrip en kampen regelmatig met mentale problemen (Schers & van Alphen, 2016; TNN & ECIO, 2022). Lesgevers kunnen een belangrijke rol spelen in het tegengaan van stigmatisering en het creëren van een inclusieve leeromgeving (Amodeo et al., 2020; Scandurra et al., 2017). In deze onderwijstip gaan we in op een aantal mogelijkheden daartoe. We structureerden ze aan de hand van drie categorieën: communicatie, leerinhoud en veilige leeromgeving.

* LGBTQI+ staat voor lesbisch, gay (homoseksueel), biseksueel, transgender, queer en intersekse. Het plusteken staat voor de verschillende andere genderidentiteiten, seksuele voorkeuren en genderexpressies die buiten de afkorting vallen.

Communiceer inclusief

  • Gebruik inclusieve voornaamwoorden
    Wanneer je in een tekst wil verwijzen naar personen, gebruik dan niet ‘hij/zij’ of ‘hem/haar’. Hanteer genderinclusieve woorden zoals ‘de student’, of voornaamwoorden zoals ‘die’ en ‘diens’, bijvoorbeeld: ‘In deze les moet de student diens opdracht presenteren.’
    Een andere manier om teksten meer genderinclusief te maken is door deze in het meervoud te schrijven, bijvoorbeeld: ‘In deze les moeten de studenten hun opdracht presenteren.’
    Ten slotte kan je de studenten ook direct aanspreken, bijvoorbeeld: ‘In deze les moet je jouw opdracht presenteren.’
  • Zorg dat iedereen zich aangesproken voelt
    Zorg ervoor dat bij het aanspreken van een groep alle genderidentiteiten zich betrokken voelen. In plaats van bijvoorbeeld te zeggen ‘dag dames en heren’, is het beter om alternatieven te gebruiken zoals ‘goedemorgen iedereen’ (Harbin, 2016; van Heest, 2021).
    In de aanhef van e-mails en andere schriftelijke communicatie kan ‘beste mevrouw/meneer’ gemakkelijk veranderd worden door een meer genderinclusief alternatief zoals ‘beste student(en)’ (TNN & ECIO, 2022). Daarnaast kan je ook de voornaam van de persoon aan wie je e-mail gericht is, gebruiken. Op die manier vermeld je zeker geen verkeerde genderspecifieke woorden.
  • Gebruik genderaanduidingen en seksuele oriëntatie als bijvoeglijk naamwoord
    Wanneer je spreekt over de genderaanduiding of de seksuele oriëntatie van personen, gebruik deze dan als een bijvoeglijk in plaats van een zelfstandig naamwoord. Zeg bijvoorbeeld ‘transgender persoon’ of ‘homoseksuele man’ in plaats van ‘transgender’ en ‘homo’. Op die manier wordt de identiteit van een persoon niet gereduceerd tot een bepaald aspect ervan (Guastella et al., 2022).

Zorg voor inclusieve leerinhouden

  • Integreer rolmodellen in je lessen
    Studenten moeten zichzelf kunnen herkennen in de leerinhouden. Dit zorgt er immers voor dat ze zich meer thuis voelen in de opleiding. Dit kan o.m. door rolmodellen aan bod te laten komen. Gebruik bijvoorbeeld referenties naar personen uit de LGBTQI+-gemeenschap die een belangrijke bijdrage leverden aan het vakgebied (van Heest, 2021).
    Een andere manier om rolmodellen te integreren in je lessen is door af en toe ook eens een gastdocent vanuit de LGBTQI+-gemeenschap live uit te nodigen. De betreffende gastcolleges hoeven niet (noodzakelijk) te gaan over het thema seksuele- en genderdiversiteit, maar over het veld van expertise van de gastdocent (TNN & ECIO, 2022). Het is daarbij belangrijk dat het gastcollege deel uitmaakt van de verplicht te kennen leerinhoud zodat de bijdrage van de gastdocent gevaloriseerd wordt.
  • Gebruik diverse voorbeelden
    Als je een casus of voorbeeld gebruikt in de les, let er dan op dat je niet enkel verwijst naar cisgender (i.c. personen van wie de genderidentiteit overeenstemt met het geboortegeslacht) en heteroseksuele personen. Zorg ervoor dat mensen met verscheidene genderidentiteiten en seksuele oriëntaties voorkomen. Gebruik gender- en seksueel diverse voorbeelden, casussen en afbeeldingen. Pas daarbij wel op voor stereotypen zoals een homoseksuele man met HIV.
    Probeer ook casussen of voorbeelden te gebruiken waarin verscheidene genderidentiteiten en seksuele oriëntatie voorkomen, zonder dat dit het onderwerp is van de casus zelf (Guastella et al., 2022; van Heest, 2021). In een cursus echtscheidingsrecht kan je bijvoorbeeld een casus gebruiken waarin het koppel uit twee vrouwen bestaat of een van de partners een non-binair persoon is.
  • Beschouw niemand als vertegenwoordiger van een gehele community
    Wanneer je bronnen gebruikt van auteurs uit de LGBTQI+-community of gastdocenten uitnodigt uit de LGBTQI+-community, wees je er dan van bewust dat zij niet de hele community vertegenwoordigen. Ook een LGBTQI+-student kan niet als vertegenwoordiger gezien worden van àlle LGBTQI+-studenten. Ieder persoon heeft namelijk eigen ervaringen, meningen en achtergronden. Verwacht bijvoorbeeld niet van een biseksuele student dat die kan spreken in naam van alle biseksuele personen (Harbin, 2016).

Zet in op een veilige leeromgeving

  • Geef studenten de mogelijkheid om hun voornaamwoorden aan te geven
    Door de voornaamwoorden van studenten te bevragen, creëer je openheid om over genderdiversiteit te praten. Non-binaire studenten verkiezen bijvoorbeeld vaker de voornaamwoorden ‘die/hen/hun’ of ‘hen/hen/hun’, maar ook andere alternatieven zijn mogelijk. Elke persoon maakt voor zichzelf uit bij welke voornaamwoorden die zich comfortabel voelt (TNN & ECIO, 2022).
    In kleine studentengroepen kan je bijvoorbeeld in een eerste les studenten zichzelf laten voorstellen en hen daarbij ook vrijblijvend vragen om hun voornaamwoorden te vermelden. In grote groepen kan je vragen dat de studenten hun voornaamwoorden in hun e-mailhandtekening zetten of hen een kennismakingsvragenlijst laten invullen waarin je hen ook de mogelijkheid biedt om hun voornaamwoorden te vermelden.
    Als je de voornaamwoorden bevraagt, doe dit dan bij àlle studenten zodat niemand zich geviseerd voelt (Harbin, 2016). Dring echter nooit aan. Sommige mensen praten niet graag over hun voornaamwoorden, zijn hun identiteit nog aan het ontdekken of hebben liever niet dat je voornaamwoorden voor hen gebruikt.
    Wanneer je niet (zeker) weet wat de voornaamwoorden van een student zijn, doe dan geen veronderstellingen en gebruik geen genderspecifieke woorden. Je kan steeds de naam van de student gebruiken (Harbin, 2016).
  • Deel jouw eigen voornaamwoorden
    Geef het belang van voornaamwoorden weer door je eigen voornaamwoorden te vertellen wanneer je je voorstelt aan je studentengroep en/of je voornaamwoorden toe te voegen aan je e-mailhandtekening. Dit hoeft uiteraard enkel indien je je daar comfortabel bij voelt. Je geeft er mee aan dat het belangrijk is om niet te raden naar de voornaamwoorden van mensen of automatisch uit te gaan van ‘hij’ of ‘zij’ (Harbin, 2016). Het maakt duidelijk dat je aandacht hebt voor seksuele- en genderdiversiteit, wat studenten kan helpen om open te zijn en te praten over hun genderidentiteit (Guastella et al., 2022).
  • Deel de genderidentiteit van studenten enkel als je daar toestemming voor hebt
    Wanneer een student de genderidentiteit meedeelt aan jou, deel deze dan enkel met anderen als je hiervoor de toestemming van de student hebt. Sommige studenten voelen zich immers niet in alle situaties even comfortabel bij bepaalde voornaamwoorden. Zo kan bijvoorbeeld een non-binaire student heel open zijn over de eigen genderidentiteit in familiale kring, maar wilt die niet dat andere studenten weten dat die non-binair is.
  • Benoem de seksueel- of genderdiverse achtergrond enkel wanneer het relevant is
    Iemands seksueel- of genderdiverse achtergrond benoemen is niet altijd relevant. Ga er voorzichtig mee om en vraag je af of het relevant en wenselijk is om deze achtergrond van een bepaalde student te benoemen. Stem hierover steeds best even af met de student in kwestie (TNN & ECIO, 2022).
    Voorbeeld: Een docent wil het verschil tussen gender en geslacht duidelijk maken en vraagt aan een transgender student om dit verschil uit te leggen waarbij de docent vermeldt dat de student een transpersoon is. Ondanks de goede bedoelingen van de docent kan dit voor de student zeer stigmatiserend zijn. Een betere manier is om de groep aan te spreken en elke student de opportuniteit te geven om op de vraag te antwoorden.
  • Excuseer en verbeter jezelf bij het maken van fouten
    Genderinclusief lesgeven evolueert doorheen de tijd. Volg deze evolutie zoveel mogelijk op. Eens een fout voornaamwoord gebruiken of een uitspraak doen die voor sommige mensen gevoelig ligt, kan echter gebeuren. Probeer dan om dergelijke fout niet nogmaals te maken en excuseer je voor je uitspraak. Toon je bereidheid om bij te leren over genderinclusief taalgebruik (Harbin, 2016).

Meer weten?

ECHO-onderwijstip

Inclusief communiceren

Voor UAntwerpen-personeel

Informatieve webpagina's

Relevante literatuur