Letteren en Wijsbegeerte

Departement Geschiedenis

Doctoraatsverdedigingen

Smugglers. Cooperation, Organization and Adaptability of Smuggling Networks in the Southern Netherlands, 1797 - 1810 - Dirk Lueb (29/10/2021)

Dirk Lueb

  • 29/10/2021 om 15 uur: doctoraatsverdediging​
  • Promotoren: Hilde Greefs en Marjolein 't Hart

Abstract

By applying new perspectives from criminology, this research demonstrates that the organization and adaptability of smuggling networks was partly responsible for the resilience of smuggling during the Napoleonic era. This novel approach shows that smugglers operating in the Belgian departments between 1797 and 1810 developed an elaborate and sophisticated smuggling organization to deal with mounting repressive measures that increased throughout the period. Smugglers adapted to these measures on many different levels and showed ingenuity in dealing with changes in legislation and repression.

The product range that was carried by the contraband trade proved remarkably diverse and was adapted to both market forces and changes in repression. Trafficking itself was done by skilled employees with a certain profile that facilitated smuggling. This occupational embeddedness of smuggling caused carters, day laborers, farmers and innkeepers to be omnipresent in the contraband trade. The supply chain was organized by a network of intermediaries and merchants that formed neither a top-down hierarchy nor a disorganized mishmash of rapidly succeeding enterprises. Instead, the contraband trade was organized by a handful of intermediaries who offered their services to merchants looking to import illicit goods. Furthermore, the practice of smuggling shows an elaborate system of internal and external risk mitigation strategies.

This research has shown that smuggling was not a form of social protest. Rather, contraband networks capitalized on the implementation of restrictive legislation and used the border to make a profit. It also nuanced smuggling as a survival strategy. Smugglers were not small-timers but rather part of a well-oiled machine that was efficiently designed. While it probably still was part of the makeshift economy for many of the lower tier traffickers, the contraband trade was not open to everyone. Instead, only those with a particular profile were able to participate. As such, smuggling was not as socially inclusive as previously claimed.

Networks seem to have capitalized on the implementation of restrictive legislation long before the Continental Blockade was implemented. Rather than causing it, the Blockade seems to have curbed smuggling by forcing smugglers to adapt. Although its scale could not match that of legal trade, this does not necessarily mean smuggling was small-scale. Instead, this period showed an unprecedented scale of illicit trade. The smuggling networks show a level of sophistication that resembles modern-day organized crime. Its organization sought to provide a domestic market with prohibited goods by circumventing mounting measures with a range of rational strategies.

Prices and Crises. The Grain Economy in Fourteenth-century Flanders - Stef Espeel (27/08/2021)

Stef Espeel

  • 27/08/2021: doctoraatsverdediging
  • Promotoren: Tim Soens & Alexis Wilkin

Abstract

This dissertation focuses on the occurrence of food shocks by investigating both the frequency and intensity of ‘price shocks’ on the grain market in fourteenth-century Flanders, as well as questioning its origins and consequences. The basis is formed by new price series for grain, which were drawn up using a combination of data from both original source material (accounts and financial records) of large landowners and published works for the cities of Bruges, Ghent, Lille and Douai in the county of Flanders and Cambrai just outside it.

The study approaches the price shocks on the grain market along four major axes. The first part investigates the price formation of grain. It mainly tackles the many technical challenges of reconstructing a reliable market price series for contexts where the source material is fragmented. Based on these new price series, the second part looks at the frequency, intensity and duration of price shocks. The long and short-term fluctuations of the grain price as well as the integration between the Flemish cities and in a broader European perspective is addressed. The third part studies the vulnerability of the urban population to price surges and the accompanying food shortages on one hand and on the other, it questions the link between mortality crises of the many plague episodes of the fourteenth century and the subsistence crises. Finally, the fourth part of this study focuses on the large producers and exporters of grain. The organization of their activities on the grain market, the differences between the organization of the agriculture of the regions in which these landlords were embedded and the adaptation of the income and expense strategies of grain by the landlords are key here.

The main concluding points that emerge throughout the dissertation include the unique character and importance of precisely dated prices. This allowed the frequency, intensity of the price peaks, and their influence on the urban population to be accurately studied. The importance of large landowners in the production and distribution of grain, as well as the institutional constraints and the importance of the different social agrosystems are also noteworthy.

Antwerpen 1584. Oorlog en ongelijkheid in de stedelijke ruimte (21/06/2021) - Rogier van Kooten

Rogier van Kooten

  • 21/06/2021: doctoraatsverdediging
  • Promotoren: Tim Soens en Bruno Blondé

Abstract

Aan de hand van een historische casus, de Val van Antwerpen (1584-1585), gaat dit onderzoek op zoek naar sociale en ruimtelijke processen die rijkdom en armoede na een catastrofale schok herverdelen.

De COVID-19 pandemie leidde volgens veel experts tot toenemende verschillen tussen rijk en arm. Toch leert de rampengeschiedenis dat de relatie tussen ongelijkheid en catastrofes niet eenduidig is. Om die relatie in Antwerpen te onderzoeken werd voor het eerst een ruimtelijk perspectief gehanteerd. Verschillen tussen rijk en arm, tussen beroepsgroepen of tussen etnische en religieuze groepen uiten zich al eeuwenlang in specifieke ruimtelijke vestigingspatronen. De stedelijke ruimte speelt bovendien, volgens de New Urban History, een actieve rol in het vormen en veranderen van sociale verschillen en machtsverhoudingen.

Fungeerde de Val van Antwerpen als grote sociale en ruimtelijke equalizer? Dit werd onderzocht aan de hand van twee dimensies: een demografische en een materiële. De demografische dimensie kwam vooral tot uiting via massale emigratie. De emigratie leidde tot een sociale en ruimtelijke onttopping en ontbottoming: vooral sterk gesegregeerde elite- en armenkwartieren lieten grote concentraties emigranten zien. De sociale middengroepen bleken door hun focus op de foundational economy, op kennisintensieve luxenijverheden en vanwege hun sterke verankering in de binnenstedelijke woningmarkt het beste bestand tegen de crisis. Toch waren ook zij door vraaguitval en veranderde verkeersstromen op specifieke ruimtelijke locaties kwetsbaar. In tegenstelling tot wat men zou verwachten, gezien het gedwongen vertrek van protestanten na 1585, speelde geloofsovertuiging slechts een bijrol.

Via de woningmarkt (de materiële dimensie) werd onderzocht of bepaalde sociale groepen zich, ten koste van de dominante middengroepen, konden versterken of dat juist de middengroepen hun positie op de woningmarkt verder konden uitbouwen. We vonden echter vooral een verschuiving binnen de bestaande sociale eigendomsverhoudingen: een deel van de gegoede huurders verwierf een eigen woning op een verbeterde locatie door te profiteren van het faillissement van bestaande eigenaren. Een tweede materieel effect deed zich voor via gedifferentieerde waardeontwikkeling: als gevolg van aanbod- en vraagontwikkeling herstelden goedkope woningen na 1585 veel sneller in prijs dan middenklasse en dure woningen. Vooral ‘huisjesmelkers’ profiteerden hiervan. De afnemende verschillen tussen huurprijzen zorgden in de praktijk ook voor een scheeftrekking van de reële inkomens, waarbij huishoudens onderaan de sociale ladder een disproportioneel deel van hun inkomen aan wonen bleven besteden.

We moeten dus concluderen dat zowel nivellerende als polariserende processen tegelijkertijd plaatsvonden maar dat het uiteindelijk, ondanks de uitzonderlijk bronnensituatie (GIStorical Antwerp), zeer moeilijk was het nettoresultaat te bepalen.

The Comforts of Energy? Consumer Culture and Energy Transition in Eighteenth-Century Gent and Leiden (1650-1850) - Wout Saelens (18/05/2021)

Wout Saelens

  • 18/05/2021
  • Promotoren: Bruno Blondé (UAntwerpen) Wouter Ryckbosch (VUB)

Abstract

Recent zijn historici zich meer en meer gaan interesseren voor de ongeziene groei in de energie die de westerse, (vroeg)moderne maatschappij over de laatste eeuwen is gaan consumeren. Tot nu toe is de geschiedenis van de energietransitie naar steenkool en andere fossiele brandstoffen vooral het terrein van specialisten van de industriële revolutie gebleven. Toch gebeurde de energietransitie al vroeger, nog voor een proces van industrialisering zich kon inzetten. Ook in de vroegmoderne periode hadden steden zoals Gent en Leiden al een grote nood aan energie – een nood die vooral vanuit de huishoudeconomie, eerder dan de industriële economie kwam. Het waren inderdaad de dagelijkse praktijken van duizenden huishoudens die een sleutelrol hebben gespeeld in het ontstaan van een meer energie-intensieve samenleving. Centraal in deze verhandeling stonden de sociale en culturele wortels van de transitie naar fossiele energie in de lange achttiende eeuw (1650-1850), bekeken vanuit het perspectief van de consumptie. De materiële cultuur van huishoudelijke verwarming en verlichting opent er een venster op de complexe relatie tussen energietransities en consumptiegedrag in het verleden. Hoe heeft energie haar impact gehad op het dagelijkste leven en hoe heeft het dagelijkse leven zelf de geschiedenis van energie mee vormgegeven? In dit doctoraat werd beargumenteerd dat in burgerlijke huishoudens de particuliere energieconsumptie in de loop van de lange achttiende eeuw in een heuse ‘energie-consumptiecultuur’ veranderde. Daarin werd energie niet alleen als een bron van comfort maar ook van sociale status gezien, wat resulteerde in een groeiend verlangen naar energie en uiteindelijk een meer verspillende energiecultuur opleverde.

Poor boys, poor chances? Training underprivileged youngsters in early modern Antwerp (1580 – 1780) - Sietske Van den Wyngaert (05/03/2021)

Sietske Van den Wyngaert

  • 05/03/2021
  • Promotor: Bert De Munck

Abstract

​It is generally assumed that from the eighteenth century onwards new manufacturing processes stimulated a type of child labour that was unprecedented in the pre-industrial period. The increasingly mechanised production of standardised goods would have resulted in an enormous increase in the number of children who were working as cheap, unskilled labourers in Europe’s large ateliers and earliest factories. The accompanying deskilling of youngsters would moreover have deprived them of genuine career prospects. Youngsters devolved from apprentices into employees who were in a business-like relationship with their employer. As such, this history is often sketched in stark contrast to the pre-industrial period in which the apprenticeship takes centre stage. During an apprenticeship a master artisan passed on his technical skills to a child or teenager, who thus obtained opportunities for a future as a journeyman or a master and, hence, as an independent breadwinner/head of household/wage earner. Culturally too, apprenticeship institutionalised an important transitional stage of the youngster’s life during which he served his master and cultivated a subservient relationship with him. An important facet of the master-apprentice relationship was for the master to educate his apprentice in lessons on morality and religion. Because scholars have tended to assume that both types of child labour are two completely separate phenomena, the transition between them has hardly received any attention in the literature and, thus, remains ambiguous. How should we understand this period of transition? Was the unskilled, exploitative type of child labour on a massive scale completely new in the eighteenth century, or was it the result of a long-term transformation of the apprenticeship system? Whereas scholars predominantly argue in favour of the first explanation, this research examines the latter.

This study shows that welfare apprenticeship in Antwerp was not necessarily a fast track towards cheap, unskilled labour. The integrated approach applied in this study underlines the fact that the underprivileged apprentices’ training practices were not increasingly based on economic strategies nor did they degenerate into exploitative child labour. In contrast, the Antwerp Chamber of the Poor never chose economic considerations over the importance that they attributed to each boy’s personal circumstances. As a result, from the late sixteenth to the late eighteenth century the Chamber of the Poor prioritised the acquisition of a training over the boys working to earn an income. Contrary to the expectations set out by historians who describe the motivation of charitable institutions as increasingly financial, the Chamber’s welfare apprenticeships were continuously shaped with the apprentice in mind.

Macht in de metropool. Politieke elitevorming tijdens de demografische en economische bloeifase van Antwerpen (ca. 1400-1550) - Janna Everaert (3/12/2020)

Janna Everaert

  • 3/12/2020
  • Promotoren: Anne Winter (VUB), Frederik Buylaert (UGent) en Peter Stabel (UAntwerpen)
  • Dubbeldoctoraat met VUB

Abstract

Current historiography endorses a narrative that the political elite of pre-industrial gateway cities became more ‘open’ in the wake of efflorescence and that their city councils became populated with merchants. Yet, according to the existing literature, Antwerp challenges this narrative, as the influx of merchants was very limited during late fifteenth and early sixteenth centuries when Antwerp transformed from a medium-sized Brabantine city into the leading economic centre in western Europe. Moreover, scholars disagree on whether the economic expansion had any impact at all on the composition and profile of Antwerp's political elite. By analysing the social composition of the city council and how this evolved from the beginning of Antwerp's commercial expansion around 1400 until its apogee around 1550, I revisit the question whether Antwerp constitutes an exception to the established pattern of elite formation in gateway cities and, if so, why.

Jewish Migration and the Making of a Belgian Jewry: Immigration, Consolidation, and Transformation of Jewish Life in Belgium before 1940 - Janiv Stamberger (09/06/2020)

Janiv Stamberger

  • 9 juni 2020
  • Promotoren: Herman Van Goethem en Jean-Philippe Schreiber 

Abstract

This thesis focuses on the developments in Belgian Jewish society in the period before 1940. The Belgian Jewish community as it developed during the nineteenth and twentieth centuries was the result of a succession of 'Jewish migratory waves'. Unlike other Western European Jewish communities such as those in France, Germany, Great Britain or the Netherlands, the Belgian Jewish population did not have strong historical roots or an established historical tradition.

The arrival of Eastern European Jewish migrants around the turn of the century led to a radical transformation of Belgian Jewish society as it had taken shape in the 19th century. An urban Jewish 'working class' settled in semi-industrial artisanal occupations such as the diamond industry, the clothing industry, and various branches of the leather industry. With these Jewish immigrants, new forms of Jewish religiosity, cultural, and political worldviews, based on the Eastern European Jewish world, entered Belgian Jewish society. A Jewish labour movement, from reformist to radical revolutionary, Zionism, as well as politicised forms of Jewish-religious orthodoxy, joined the 'acculturationist' Consistorial Jewry of the Belgian Jewish establishment. All these different tendencies within Jewish Belgian society expressed very different visions of what 'being Jewish' actually meant, their place within Belgian society, and vied for prestige on the Jewish street or influence within the official institutions of Belgian Jewry.

With the settlement of Eastern European Jewish immigrants, the difficult process of integration into Belgian society also commenced. The ideological baggage, transplanted from the East European Jewish world, was gradually adapted and configured to provide answers to the specific circumstances and challenges faced by the Jewish community in Belgium. The economic crisis in the 1930s, the rise of National Socialism in Germany and the concomitant emergence of organised local anti-Semitism in Belgian society in the second half of the 1930s shook Jewish society profoundly. The growing impoverishment of large sections of the Jewish population combined with the influx of thousands of Jewish refugees from Germany and Austria drove the contradictions in the Jewish community to a head and led to much consternation and doubt.

It is these very different processes of 'Belgian' Jewish identity formation and the way in which the different actors in the Jewish community reacted to specific historical events in the first half of the twentieth century that this thesis explores.

From sail to steam: two generations of seafarers and the maritime labour market in Antwerp, 1850-1900 - Kristof Loockx (27/05/2020)

Kristof Loockx

  • 27 mei 2020
  • Promotoren: Hilde Greefs (UAntwerpen) en Anne Winter (VUB)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - VUB

Abstract

​The transition from sail to steam heralded a new era for the maritime industry during the second half of the nineteenth century. Historians have argued that the changeover to steam stimulated innovation, altered business models and had an impact on different layers of society. As such, we know a lot about the diffusion of steam technology, operational and business-related changes and experiences of national fleets. In current historiography, however, the maritime workforce on steamers often remains an anonymous mass, in contrast to many studies that deal with maritime workers in the age of sail. This research investigates the impact of the transition from sail to steam on the maritime labour force and how this transformation (re)shaped the maritime labour market for seafarers. This is relevant, because this focus provides more insights into the socioeconomic effects of the changeover to steam on labourers and the operation and accessibility of labour markets. The impact of the transformation on maritime workers and labour markets becomes clear from in-depth analyses of the Antwerp seamen’s registry. The Belgian case demonstrates that changes in labour structures, wage distribution, recruitment practices, migration trajectories and career development resulted in a more pronounced segmentation of the maritime labour market for seafarers in Antwerp. At the same time, these crucial components also highlight that old patterns did not immediately disappear, which contrasts with general accepted assumptions. This suggests that the impact of the breakthrough of steam on the maritime workforce concerned a gradual process that followed the rhythm of the implementation of new technologies and innovations during the period under consideration.

Maids on the Move: The Migration of Foreign Domestic Servants to Antwerp and Brussels (1850-1910) - Thomas Verbruggen (29/04/2020)

Thomas Verbruggen

  • 29 april 2020
  • Promotoren: Hilde Greefs (UAntwerpen) en Anne Winter (VUB)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - VUB

Abstract

​In the second half of the nineteenth century, female domestic servants were no longer moving exclusively within regional traditional migration circuits but started to explore new migration paths crossing longer distances. This transition towards increasing levels of long-distance servant migration is intrinsically linked to a general democratization of long-distance migration. Due to innovations in the transport and communication infrastructure, long-distance migration became an option to a growing share of the European population. The main aim of this project is to compare the formation and development of different types of international female migration circuits during this period and analyse the role of various human and non-human actors within these developments. Three levels of analysis return in each chapter: a comparison between different types of migration circuits, an analysis of changes over time, and a comparison between two types of cities. More specifically, the focus is on international servant migration to two Belgian cities: Antwerp, an international commercial hub, and Brussels, the capital and largest city of the country. Existing research has revealed a democratization and feminization of long-distance migration towards both cities which has been connected to an increasing number of foreign domestic servants. As mentioned above, Antwerp and Brussels share this evolution in their migration field with other European cities which makes this study not only relevant to scholars interested in the social history of Belgium, but also to those who want to gain insights into the effects of the nineteenth-century transformations on overall female migration patterns.

Suburban Place-making. Political Economic Coalitions and 'Place Instinctiveness' (Antwerp, c.1860-1940) - Laura May (21/02/2020)

Laura May

  • 21 februari 2020
  • Promotoren: Ilja Van Damme en Stijn Oosterlynck

Abstract

In urban studies, a specific process of urbanisation, namely suburbanisation, has remained understudied for a long time. This doctoral dissertation wants to contribute to the growing literature on suburbanisation in addressing three new research agendas that have been called upon by several authors in the past years: a global perspective, a longitudinal approach and an inside perspective. First, in recent years, the Global Suburbanisms research project has been expanding our knowledge on suburbanisation across the world. With my Belgian case study, I want to contribute to the growing literature studying other parts of the world. Second, with my historical research approach, looking into processes and development paths within Antwerp suburbs in between 1860 and 1940, I am explicitly developing a longitudinal perspective on suburbanisation. The inside perspective, at last, means that one does not look at a suburb as dependent and inferior to the city, but as an entity with its own history, place distinctiveness and volatile relations with the wider metropolitan region. By using a relational definition of suburbs, I will also address this last research agenda.

This PhD is concerned with place-making in the urban periphery of Antwerp, Belgium during the period 1860-1940, focussing on the role of political economic elites in these processes of (sub)urbanisation. This thesis develops a theoretically informed historical perspective on how these 19th and early-20th century suburbs were being made. My focus is on the agency of the local political economic elites and their relations and interactions with supralocal institutions, with a particular interest in how they shaped suburban place-making processes through their discourses and actions. On an overarching level, this PhD aims at combining two academic fields: urban history and urban theory. By using historical sources and by digging deep into the historical context, I aim to unveil the historical complexity of (sub)urbanisation processes, which allows me to nuance and refine (contemporary) theoretical concepts and frameworks. The theoretical framework that structures this PhD is based on the growth machine thesis, an American political economic theory with a strong emphasis on agency and discourse. One of the aims of this PhD is to test the applicability of these Anglo-Saxon political economic theoretical concepts for studying other institutional contexts.

Architectures of Bureaucracy: an Architectural and Political History of Ministerial Offices in Belgium (1915-1940) - Jens van de Maele (13/12/2019)

​Jens van de Maele

  • 13 december 2019 
  • Promotoren: Johan Lagae en Marnix Beyen
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - UGent

Abstract

Mijn doctoraatsverhandeling werpt een breed geschakeerde blik op de geschiedenis van overheidskantoren in België tijdens het interbellum. Door de vertogen en praktijken van architecten, managers, politici, administratieve experts en ambtenaren in ogenschouw te nemen, heb ik ministeriële kantoorarchitectuur kunnen conceptualiseren als een belangrijk object van politiek reformisme. Vanaf de jaren 1910 probeerden managementsspecialisten een zogenaamd ‘industrieel’ productie-ethos in de ministeriële administraties te introduceren, waarbij ervan werd uitgegaan dat de efficiëntie van kantoorpersoneel op een objectieve manier te kwantificeren viel. Onder invloed van theoretici als de Amerikaan F.W. Taylor (de grondlegger van het Taylorisme of Scientific Management) en de minder bekende Fransman Henri Fayol concipieerden Belgische hervormers de ambtenarij als een ‘machine’. Deze machine moest worden ondergebracht in ‘moderne’, ‘efficiënte’ en fabrieksachtige kantoorgebouwen. Het lagere kantoorpersoneel kreeg hierbij een plaats toegewezen in grote gemeenschappelijke ruimtes, waar men gemakkelijk onder de permanente visuele controle van de leidende ambtenaars kon worden geplaatst.

In de tweede helft van de jaren 1930 werd het voorgenoemde normatieve ‘industriële’ productie-ethos aan een corporatistische politieke ideologie gekoppeld. De ambtenarij werd nu geacht een belangrijke rol te vervullen bij de totstandkoming van een ‘sterke’, enigszins autoritaire staat. De drijvende kracht achter dit hervormingsprogramma was de politicoloog Louis Camu, die tussen 1936 en 1940 optrad als ‘Koninklijk Commissaris voor Administratieve Hervorming’. In deze jaren concipieerde Camu een integrale vernieuwing van de Belgische ministeriële administraties, waarbij zowel de managementspraktijk (‘architectuur’ in de figuurlijke zin) als de kantoorgebouwen (‘architectuur’ in de letterlijke zin) moesten worden gemoderniseerd. Op vraag van Camu tekenden de modernistische architecten Jean-Jules Eggericx en Raphaël Verwilghen een uitgebreide serie plannen voor een zogenaamde cité administrative in het centrum van Brussel. In deze monumentale ‘administratieve stad’ moest de meerderheid van de Belgische ambtenaren onderdak krijgen. Camu en zijn architecten hielden daarenboven een pleidooi voor een nauwe relatie tussen politieke transparantie en architecturale transparantie. Als gevolg van geldtekort, politieke meningsverschillen en het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog bleven de meeste van deze reformistische ambities echter een dode letter. Tijdens de oorlog zou de gepostuleerde relatie tussen politieke transparantie en transparante architectuur bovendien fataal eroderen: zoals veel andere politiek-administratieve figuren raakte Camu immers betrokken bij geheime politieke cenakels die zich richtten op de creatie van een autoritaire Nieuwe Orde.​

Dryland. Afforestation and the politics of plant life - Rosetta S. Elkin (25/11/2019)

Rosetta S. Elkin

  • 25 november 2019
  • Promotoren: Greet De Block en Erik Swyngedouw

Abstract

Dryland elevates the aliveness of plants by exploring afforestation, the practice of planting trees in otherwise treeless environments. By surveying the connection between ecology as a twentieth century science and plants as living organisms, the loss of global diversity is examined in order to recognize the challenges of conservation. Chapters address the overlooked tradition of dryland afforestation through the rise of scientific forestry in the American Prairies, the control of colonial holdings in Sub-Sahelian Africa, and the spread of environmental decline in hyper-arid China. Including plant life as a political subject not only problemizes practices such as tree planting, it expands what usually counts as politics. Thus conceived, Dryland suggests that planting a tree can either be one of the ultimate offerings to thriving on this planet, or one of the most extreme perversions of human agency over it.

Afforestation is the deliberate planting of trees in an otherwise treeless environment. Another dictum could be the deliberate insertion of a forest in a grassland or desert biome. There is nothing “natural” or restorative about the procedure. As a specific form of anthropogenic disturbance, afforestation is an intensely political maneuver. Dryland explores the politics of tree planting by indexing afforestation through the rise of scientific forestry in the United States, the control of colonial holdings in Africa, and the spread of environmental decline in China. The argument culminates in critique of global tree planting as a means to offset extreme deforestation. Projects are situated across the 20th century in order to resist the categories of specific intervals, movements or historical versus contemporary labels, relying on precedent to substantiate afforestation as a global practice.  

The term plant life is used to help us help us think about how we might organize our transactions differently and more carefully, when the concept of planting is replaced with the aliveness of plants. This gives agency to the plant and distributes it away from the human. Expanding the terms of plant life beyond professional operations makes it possible to take account of how plant science is appropriated as a means to further global development, confusing knowledge and politics by conflating speculation with certainty. It further argues that these assumptions continue to ripple through novel discourses including the ‘stuff’ of social theory, the monolithic concept of nature proposed by the Anthropocene and the challenge of a rapidly warming climate. Therefore, one of the central agendas is to distinguish between the plant as a sessile tool and its actual aliveness, in order to explore the connection between ecology as a twentieth century science and plants as living organisms.

Between public relevance and personal pleasure Private art and antique collectors in Brussels, Antwerp and Ghent, ca. 1780-1914 - Ulrike Müller (04/07/2019)

Ulrike Müller

  • 4 juli 2019
  • Promotoren: Marjan Sterckx (UGent) en Ilja Van Damme (UAntwerpen)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - UGent

Abstract

In the first half of the nineteenth century, Belgium was repeatedly praised as a country of collectors and amateurs, and private art and antique collectors were important and highly visible actors in urban cultural life. At a time when the public museum was still a relatively recent innovation, private collections were quite easily accessible for local and international visitors of the same social rank as the collectors. Private collections were places of cultural exchange and social interaction; they guaranteedthe preservation of the local and national heritage; and they provided models for artistic and (art) historical study. By the beginning of the twentieth century, however, the collector’s position in and relationship to the public sphere had undergone considerable transformations. Private collections were less accessible to an ever-expanding and increasingly culture-consuming public, and functioned more strongly in the context of the personal and explicitly private aims and networks of their owners. Private collectors defined their role less on the basis of a public and national reasoning, but increasingly through individual and aesthetic motivations, and a close involvement in the contemporary artistic and cultural life.

This dissertation aims to uncover the premises and reasons for private collectors’ shifting public relevance. What happened precisely to the public role of private collectors over the course of the century? How and why did their position in society change? The dissertation concentrates on the (changing) public role and relevance of private art and antique collectors in Brussels, Antwerp and Ghent during the long nineteenth century (ca. 1780-1914). It intends to examine the specific social, cultural, political, artistic and material context of private collectors’ activity, and it looks at the complex phenomenon of private collecting in nineteenth-century Belgian cities from an interdisciplinary and comparative perspective, combining art history and interior decoration history approaches with the methods of urban, social and cultural history and material culture studies. Its main focus is on three related issues relevant to private collectors’ activity: 1) collectors’ social profiles and networks; 2) collectors’ tastes and the range of their collected objects; and 3) the function, accessibility, display and reception of the collections. Much attention will also be paid to the specific local contexts of Brussels, Antwerp and Ghent and the differences between these three cities with regard to the urban collecting cultures. In so doing, this dissertation furthers our understanding of the diverse ways in which private art and antique collectors interacted with the social, cultural and artistic life of their cities, how this interaction changed over the course of the century, and what the collectors’ changing relationship to the public sphere can tell us about broader shifts in nineteenth-century culture, art and society.

Pro Arte! Cui Bono? De explosie van kunstvertogen en de constructie van artistieke expertise in laatnegentiende-eeuws Brussel (1860-1914) - Katrien Dierckx (26/06/2019)

Katrien Dierckx

  • 26 juni 2019
  • Promotor: Ilja Van Damme

Abstract

Dit proefschrift brengt de explosie van kunstvertogen in laatnegentiende-eeuws Brussel voor het eerst grondig in kaart en gaat via een genealogische benadering op zoek naar de verklaringen voor deze merkwaardige boom.

Het lopende onderzoek over fin de siècle Brussel gaat immers vooralsnog voorbij aan het feit dat er in de Belgische hoofdstad tussen 1860 en 1914 niet minder dan 103 tijdschriften over kunst het licht zagen, en dat deze concentratie van gespecialiseerde bladen gepaard ging met een massale verslaggeving over kunst in dagbladen. Dit voorlopige gebrek aan aandacht voor de veelheid aan en de enorme diversiteit van kunstvertogen laat zich in grote mate verklaren door de in de historiografie nog steeds preponderante gerichtheid op één stem, met name die van het avant-gardistische kunstblad L’Art Moderne. Deze focus op L’Art Moderne werkte decennialang de canonisering van moderne kunst in de hand en ging vaak gepaard met een eng-formalistische benadering.

Ter nuancering en revisie van een onderzoek waarin de stem van L’Art Moderne al te zeer werd versterkt, stelt dit proefschrift de alomtegenwoordige bedrijvigheid van kennisproductie over kunst in laatnegentiende-eeuws Brussel centraal. De interpretatie van de boom van Brusselse kunstvertogen gebeurt door de lens van het concept Deutungsmacht, een clusterbegrip waarin de bekende machtstheorieën van Michel Foucault, Niklas Luhmann en Pierre Bourdieu zitten vervat.

Doorheen vijf hoofdstukken correleert dit proefschrift de aanwas van het veelstemmige kunstdiscours meer bepaald met het machtsvacuüm dat vanaf de jaren 1860 in de Brusselse kunstwereld ontstond door liberaliserings- en privatiseringstendensen en een gereduceerde rol voor overheidsinstellingen. In een verschralend institutioneel klimaat kreeg een veelheid aan private spelers immers vrij spel en eisten zij elk afzonderlijk de bevoegdheid op om gegronde, gezaghebbende en bindende uitspraken te doen over de aard en de kwaliteit van kunst. Het woekerende, jachtige discours waartoe deze Deutungskampfter vergaring van de gegeerde Deutungsmachtaanleiding gaf, verstilde opnieuw rond de eeuwwisseling door een herinstitutionalisering. De officiële geboorte van de kunsthistorische discipline aan de universiteit van Luik in 1903 zorgde er meer bepaald voor dat formeel opgeleide, in verwetenschappelijkte musea tewerkgestelde specialisten het kunstestablishment gingen bemannen en de nieuwe gatekeepers werden.

Van twee wallen eten? De stadsrand als overgangszone tussen stad en platteland in de late 15de en 16de eeuw. Casus Oudenaarde - Tinneke Van de Walle (01/02/2019)

Tinneke Van de Walle

  • 1 februari 2019
  • Promotoren: Prof. dr Peter Stabel en Prof. dr Tim Soen

Abstract

Ondanks de toenadering tussen de disciplines van de rurale geschiedenis en stadsgeschiedenis bleef de kennis van de premoderne stadsrand tot op heden zeer bescheiden. Onderzoek naar de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne stadsrand is beperkt gebleven tot beschrijvende, veeleer regionale en lokale studies, die zich voornamelijk gericht hebben op de juridische en institutionele aspecten. Het onderzoek naar de gelaagdheid en de sociale en economische flows van deze pre-industriële stadsrand werd op deze manier tot op heden te kort gedaan en eindigde te vaak met een omschrijving van deze zone als arm en marginaal. Wij zijn echter van mening dat net – door de buitenwijken als een contactzone tussen stad en platteland te bekijken – dit gebied een uitweg kan bieden voor de tekortkomingen in het onderzoek.

Het doel van dit doctoraat is daarom ook tweeledig. Enerzijds willen we de duurzaamheid van de buitenwijken nagaan. De vraag rijst dan ook of deze buitenwijken voornamelijk het (tijdelijke) resultaat van stedelijke groei waren, waarbij ze misschien zelfs weer inkrompen na een gunstige periode of dat zij een meer permanent karakter hadden: m.a.w. in welke mate waren de functies die zich hier ontwikkelden cruciaal voor zowel stad als platteland of waren deze eerder onderhevig aan continue veranderingen? Anderzijds wil deze studie voorbijgaan aan louter en alleen het onderzoeken van de functionaliteit van de buitenwijken voor het urbanisatieproces, maar wil het ook een bijdrage leveren aan de impact van sociale bezitsverhoudingen. Concreet gaan we in dit onderzoek in op drie hypotheses over waarom buitenwijken in de late middeleeuwen en vroegmoderne periode bestonden en hoe zij functioneerden. Ten eerste stellen we ons de vraag of deze stadsrand werkelijk een soort van overgangszone was waar controle moeilijk bleek te zijn en welke partijen dan wel belang hadden bij deze situatie. Ten tweede gaan we na of buitenwijken de functie van spons en arbeidsreservoir hadden in tijden van economische hoogconjunctuur: zullen zij terug krimpen na een periode van economische bloei of blijven zij aantrekkelijk op de vastgoedmarkt? Waren het effectief de buitenwijken die lagere woningprijzen kenden en waar de lagere sociale klassen zich vestigden? Tenslotte gaan we in op de structurele functies tussen stad en platteland. In welke mate was de randstedelijke economie gericht op de stedelijke markt? En was er ook in de buitenwijken van Oudenaarde en Pamele sprake van een ‘commercial survival economy’ en in welke mate waren er dan verschillen met de omliggende, verder afgelegen, dorpen?

De dubbelstad Oudenaarde/Pamele vormt met zijn veelheid aan buitenwijken en omliggende dorpen (Bevere, Leupegem, Edelare, Ten Baillen en Eine) de ideale casestudie om de functie van de stadsrand, in haar interactie tussen stad en platteland, na te gaan in de late 15de en 16de eeuw. Gedurende deze periode kende de stad immers een economische en bijgevolg demografische bloeiperiode dankzij de tapijtindustrie.

Dit onderzoek toonde op basis van de economische, sociale en juridische organisatie van deze buitenwijken aan dat ze een wezenlijk onderdeel vormden van de stad, hoewel ze net buiten de stadsmuren waren gelegen. De mogelijkheid tot grondgebruik was er echter essentieel en maakte dat vooral één specifieke buitenwijk ook in trek was bij stedelingen. Op deze manier raakten in de late 15de en 16de eeuwse stadsrand van Oudenaarde stad en platteland met elkaar verweven.

Aangedaan van statuomanie: het Antwerpse stadsbestuur en zijn politieke greep op de stedelijke ruimte (1830-1914) - Karen Vannieuwenhuyze (22/11/2018)

Karen Vannieuwenhuyze

  • 22 november 2018
  • Promotoren: Prof. dr Marnix Beyen en Prof. dr Ilja Van Damme

Abstract

Aan de hand van een diepgravende en gebiedsdekkende analyse van de publieke standbeelden en hun onmiddellijke omgeving onderzoekt dit proefschrift of en op welke wijze de Antwerpse stadsbesturen tussen 1830 en 1914 hun politieke greep op de stedelijke ruimte verstevigden. De historiografie van de negentiende-eeuwse statuomanie en stedenbouw kenmerkt zich door een overvloedige aandacht voor symbolische, ideologische en pedagogische functies en betekenissen. Onderzoekers interpreteerden deze onderzoeksobjecten vooral in het licht van een groeiend staatsnationalisme en de bijhorende nood aan een nationale identiteit en cultuur. Anderzijds koppelden ze de beeldhouwwerken en het stadslandschap aan de moderne liberale vooruitgangsgedachte. In hoeverre andere ideologische stromingen begaan waren met de symbolische, esthetische en praktische politisering van het stadslandschap is veel minder bekend.

Om de algemene, in de (inter)nationale en lokale historiografie vastgestelde tendensen aan de specifiek Antwerpse politieke evoluties te toetsen, past het onderzoek twee verschillende, maar complementaire benaderingen toe. In het eerste macrohistorische deel wordt de algemene context van de ruimtelijke en politieke stadsontwikkelingen, de standbeeldenrage en de Maria- en heiligenbeeldentraditie geschetst. Het daaropvolgende microhistorisch gedeelte verdiept zich per bestuursperiode van een of meerdere Antwerpse burgemeesters in de standbeeldendossiers. Het stelt daarbij de algemeen bekende lokaal versus nationale, katholiek versus liberale, elitair versus democratische en esthetisch-pittoresk versus praktisch-rationele spanningen in vraag. De provinciestad Antwerpen biedt als casus een interessant alternatief voor de hoofdsteden die tot nu toe in de meeste studies centraal stonden. Daarnaast maakt de Scheldestad, waar tijdens de onderzoeksperiode ook wel eens katholieke (of Meetingistische) en socialistische raadsleden bestuurden of zetelden, een ideologische verbreding mogelijk. Naast de burgemeesters, schepenen en raadsleden laat het proefschrift ook heel wat andere actoren aan het woord die een invloed uitoefenden op de politieke toe-eigening van de stedelijke ruimte, zoals onder meer initiatiefnemende verenigingen, bijzondere oprichtingscomités en beeldhouwers.

Het diepte- en langetermijnonderzoek naar de Antwerpse publieke standbeelden bewees dat de materiële stedelijke ruimte wezenlijk deel uitmaakte van de politieke macht die de Antwerpse stadsbesturen tussen 1830 en 1914 opbouwden. De machtsopbouw verliep echter niet volgens een rechtlijnige evolutie waarbij de grip steeds strakker werd. De mate van controle fluctueerde tussen, maar evengoed binnen de bestuursperiodes. Anderzijds leverde het proefschrift een veel genuanceerder beeld van de negentiende-eeuwse statuomanie en bracht nieuwe inzichten in de klassieke Antwerpse politieke geschiedenis. Tussen 1830 en 1914 hadden politieke actoren van uiteenlopende strekkingen nu eens een subtiele en dan weer een doorslaggevende invloed op de stedelijke vorm- en betekenisgeving. Naast de publieke standbeelden kenmerkte bijvoorbeeld ook de eeuwenoude traditie van Maria- en heiligenbeelden het Antwerpse stadslandschap. Daarnaast werd bevestigd dat enerzijds politieke banden, vriendjespolitiek en de ons-kent-onscultuur en anderzijds  sterke persoonlijkheden, wetenschappelijke en economische netwerken evenzeer de politieke opeising van de stedelijke ruimte tekenden.

Asia In Flanders Fields: A Transnational History of Indians and Chinese on the Western Front, 1914−1920 - Dominiek Dendooven (02/07/2018)

Dominiek Dendooven

  • 2 juli 2018
  • Promotoren: Prof. Marnix Beyen (Universiteit Antwerpen) en Prof. Mark Connelly (University of Kent)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - University of Kent

Abstract

Vooral in dienst van de Franse en Britse legers verbleven tijdens de Eerste Wereldoorlog mensen uit de vijf continenten in Vlaanderen en Noord-Frankrijk. Naast kolonisten van Europese afkomst, ging het daarbij om honderdduizenden autochtonen uit vele kolonies. De twee grootste ondergeschikte groepen die in dienst van de Britse legers in Europa ingezet werden, elk goed voor om en bij de 140.000 manschappen, kwamen beide uit Azië, resp. uit het Indiase subcontinent en uit China. In deze verhandeling wordt niet alleen nagegaan welke hun motieven waren om dienst te nemen en wat de aard van hun inzet aan het Westelijk Front was, maar vooral hoe deze ondergeschikte groepen het verblijf in een Europa in oorlog beleefd hebben en welke invloed dit verblijf uiteindelijk op henzelf én op de samenleving waarnaar zij terugkeerden, heeft gehad.

Centraal in het peilen naar hun oorlogservaringen staat de ontmoeting met de Europese ‘ander’, de plaatselijke bevolking die hen willens nillens te gast had. Er wordt gekeken hoe de Europese bevolking de confrontatie met de niet-Europese gasten aanging, en omgekeerd ook welke indruk de Europeanen, met hun maatschappij en hun cultuur maakten op de Aziatische manschappen. Binnen en buiten het leger werden Indiërs en Chinezen in Europa geconfronteerd met verschillende gradaties van xenofobie, racisme en discriminatie, maar kwam het ook tot meer vriendschappelijke ontmoetingen met Europeanen. Niet zelden leidde dit tot een versterkt zelf- en (proto-)nationaal bewustzijn dat zich kon manifesteren in initiatieven op meerdere gebieden van de menselijke activiteit: politiek, cultuur, onderwijs, … 

Door het vergelijkend perspectief worden zowel verschillen als gelijkenissen tussen beide Aziatische groepen aan het Westelijke front duidelijk, en kunnen parallellen getrokken worden in hun evolutie naar een versterkt (zelf)bewustzijn en toenemende identificatie met de (proto)natie doorheen hun oorlogservaring in Europa.

A Pleasant Plain. A Comparative Study of the Stylistic Aspects of the Late Fifteenth-Century Travel Account of Joos van Ghistele - Alexia Lagast (26/06/2018)

Alexia Lagast

  • 26 juni 2018
  • Promotoren: Prof. dr Frank Willaert en Prof. dr Veerle Fraeters

Abstract

Early modern travel narratives played an important role in the development of an empirical scientific discourse in the West, according to the Catalan historian Joan-Pau Rubiés. This dissertation aims to fill a gap in the ongoing conversation on early modern travel narratives, their common stylistic features, and the exceptionality of the travel account of the Flemish nobleman Joos van Ghistele, written by Ambrosius Zeebout. In order to impart knowledge to their readers, authors of travel accounts are thought to have turned to the same sort of descriptive techniques, yet studies dedicated to the formal characteristics of this genre have remained few and brief. The stylistic qualities of early modern travel accounts are supposed to have supported their claim to be reliable sources of information. Despite these presumed shared characteristics, and notwithstanding our limited knowledge of them, it has been suggested that the account of Joos van Ghistele’s four-year journey to the Holy Land, Egypt, and Persia, is exceptional. This study distils the formal aspects of this report and measures them against three prominent contemporary Western travelogues on the Near East: those of Anselm Adornes, Bernhard von Breydenbach, and Felix Fabri. It hereby aims not only to assess the alleged exceptionality of Zeebout’s account but also to extract the common features that connect early modern travel narratives and, in doing so, to contribute to the development of a typology by which we can define and measure their characteristics.

This study uncovers the stylistic commonalities in the corpus, and argues that Joos van Ghistele’s account is indeed unique, notably in its emotional detachment, its sober style, its unequalled critical and empirical stance, and its elaborate use of highly domestic comparisons. Additionally, it found that, contrary to previous claims by the German historian Wolfgang Neuber, the status of the traveller, or the personal authority of other contributors to the accounts was hardly used, but instead replaced by a characterisation of the travellers as keen and well-read observers. Whereas prior research ostensibly lacked in suitable terminology to characterize the discourse of travel accounts, this study makes use of the theory of the so-called discourse modes, enabling a more detailed qualification of each text through the comparative analysis of the modes’ distribution.Thus this study could verify that the use of the informative and argumentative mode in Zeebout’s account are unequalled in the comparative corpus, reflecting the report’s exceptional focus on neutral description of the observed and on critical source treatment. Further marking the account’s vanguard naturalistic character is its ample use of comparisons in the description of landscapes, cities, buildings, fauna, and flora. Finally, the report’s unequalled objectivity could be confirmed thanks to this study’s definition of the formal components constituting emotional detachment and literary soberness. A case study of expositions on the prophet Muhammad and the Semitic religions further confirms the exceptionally detached style of Zeebout’s account. In conclusion, this study has pinpointed several parameters for the distinction of early modern travel accounts’ stylistic features, which can be widely applied and further explored to determine both the common and unique aspects of early modern travel narratives.

 

In het huidige debat rond vroegmoderne reisverslagen wordt er van uit gegaan dat de schrijvers van vroegmoderne reisverslagen de door de reizigers verworven kennis voor hun lezers beschreven aan de hand van bepaalde technieken, die het beoogde imago van hun teksten als betrouwbare bronnen van informatie moesten ondersteunen. Technieken die in het onderzoek werden onderkend zijn het vermelden van de status van de reiziger, bronnenkritiek, en het gebruik van een droge stijl. Studies rond deze technieken zijn echter schaars en beperkt. Deze studie beoogt, voor het eerst, een diepgaand onderzoek naar de retorische en stilistische constructie van betrouwbaarheid in vroegmoderne reisverhalen. Als centrale casus is gekozen voor Tvoyage van Mher Joos van Ghistele (c. 1490). Het verslag van de vierjarige reis naar het Heilig Land, Egypte, en Perzië die de Gentse edelman Joos van Ghistele ondernam (1481–1485), wordt in het onderzoek geregeld genoemd als voorbeeld bij uitstek van ‘het betrouwbare vroegmoderne reisverhaal’. Het onderzoek behelst een analyse van de stilistische kenmerken van dit verslag, dat werd geschreven door ene Ambrosius Zeebout, en meet ze af tegen die van drie prominente contemporaine Westerse reisverslagen over het Nabije Oosten: die van Anselm Adornes, Bernhard von Breydenbach, en Felix Fabri. Hiermee beoogt ze niet enkel de vermeende uitzonderlijkheid van Zeebouts verslag te evalueren, maar ook dieper inzicht te verwerven in de gemeenschappelijke kenmerken van vroegmoderne reisverslagen, en bij te dragen tot de ontwikkeling van een typologie waarmee hun eigenschappen kunnen worden gedefinieerd en gemeten.

Deze studie brengt de stilistische overeenkomsten en verschillen in het corpus aan het licht, en stelt dat Zeebouts verslag inderdaad uniek te noemen is, met name in zijn emotionele onthechting, sobere stijl, ongeëvenaarde kritische en empirische houding, en uitgebreid gebruik van vergelijkingen met de streek van de reiziger. Bovendien betoogt ze dat, in tegenstelling tot vroegere opvattingen, de status van de reiziger, of de persoonlijke autoriteit van andere bijdragers aan de verslagen, amper werd gebruikt, en werd vervangen door de karakterisering van de reizigers als belezen en nauwkeurige waarnemers. In vroeger onderzoek heerste een gebrek aan een geschikte terminologie om het discours van reisverslagen te karakteriseren. Om dit probleem te verhelpen maakt deze studie gebruik van de theorie van de zogenaamde discourse modes, die een meer gedetailleerde typering van individuele teksten mogelijk maakt. Zo kon deze studie verifiëren dat het gebruik van de informatieve en de argumentatieve modus in Zeebouts verslag ongeëvenaard is in het vergelijkende corpus. Deze vaststelling bevestigt de uitzonderlijke focus van de tekst op de neutrale beschrijving van wat werd waargenomen, en op de kritische omgang met bronnen. De geavanceerde naturalistische aard van het verslag wordt verder aangetoond door het uitgebreide gebruik van vergelijkingen in de beschrijving van landschappen, steden, gebouwen, fauna, en flora. Tot slot bakent deze studie de formele componenten van emotionele onthechting en van literaire soberheid af, waardoor de uitzonderlijke objectiviteit van Zeebouts verslag kan worden aangetoond. Een case study over uiteenzettingen over de profeet Mohammed en de Semitische religies bevestigt andermaal de uitermate onthechte stijl van het verslag. Samenvattend preciseert deze studie verschillende parameters voor de karakterisering van de stilistische eigenheid van vroegmoderne reisverslagen. Deze typologie leent zich tot een brede toepassing voor de verdere bepaling van zowel de gemeenschappelijke als de unieke eigenschappen van dit genre.

Want wi van doechden scriven willen. Een literair- en cultuurhistorische studie van het ontstaan en de doorwerking van Vanden twaelf dogheden - Ine Kiekens (20/06/2018)

Ine Kiekens

  • 20 juni 2018
  • Promotoren: Prof. dr Veerle Fraeters en Prof. dr Samuel Mareel
  • ​Dubbeldoctoraat UAntwerpen - UGent​

Abstract

Literatuurhistorici die spirituele teksten bestuderen, concentreren zich tot op vandaag vaak op teksten uit de middeleeuwen of uit de vroegmoderniteit, maar kijken zelden naar de interactie tussen deze beide perioden. In mijn proefschrift wil ik aantonen dat belangrijke nieuwe inzichten kunnen worden verworven door deze twee perioden samen te bestuderen en met elkaar te vergelijken. In mijn proefschrift bestudeer ik een bijzondere casus, het anonieme laat-veertiende-eeuwse Middelnederlandse traktaat Vanden twaelf dogheden. Deze tekst werd zowel in het Latijn als in nagenoeg alle West-Europese volkstalen vertaald en zodoende over het volledige West-Europese vasteland verspreid en gelezen tot in de achttiende eeuw.

Voorgaand onderzoek naar dit traktaat richtte zich voornamelijk op de zoektocht naar de identiteit van de auteur en diens bronnengebruik. Hoewel deze vragen ook in mijn proefschrift aan bod komen, belicht ik ook de unieke receptie die Vanden twaelf dogheden genoot, iets wat tot nog toe weinig bestudeerd is. Nochtans laat de studie van deze tekst en zijn doorwerking toe om inzicht te krijgen in de verschillende spirituele contexten waarbinnen Vanden twaelf dogheden functioneerde.

Mijn proefschrift bestaat uit twee delen. In het eerste deel bestudeer ik hoe de schrijver van Vanden twaelf dogheden zijn tekst heeft geschreven, en meer specifiek, hoe hij zijn mystieke bronnen heeft toegeëigend. In het tweede deel staan twee zestiende-eeuwse bewerkingen van Vanden twaelf dogheden centraal, de ene uit een katholiek en de andere uit een protestants milieu. Ook bij deze twee werken analyseer ik hoe ze tot stand zijn gekomen en richt ik me op de studie van het toe-eigeningsproces.

Geïnspireerd door de methodologieën van de Oude en Nieuwe Filologie, en de inzichten uit de cultural transfer studies, heb ik mijn eigen aanpak ontwikkeld waarmee ik verschillende schrijfactiviteiten in een tekst onderscheid en analyseer. Deze aanpak laat toe om meer inzicht te verkrijgen in de ontstaanscontext van de genoemde teksten en de redenen waarom ze werden toegeëigend en aangepast. Door die aanpassingen in kaart te brengen is het mogelijk om nieuwe inzichten te verwerven in zowel de receptie van Vanden twaelf dogheden als in de laatmiddeleeuwse en vroegmoderne spiritueel- en cultuurhistorische contexten waarin de verschillende exponenten van deze tekst zijn ontstaan.

Woven into the urban fabric. Rural cloth manufacture and economic development in the Flemish West-Quarter (1300-1600) - Jim van der Meulen (17/11/2017)

Jim van der Meulen

  • 17 november 2017
  • Promotors: Prof. Tim Soens en Prof. Peter Stabel

Abstract

Textielproductie was een van de hoekstenen van de laatmiddeleeuwse economie van de Nederlanden en in het bijzonder van het graafschap Vlaanderen. Van de elfde tot de dertiende eeuw vestigde de lakenindustrie zich in de Vlaamse steden en onderging het graafschap een sterke urbanisatie. Maar vanaf de late dertiende eeuw keerde het tij voor de stedelijke industrieën, zowel vanwege externe verslechte marktomstandigheden als vanwege interne strijd tussen machtsgroepen binnen de steden. Deze spanningen werden verder op de spits gedreven door de opkomst van grootschalige productiecentra van textiel op het platteland, die de stedelijke industrieën naar de kroon staken.

Volgens de klassieke theorie van Henri Pirenne slaagde de rurale textielindustrie er in deze periode in om stedelijke concurrenten voorbij te streven vanwege het ontbreken van sterke regulering aan de ene kant en de aanwezigheid van goedkope arbeid aan de andere kant. Pirenne beschouwde deze rurale economische ontwikkeling als een stap in de richting van modern kapitalisme. Dit proefschrift beoogt het succes van de rurale textielnijverheid in de periode 1300-1600 te duiden en daarmee de vraag te beantwoorden in hoeverre de laatmiddeleeuwse plattelandsindustrie werkelijk ‘kapitalistisch’ was. Het onderzoeksgebied is het Vlaamse ‘Westkwartier’, grofweg de regio tussen de steden Ieper, Lille en Bailleul, een van de kerngebieden van rurale textielproductie tussen de veertiende en de zestiende eeuw.

Aan de ene kant was het succes van het Westkwartier inderdaad deels een gevolg van de beschikbaarheid van goedkope rurale arbeiders. De toenemende schaarsheid van landbouwgrond stimuleerde boerenfamilies vanaf de late dertiende eeuw om bij te klussen in industrie. Aan de andere kant bleek dat de belangrijkste textieldorpen een stap verder gingen en in feite stoelden op een waar proletariaat dat nauwelijks nog banden had met landbouw. Over het algemeen waren de rurale textielcentra niet onderhevig aan sterke regulering, maar Nieuwkerke, het grootste lakencentrum van het Westkwartier, kende juist wel een steeds strengere controle vanaf de late vijftiende eeuw en dit ging gepaard met de grootste industriële bloei die het dorp zou kennen.

De Nieuwkerkse lakenondernemers verenigden zich om zoveel mogelijk grip te houden op hun industrie, waardoor de belangen van het collectief boven die van het individu werden geplaatst. In die zin was het Westkwartier een paradijs voor ondernemers, maar waren de mogelijkheden voor zelfverrijking beperkt. Die begrenzing werd kracht bijgezet door de contemporaine ideologie van het ‘algemeen belang’ die haar oorsprong had in de stedelijke samenleving. De ondernemers van de regio hadden dan ook sterke banden met verschillende Nederlandse steden op commercieel, juridisch en familiaal gebied. In Nieuwkerke resulteerde dit in lokale stedelijke ambities voor het dorp op het economische, maar ook op het culturele en politieke vlak. Zodoende was het rurale Westkwartier sterk verweven met de stedelijke samenleving van de Lage Landen en vervaagden de grenzen tussen stad en platteland. Maar daarmee slaagden de rurale ondernemers er uiteindelijk niet in om de ideologie van het collectief voorbij te streven en als individualistische kapitalisten te opereren.

Thuis in Brugge. Materiële cultuur en wooncultuur in een stad in verval, 1438–1600 - Julie De Groot (30/10/2017)

Julie De Groot

  • 30 oktober 2017
  • Promotors: Prof. dr Bruno Blondé en dr Katherine Anne Wilson

Abstract

Dit proefschrift bestudeert de manier waarop stedelingen in de late vijftiende- en zestiende eeuw een thuis creëerden in één van de rijkste steden van de Nederlanden die doorheen de periode geconfronteerd werd met politieke uitdagingen en een economisch verval. Binnen de onderzoekstraditie naar de beleving en creatie van een stedelijke wooncultuur, bestaat er reeds lang een enorme interesse in de inrichting van de weelderige Renaissance palazzi en case van het Italiaanse stedelijk patriciaat en in de constructie van vernacular houses in laatmiddeleeuws Engeland. Een gelijkaardige onderzoeksbelangstelling voor de Zuidelijke Nederlanden staat nog maar voorzichtig in de kinderschoenen.

Niet alleen is de aandacht hier vooral uitgegaan naar woningen in andere periodes, maar binnen het veld van de stadshistoriografie bleef de focus ook te vaak liggen op de sociale productie en de politieke beleving van de publieke ruimte. Er werd immers vanuit gegaan dat de sociale identiteit van stedelingen voornamelijk vorm kreeg en gerepresenteerd werd op de pleinen en in de straten van de stad. Vertrekkend vanuit boedelinventarissen als hoofdbron, wil dit boek de focus verleggen van de publieke ruimte naar de persoonlijke leefruimte van voornamelijk de stedelijke middengroepen bestaande uit ambachtslieden en winkeliers enerzijds, en de stedelijke mercantiele bovenlaag anderzijds. 

In het eerste deel van het boek ligt de focus op de organisatie van de woonruimte en op de functionele invulling van de woonvertrekken. Het vertrekt vanuit de vaststelling dat er weldegelijk een fysieke (en mentale) grens was tussen werken en wonen en dat deze bezigheden niet noodzakelijk in elkaar overliepen. Sommige alledaagse activiteiten zoals bidden, slapen en eten waren duidelijk voorbehouden voor de leefruimte en hadden geen plaats in de commerciële ruimte vooraan of achteraan het huis. Daarnaast werd duidelijk dat het Brugse huis naar gebruik ook erg kon verschillen met de huizen die reeds bestudeerd werden in Firenze, Rome of Antwerpen. Het Brugse contoor bijvoorbeeld, was niet de ruimte waar de heer des huizes de mantel van humanistisch geleerde aantrok, maar het representeerde veeleer het commerciële, mercantiele karakter van de eigenaar en van de stad. In vele opzichten waren de grenzen tussen ruimtes bovendien niet alleen fysiek van aard, maar hadden ze ook een uitgesproken sociaal karakter. In de huizen van de meer welgestelde stedelijke bovenlaag was zowel de eetkamer als later de salette een ruimte bedoeld om bepaalde gasten in te ontvangen op welbepaalde momenten. Het waren ruimtes waarin het scala aan activiteiten met andere woorden steeds meer beperkt werd. Ook de slaapkamer werd een exclusieve ruimte waarin alleen de heer en dame des huizes hun hoofd te rusten konden leggen of verstrooiing konden vinden, maar waar evenzeer ook gasten ontvangen werden. 

Het tweede deel van het boek betoogt dat de sociale polarisatie die in Brugge in de zestiende eeuw tot stand kwam, niet alleen merkbaar was in de organisatie van de ruimte, maar ook in de aankleding ervan. Terwijl de stedelijke bovenlaag (en dan vooral de leden van de Spaanse natie) nog min of meer in staat was om de modes in luxegoederen te volgen (zoals het bezit van genretaferelen, portretten, spiegels, wandtapijten, individuele stoelen bekleed met leder of stof), moesten minder welgestelde lieden het stellen met goedkopere substituten of minder kwalitatieve producten. Niettemin is gebleken dat deze (semi)luxegoederen vaak op een geheel eigen manier gebruikt werden. Zo fungeerden schilderijen vooral binnen de sfeer van de persoonlijke devotie en werd tapisserie ook gebruikt voor alledaagse gebruiksvoorwerpen.

Education in crisis? Human capital investments from a household perspective in early modern Antwerp - Annelies De Bie (30/06/2017)

Annelies De Bie

  • 30 juni 2017
  • Promotoren: Prof. dr Bert De Munck

Abstract

Dit proefschrift handelt over de onderwijsuitgaven van Antwerpse huishoudens in de zeventiende en achttiende eeuw. In die periode onderging de Scheldestad een verregaande transformatie. De eens zo bloeiende metropolis, geprezen om haar degelijk scholingssysteem, veranderde in een regionaal dienstencentrum. Dit boek schetst de impact van die economische ‘crisis’ op de investeringen van lokale families in onderwijs en vergelijkt daarvoor de situatie aan het begin van de zeventiende eeuw met de toestand in de tweede helft van de achttiende eeuw. Op basis van door de Weeskamer bewaarde voogdenrekeningen (en gerelateerd bronnenmateriaal) heb ik getracht volgende vragen te beantwoorden (met aandacht voor leeftijd- en genderverschillen e.d.): Welke opleidingsmogelijkheden bestonden er in Antwerpen in de zeventiende en achttiende eeuw? Welke onderwijskeuzes maakten vroegmoderne families en waarom? Hoeveel gaven gezinnen uit aan educatie (in absolute zin en in verhouding tot andere uitgavenposten)? Wat bepaalde de prijs van de scholing of training?

De studie toont aan dat vroegmoderne Antwerpse huishoudens nog steeds toegang hadden tot onderwijs, ondanks het moeilijkere economische klimaat. Aanvankelijk profiteerden de inwoners vast en zeker van het roemrijke verleden van de Scheldestad. Het aanbod aan scholen en opleidingsprogramma’s was nog steeds erg gevarieerd en de meeste Antwerpse gezinnen waren nog welstellend genoeg om voor instructie of training te betalen. Over het algemeen werd er echter opvallend weinig geïnvesteerd in kennis en opleidingen, omdat veel jongeren werkten in ruil voor onderwijs. Het aantal actieve jongens en meisjes groeide echter exponentieel tegen het einde van de achttiende eeuw, wanneer de armoede in de stad toenam en de onderwijskosten door steeds meer stedelingen (vooral middengroepen) te hoog werden bevonden. Veranderende visies omtrent educatie faciliteerden die verhoogde inzet van kinderarbeid. Hoewel de diversiteit en kwaliteit van het onderwijs daardoor afnamen, kregen steeds meer arme meisjes net via zogenaamde werkscholen de kans om een beroepsopleiding te volgen en wat basiskennis te verwerven. De crisis was dus allesbehalve eenduidig.

Belgium and the Ottoman Empire: Diplomacy, Capital and Transnational Loyalties, 1865-1914 - Alloul Hossine (29/06/2017)

Alloul Hossine

  • 29 juni 2017
  • Promotoren: Prof. Henk de Smaele en Prof. Isa Blumi

Abstract

This dissertation investigates the manifold contacts and exchanges that took place between the Kingdom of Belgium and the Ottoman Empire from the reign of Leopold II (r. 1865-1909) up until the outbreak of World War One. Combining macro-level (foreign relations, trade, and finance) with micro-level analyses (interpersonal relations, discourses), it aims to construct a sociocultural history of the interactions between Belgian and Ottoman elites and their respective polities that places these interactions within the larger politico-economic context of the late nineteenth-century when the world was rapidly being transformed by the intertwined and disruptive forces of Western-centered imperialism and capitalism. The main actors focused on are traditional decision makers—foreign ministry staff and government and palace officials, as well as the non-state elites that inhabited the edges of the diplomatic world (entrepreneurs, various go-betweens, and pro-government journalists). A broad array of oppositional actors (parliamentarians, activists, critical ‘news’ makers) is also studied. One elite social and vocational group occupies center stage in this research, however, namely Belgian and Ottoman field diplomats. The lives and careers of these professionals who stood close to state power and held privileged positions in both their home and host states, poignantly illustrate how fluid the boundaries were between the official and unofficial, the public and the private, and the so-called West and the non-West.

The chief purpose of this study is to show, then, not only how state and economic interests structured the historical course of Belgian-Ottoman interrelations, but also how they were shaped by the plurality of interpersonal engagements between subjects of the two polities. Exploring multiple individual stories, it aims to revise and complicate existing diplomatic historical narratives of Euro-Ottoman relations, which often depart from state-centric visions of historical change and focus lopsidedly on ‘high diplomacy’ and the so-called Eastern Question. The case studies presented in this dissertation permit us to amend and enrich such histories by showing how states interacted with each other through ‘real’ (often unofficial) people and private interests.

This thesis puts forward three main arguments: First that the scholarship on (interstate) relations between ‘Europe’ and the Ottoman Empire is fixated on the policies of the ‘great powers’ and that an analysis of the Belgian case not only indicates the inadequacy of these accounts, but also produces new questions which have not been considered previously. Among other things, an approach that shifts the focus away from the major powers of the time allows for histories that focus not only on the hostile and unilateral exploitation of, but also the mutually beneficial synergies with the Ottoman Empire. In fact, the second claim put forth in this study is that the young ‘liberal’ bourgeois state that was Belgium should be perceived as an evident ally of the regimes that succeeded one another in Istanbul. A traditional historiographical perspective that narrowly studies official diplomacy, however, is permanently at risk of overlooking the social complexities that lie behind, and shape these relations. That is precisely why the third argument of the dissertation is that Belgo-Ottoman relations can be better understood as a product of intense and sustained engagement between political and economic elites of both states. This engagement was not limited to a formal and/or professional level, but consisted of private bonds of amity, affection, and rivalry as well. Indeed, close inter-personal interaction between various Belgian and Ottoman state and financial elites, either in Istanbul or Brussels, fostered strong transnational loyalties that unsettled some of the binary categories of the hegemonic Orientalist discourses of the time, while equally revealing the deep and often contradictory entanglements connecting the Belgian and Ottoman worlds in a Western-dominated age of global colonialist and capitalist exploitation.