Letteren en Wijsbegeerte

Departement Geschiedenis

Doctoraatsverdedigingen

Kooplieden en hun toekomsten: plannen en verwachtingen van de handelsmaatschappij Tucher, ca. 1520- ca. 1550 - Max-Quentin Bischoff (10/06/2026)

Max-Quentin Bischoff

  • Doctoraatsverdediging: 10 juni 2026 
  • Promotor: Jeroen Puttevils​

Abstract

Dit proefschrift onderzoekt de blik op de toekomst van de handelsonderneming Tucher uit Neurenberg tijdens de zestiende eeuw aan de hand van hun interne correspondentie. De dissertatie bestaat uit drie delen. In deel I wordt de “toekomsthorizont” geïntroduceerd als analytisch kader en worden de belangrijkste categorieën van de toekomsthorizont van de Tuchers geanalyseerd op basis van een gestructureerde annotatie van 178 brieven. Deze discursieve blik op de toekomst kan in vier punten worden samengevat. 1) Bijna de helft van een gemiddelde brief had betrekking op toekomstige gebeurtenissen of handelingen. 2) De toekomstvisie van de Tuchers was grotendeels gericht op de korte termijn, wenselijk en binnen hun controle, maar zonder duidelijke neiging tot zekerheid of onzekerheid. 3) De toekomsthorizont verschilde gedeeltelijk tussen individuele briefschrijvers en levensdomeinen. 4) De discursieve toekomsthorizont wordt sterk beïnvloed door schrijfconventies en retorische strategieën. Om tot diepere inzichten te geraken, is het dus noodzakelijk om de toekomsthorizont in specifieke contexten grondiger te onderzoeken.

Deel II richt zich op interne planning. De correspondentie had voornamelijk betrekking op informatiebeheer op korte termijn, de coördinatie van het personeel en reisarrangementen. In d e brieven werd echter ook ingegaan op de middellange- en lange termijn. De planning op middellange termijn besloeg een periode van één tot tien jaar en omvatte zowel de arbeidsomstandigheden van de dienaars als structurele aanpassingen binnen de handelonderneming. De Tuchers moesten omgaan met de persoonlijke ambities van dienaars, organisatorische kwesties en partnerschappen met andere ondernemingen. De planning op lange termijn was gericht op het opleiden van zonen om het voortbestaan van de familieonderneming te waarborgen. De opleiding was principieel gestandaardiseerd, toch pasten de Tuchers de plannen voortdurend aan aan individuele omstandigheden en hielden ze rekening met persoonlijke ontwikkeling op de lange termijn.

In deel III worden marktverwachtingen geanalyseerd en wordt onderzocht hoe deze verwachtingen tot stand kwamen. Monetaire verwachtingen kwamen vooral impliciet tot uiting in begrippen als vertrouwen, investeringen en rente. Bij nader inzien blijken er echter tegenstrijdige houdingen en prioriteiten binnen de onderneming te bestaan: optimisme en winstgerichtheid bij sommige medewerkers, en pessimisme en zekerheidsgerichtheid bij de leiders. Toekomstige ontwikkelingen op het gebied van rente en wisselkoersen waren grotendeels onvoorspelbaar en werden zelden expliciet besproken. De saffraanprijzen werden daarentegen wel uitvoerig geanalyseerd. De Tuchers hielden rekening met een reeks factoren om toekomstige prijzen te bepalen en op basis daarvan te investeren. Een dienaar, Christof Kurz, stelde een voorspellingssysteem voor op basis van astrologie en marktmechanismen dat volgens hem zekere winsten beloofde. Hoewel dit idee belangstelling wekte en zelfs werd getest, was het ook omstreden binnen de onderneming en werd het al snel opgegeven.

Embedding a consumer revolution: Shifting values in the language of London auction advertisements, c.1730-1830 - Alessandra De Mulder (27/03/2026)

Alessandra De Mulder

  • Doctoraatsverdediging: 27 maart 2026
  • Promotoren: Bruno Blondé en Ilja Van Damme

Abstract

Dit proefschrift onderzoekt het ontstaan van de moderne consumptiecultuur in het achttiende-eeuwse Londen via een historische en linguïstische analyse van advertenties voor veilingen. Het uitgangspunt is dat de alledaagse talige praktijken van kopen en verkopen een cruciale rol speelden, en dat enkel een combinatie van digitale onderzoeksmethoden met traditionele historische analyses het mogelijk maakt om te achterhalen welke waarden er werkelijk toe deden voor Georgiaanse consumenten.

Dit onderzoek nuanceert ons begrip van de zogenaamde consumptierevolutie door aan te tonen dat de moderne consumentencultuur niet alleen getriggerd werd door aardverschuivende economische of sociale transformaties, maar dat die ook vorm kreeg via alledaagse praktijken van kopen, verkopen en beschrijven van materiële goederen; praktijken die fundamenteel talig van aard waren. De focus op veilingmarkten, waar tweedehandsgoederen circuleerden, onthult dat de constructie van waarde steeds meer afhankelijk was van sociale conventies en esthetisch oordeel in plaats van uitsluitend intrinsieke materiële kwaliteiten.

Methodologisch ontwikkelt de dissertatie een kader dat computationele taalkundige analyse combineert met rigoureuze historische contextualisering. Het onderzoek analyseert duizenden veilingadvertenties uit Londense kranten die de periode van 1730 tot 1830 bestrijken. Deze benadering onthult patronen die onzichtbaar zijn voor traditionele close reading, terwijl deze patronen betekenis krijgen door de combinatie met een analyse van de historische context via achttiende-eeuwse woordenboeken, meubel- en filosofische traktaten.

De studie stelt gevestigde narratieven over de achttiende-eeuwse consumptiecultuur in een ander licht door een inductieve benadering te hanteren. Hoewel talloze historici al hebben onderzocht wat mensen bezaten aan de hand van boedelinventarissen, en al heel wat aandacht besteed werd aan contemporaine filosofische traktaten over consumptie, weten we nog verrassend weinig over waarom mensen er exact voor kozen om bepaalde goederen te kopen. Veilingadvertenties vullen dit hiaat op door consumptie in de praktijk weer te geven. Geschreven om aan te sluiten bij het denkkader van potentiële kopers, onthullen ze de gedeelde talige waardenkaders die de besluitvorming op de markt vormgaf.

De studie toont aan dat veilingmeesters functioneerden als actieve ‘smaakmakers’ in plaats van passieve tussenpersonen. Ze vormden gedeelde evaluatiekaders die bepaalde consumptiepatronen succesvol maakten terwijl andere verdwenen. Hun taal evolueerde aanzienlijk in de loop van de achttiende eeuw, waarbij evaluatieve (subjectieve) beschrijvingen steeds vaker louter beschrijvende (objectieve) taal vervingen of nuanceerden. Hun evoluerende taal tekent het ontstaan van een complexer en meer verfijnd consumptie-vocabularium, in de context van de immer uitdijende wereld van goederen.

Cruciaal is dat de studie pleit voor methodologische bescheidenheid, waarbij zowel de kracht als de beperkingen van digitale benaderingen worden erkend. Geen enkele methode volstaat op zich: terwijl distant reading brede patronen onthult, valideert intermediate reading via systematische annotatie deze bevindingen. Close reading via historische bronnen biedt vervolgens de essentiële verankering. Deze meerschalige benadering erkent dat verschillende analytische methoden verschillende facetten van de historische realiteit onthullen, waarbij de rijkste inzichten voortkomen uit hun combinatie.

Door de kloof te overbruggen tussen theoretische kaders over consumentenwaarden en het feitelijke taalkundige bewijs van marktpraktijken, biedt deze studie nieuwe perspectieven op hoe Georgiaanse Londenaren zich een weg baanden door een steeds complexere materiële wereld, betekenissen construeerden rond huishoudelijke goederen, en deelnamen aan de geboorte van de moderne consumentenmaatschappij via de taal die ze gebruikten om objecten te beschrijven, te begeren en te verwerven.

Boeren als rentmeesters: Pacht tussen winst, macht en natuur in de Lage Landen, 1200-1400 - Arnoud Jensen (12/02/2026)

Arnoud Jensen

  • Doctoraatsverdediging: 12 februari 2026
  • Promotoren: Tim Soens (UAntwerpen) & Thijs Lambrecht (UGent)

Lees over het onderzoek op onze blog Bladspiegel:Tweehonderd tonnen mest elk jaar: "Niet omscheppen tot we komen kijken!"

Abstract

Centraal in dit onderzoek staat de korte-termijn pacht in de Lage Landen tussen 1200 en 1400. Vanaf de dertiende eeuw werd pacht de dominante vorm van grondbeheer. Doorgaans wordt pacht geassocieerd met winstmaximalisatie en risicospreiding. Deze studie benadrukt echter ook de rol van pacht in het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen door middeleeuwse pachtpraktijken te verbinden met het moderne concept van environmental stewardship, opgevat als het verantwoord beheer van natuurlijke hulpbronnen door tijdelijke gebruikers.

Pachtcontracten bevatten een breed scala aan bepalingen over landgebruik en natuurlijke hulpbronnen. Door deze clausules te analyseren werd onderzocht hoe winststreven, risicobeheer en milieubeheer binnen pachtsystemen op elkaar inwerkten in vijf regio’s: Binnen-Vlaanderen, Kust-Vlaanderen, Artesië–Kamerijk, Luik en het Nederlandse Centrale Rivierengebied.

De thesis is opgebouwd uit drie delen. Het eerste deel bestudeert de contracten zelf en richt zich op hun juridische status, normatieve karakter en de juridische en culturele verwachtingen die erin besloten liggen. Het tweede deel analyseert de pachtprijzen, hun regionale verschillen en ontwikkeling, en de relaties tussen pachters en verpachters. Het derde deel behandelt de ‘milieu-clausules’ over het beheer van land, flora en waterinfrastructuur, en hun evolutie doorheen de tijd.

De resultaten dragen bij aan vier historiografische debatten. Ten eerste blijkt pacht vroeger te zijn ontstaan dan vaak wordt aangenomen, waarbij ook particulieren al vroeger actief waren op de pachtmarkt. Ten tweede werpen pachtprijzen nieuw licht op de laatmiddeleeuwse crisis, zowel wat betreft haar impact als haar chronologie. Ten derde tonen de contracten aan hoe winststreven, risicobeheer en duurzaam beheer structureel met elkaar verweven waren. Ten vierde had pacht een duidelijke ecologische dimensie: contracten konden duurzaam landgebruik stimuleren, ook al werd dit vooral ingegeven door niet-ecologische belangen van verpachters.

Tot slot reflecteert de studie op de hedendaagse ecologische crisis en de moderne pachtwetgeving. Middeleeuwse contracten tonen aan dat juridische kaders een verantwoorde omgang met natuurlijke hulpbronnen kunnen bevorderen. Vandaag ontbreekt een dergelijk kader grotendeels, waardoor pacht onderbenut blijft als instrument voor het behoud van bodemkwaliteit.

De politiek van licht: Koloniale macht, kennisoverdracht en de toverlantaarn in België (1885-1945) - Anse De Weerdt (27/11/2025)

Anse De Weerdt

  • Doctoraatsverdediging: 27 november 2025
  • Promotoren: Karel Vanhaesebrouck (ULB), Nele Wynants en Marnix Beyen (UAntwerpen)

Abstract

Tussen 1885 en 1945 keerden Belgische en West-Europese kolonialen regelmatig terug uit de koloniën met foto's gemaakt met draagbare Kodak-camera's. Deze beelden werden omgezet in glasplaten voor projectie met de toverlantaarn. De lantaarnvoordrachten die hieruit voortkwamen waren publieke performances waarin persoonlijk verhaal, spektakel en aanspraken op wetenschappelijkheid samenkwamen. In organisaties zoals het Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap van Antwerpen (opgericht 1876) en de Union Coloniale Belge (opgericht 1912) werkten sprekers en publiek samen aan het vestigen van wetenschappelijk gezag. Sprekers, instellingen en toehoorders versterkten elkaars credibiliteit en ensceneerden kennis als zowel spektakel als collectieve consensus.

Door deze praktijken te reconstrueren, onderzoekt dit proefschrift hoe koloniale denkbeelden werden geproduceerd en in stand gehouden via terugkerende visuele en performatieve formats. Het beschouwt deze bijeenkomsten als sociale gelegenheden die leden van het koloniale establishment met elkaar verbonden en bijdroegen aan de reproductie van hiërarchie en imperiale ideeën. Door benaderingen uit performance studies, visuele geschiedenis en kennisgeschiedenis te combineren, onderzoekt het proefschrift hoe licht zelf deel werd van de machinerie van koloniale macht.

All Is Fish That Comes to the Net: Peasant Fishing on the English South Coast in the Turbulent Late Middle Ages - Lena Walschap (26/08/2025)

Lena Walschap

  • Doctoraatsverdediging: 26 augustus 2025
  • Promotoren: Maïka De Keyzer (KUL) en Tim Soens (UAntwerpen)

Abstract

Sommige middeleeuwse boeren waren ook vissers. Ondanks de lengte en verscheidenheid van de Engelse kustlijn, is het onderzoek naar de landbouw- en peasant geschiedenis van middeleeuws Engeland evenwel voornamelijk op het binnenland gericht gebleven. De geschiedschrijving over de visserij richt zich dan weer vooral op de schaalvergroting en commercialisering van de visserij in de loop van de middeleeuwen, waarbij wordt aangenomen dat kleinschalige visserij doorheen de tijd aan belang heeft ingeboet. In het veld van de rampengeschiedenis komen kustbewoners vaker aan bod, wat een beeld van de middeleeuwse kust als een overwegend gevaarlijke plek heeft gecreëerd. De kusten boden echter ook rijkdommen en kansen, waarvan vis een goed voorbeeld is. Door vissende boeren aan het plaatje toe te voegen, krijgen we een breder beeld van de diversiteit van “middeleeuwse vissers”, dat verder reikt dan de specialisten die maandenlang de kust verlieten. Belangrijker nog, het belicht de strategieën en mentaliteit van deze boeren, ook in de context van de verschillende turbulenties waarvoor de late middeleeuwen bekendstaan.

Op basis van administratieve documenten van meerdere manors en andere landgoederen in drie regio's aan de Engelse zuidkust, compileert dit onderzoek talrijke sporen van dergelijke boerenvisserijen, wat de veelvoorkomende aard ervan bevestigt, zelfs aan het einde van de middeleeuwen. Dit proefschrift beschrijft hoe visserijactiviteiten sterk werden aangepast aan de lokale context: kenmerken zoals de kustgeografie, sociale systemen, landbouwpraktijken en handelsmogelijkheden hadden allemaal invloed op het voorkomen en de organisatie van visserijactiviteiten door boeren. De combinatie van visserij en landbouw was ook cultureel verankerd, aangezien de toegang tot kennis en technologie via familiale- en gemeenschapsnetwerken verliep. Tot slot visten kustboeren niet uit noodzaak of wanhoop, maar omdat het aantrekkelijk voor hen was. Het was een systematisch toegepaste manier om hun inkomsten te diversifiëren, die vooral werd gewaardeerd omwille van het vermogen om risico's te minimaliseren en stabiliteit te creëren. In deze zin mag het voortbestaan en soms floreren van zulke boerenvisserijen niet worden beschouwd als het falen van deze visserijen om te commercialiseren. In plaats daarvan konden deze vissende boeren, in de juiste omstandigheden, net succesvol gebruik maken van de beschikbare middelen op de manier die hen het beste kon ondersteunen.

The Demand of the Invisible Hand: The consumer revolution and social inequality in the (pre)modern metropolis - Bas Spliet (14/05/2025)

Bas Spliet

  • Doctoraatsverdediging: 14 mei 2025 om 15 uur
  • FelixArchief
  • Promotoren: Bruno Blondé (UAntwerpen) en Wouter Ryckbosch (VUB)
  • Inschrijven via bas.spliet@uantwerpen.be

Abstract

Deze doctoraatsverhandeling confronteert twee stromingen in de literatuur over de sociale en economische geschiedenis van Noordwest-Europa in de vroegmoderne tijd: de consumptierevolutie en sociale ongelijkheid. De eerste stroming richt zich op de observatie dat de consumptiepatronen en het materiële comfort van een groeiend aandeel van de (stedelijke) huishoudens in deze regio uitbreidde in elke opeenvolgende generatie tijdens deze overgangsperiode. De tweede denkrichting is minder optimistisch en versterkt met de waarneming van toenemende inkomens- en vermogensongelijkheid in de eeuwen voorafgaand aan de industriële revolutie het deprimerende beeld van lage levensstandaarden uit de literatuur over reële lonen. Verzachtte de consumptierevolutie de sociale impact van groeiende economische ongelijkheid, zoals een eerste generatie van onderzoekers impliceerde zonder deze vraag expliciet te stellen? Of werden sociale ongelijkheden gereproduceerd, zoals een recentere generatie Vlaamse historici heeft betoogd op basis van bewijs uit verschillende steden van de Lage Landen die in verval waren geraakt tegen de achttiende eeuw. Deze thesis onderzoekt daarentegen consumptieontwikkelingen in de belangrijkste commerciële metropolen van het tijdperk: in de eerste plaats Amsterdam, maar ook Antwerpen en Londen.

Het proefschrift is opgebouwd rond een reeks van vijf (bijna) gepubliceerde artikelen. Deze worden voorafgegaan door een inleiding en gevolgd door een afsluitend hoofdstuk dat niet bedoeld is voor afzonderlijke publicatie. De vijf teksten pogen bij te dragen aan verschillende subdisciplines, terwijl het laatste hoofdstuk een direct antwoord op de onderzoeksvraag beoogt. In de laatste analyse plaats ik toenemende keuzevrijheid – voor het eerst benadrukt door Jan de Vries – opnieuw in de kijker als een definiërende karaktereigenschap van ontluikende consumptiesamenlevingen. Ik betoog dat de consumptierevolutie net zo sterk gekenmerkt was door groeiende diversiteit en individualiteit als door toenemende uniformiteit en aanhoudende ongelijkheid. Zowel vanuit het perspectief van de agency van consumenten als in de sociale spreiding van consumptiegoederen besluit ik dat de consumptierevolutie de sociale impact van stijgende economische ongelijkheid verlichtte – maar alleen onder de voorwaarde van stabiele koopkracht.

1400 Un fortunoso anno: toekomstdenken en risico in Laat-Middeleeuws Venetië - Nicolò Zennaro (9/05/2025)

Nicolò Zennaro

  • Doctoraatsverdediging: 9 mei 2025
  • Klooster van de Grauwzusters
  • Promotoren: Jeroen Puttevils en Francesco Guidi Bruscoli​

Abstract

De afgelopen jaren heeft onderzoek aangetoond hoe kapitalistische economische actoren hun toekomstverwachtingen creëren en gebruiken om risico’s in hun onderneming te vermijden, het hoofd te bieden en te overwinnen. Deze toekomstgerichte attitude van handelaren wordt beschouwd als één van de voornaamste drijfveren van het kapitalisme. Volgens economische historici werd, tussen de tiende en de veertiende eeuw, de geboorte van het kapitalisme geleid door de diepgaande veranderingen in het toekomstdenken van middeleeuwse mensen. Gedurende deze periode evolueerde het beeld van de toekomst voor middeleeuwers van een eschatologische, vaststaande tijd, geconditioneerd door het concept van het Laatste Oordeel, naar een perceptie van een meer aardse en open tijd. Deze fundamentele verandering maakte de toekomst in de ogen van middeleeuwse economische actoren tot een tijd van mogelijkheden, waarin de inherente onzekerheid van de handel gedeeltelijk gekwantificeerd kon worden en werd gezien als een winstmogelijkheid voor zakenlieden. Historici hebben de link tussen toekomstdenken, kapitalisme en risico uitsluitend vanuit een collectief oogpunt onderzocht of door zich te richten op de vroegmoderne en moderne perioden. Mediëvisten verwaarlozen de

analyse van dit fenomeen vanuit een individueel perspectief. Dit proefschrift vult deze historiografische lacune door te bestuderen hoe middeleeuwse kooplieden toekomstverwachtingen van hun zakelijke en privéleven creëerden en gebruikten om risico’s of rampen te vermijden, het hoofd te bieden en te overwinnen. Hiertoe analyseerde ik de correspondentie van twee Florentijnse kooplieden, Bindo Piaciti en Bartolo Zati, en Paris Soranzo, een Venetiaanse koopman en patriciër, met betrekking tot de Rialtomarkt tussen 1389 en 1411. Het onderzoek bekeek en vergeleek het toekomstdenken van deze zakenlieden in hun dagelijkse activiteiten, maar ook in een periode die zij als ontwrichtend en rampzalig beschouwden voor hun zakelijke en privéleven: het Fortunoso Anno van 1400. In dit jaar werd de Venetiaanse gemeenschap getroffen door verschillende diepe crises die hun economisch en privéleven sterk beïnvloedden. Kooplieden bestempelden deze gebeurtenissen als “gran danni” (grote schades). Dit proefschrift richt zich op de wijze waarop kooplieden hun toekomstverwachtingen inzetten om het hoofd te bieden aan wat zij beschouwden als de drie grootste risico’s in deze periode: een pestepidemie die in enkele maanden 16.000 slachtoffers eiste, een schipbreuk die een aanzienlijk verlies voor de stedelijke economie veroorzaakte en een oorlog die de handelsroute tussen Venetië en het Midden-Oosten verstoorde.

La fabrique des sommets: Une histoire environnementale des sommets des Vosges méridionales (XIIIe-XVIIIe siècles) - Jean-Baptiste Ortlieb (7/03/2025)

Jean-Baptiste Ortlieb

  • Doctoraatsverdediging: 7 maart 2025
  • Promotoren: Isabelle Laboulais (Université de Strasbourg) en Tim Soens (UAntwerpen)

Abstract

The new paradigms of environmental history provide an opportunity to take a fresh look at an ancient historical object, the Vosges mountains, by focusing on their summits, areas that have long been considered marginal. They are key observatories of the economic, social and environmental phenomena at work. At the crossroads between the history of administrative knowledge and rural history, and incorporating a resolutely interdisciplinary methodology, this work highlights the existence of complex relationships within social agrosystems, based on an investigation conducted over a long period of time (13th to 18th centuries). An original corpus, comparing written and cartographic documents with data from field studies, enables to examine the relationship between societies and summits, and between human and non-human actors. By examining the changes and mutations in these relationships over a period marked by the emergence of a new relationship between Western societies and nature, we are able to contribute to French and international environmentalist productions, laying new foundations for understanding mid-mountain environments.

Rediseñando el diseño: Los misales de Cristóbal Plantin y la familia Giunta (1571-1589) - Jorge Fragua Valdivieso (20/02/2025)

Jorge Fragua Valdivieso

  • Doctoraatsverdediging: 20 februari 2025
  • Promotoren: Pierre Delsaerdt, Benito Rial Costas en Agustín Martín Francés

Abstract

Dit proefschrift is een interdisciplinair onderzoek dat een kwantitatieve methodologie toepast om de grafische kwaliteit van het Hervormde Missaal, gedrukt door Cristóbal Plantin en de familie Giunta tussen 1570 en 1589, te evalueren. Het onderzoek richt zich op de eerste productiejaren, die cruciaal waren voor de grafische ontwikkeling van deze liturgische tekst en speelt zich af in een historische context die wordt gekenmerkt door de katholieke reformatie en de politieke en economische invloed van het hof van Filips II en het Vaticaan.

Het onderzoek is gebaseerd op drie basisprincipes: het verkrijgen van historiografische gegevens over het studieobject, het begrijpen van de productiecontext en een gedetailleerde lectuur van de documentatie met betrekking tot de creatie van het missaal. Om de grafische evolutie van het missaal te begrijpen, concentreerde de analyse zich op de edities van Plantin en de familie Giunta, waarbij de grafische structuur van beide edities visueel werd vergeleken. De analyse toonde aan dat het missaal van Plantin meer in overeenstemming was met de eisen van het Vaticaan en paus Filips II, zowel wat betreft de grafische structuur als de historische documentatie. De edities van de Giunta familie daarentegen waren, hoewel ze een breder distributienetwerk hadden, instabieler in hun structuur en minder consistent met de grafische modellen en documentaire vereisten.

Een belangrijke bevinding van het onderzoek is dat de vorm en structuur van het missaal beantwoordden aan een historisch-culturele context die door deze instellingen werd bepaald. Samengevat laat de analyse zien hoe de historische context en politieke beslissingen de productie en grafische evolutie van het gereformeerde missaal beïnvloedden.

Het logementshuis en de stad: Migranten accommoderen in stedelijke ruimte, Antwerpen, 1850-1914 - Jasper Segerink (14/02/2025)

Jasper Segerink

Abstract

Dit proefschrift bestudeert de logementssector en zijn relatie tot veranderingen in migratie en verstedelijking in Antwerpen tijdens de late negentiende eeuw (ca. 1850-1914). Hoewel alomtegenwoordig in het historische stadsbeeld, komt het logementshuis nauwelijks voor in het werk van historici. Dit proefschrift wil deze leemte opvullen. Het argumenteert dat het logementshuis functioneerde als een cruciale schakel tussen twee van de periodes meest impactvolle transities: de stedelijke transitie en de mobiliteitstransitie. De processen en sociale mechanismen die deze twee met elkaar verbonden, zijn vaak impliciet gebleven. In dit proefschrift wordt het logementshuis zowel beschouwd als een uitdrukking van deze transities - en dus als een specifiek historisch fenomeen dat een begrip van zijn eigen interne mechanismen verdient - als een lens erop, een belangrijke plaats om te onderzoeken hoe dergelijke transformaties weerklonken in het leven van gewone mensen. Met dit doel voor ogen wordt in deze dissertatie gekozen voor een benadering die fundamenteel ruimtelijk en relationeel is op verschillende schaalniveaus. Deze insteek wordt toegepast via nieuwe digitale methodologieën zoals GIS-kartering en bouwbiografieën, op een groot corpus aan bronnen, variërend van politiedocumenten, wetteksten, bevolkings- en logementsregisters, kranten en historische romans en beeldmateriaal.

Dit proefschrift is opgebouwd uit vijf hoofdstukken, die elk een van de belangrijkste perspectieven op het onderwerp behandelen, namelijk: de stad, controle, logementhouders, logees, en tot slot het logementshuis zelf. Naarmate de stad en haar migrantenstromen zich uitbreidden en diversifieerden, breidde ook de logementssector zich uit, maar niet op uniforme wijze. De groei was gesegmenteerd over de stedelijke ruimte, en de sector kreeg verschillende functies voor verschillende migrantengroepen in verschillende buurten. De specialisatie van de sector was niet nieuw in de negentiende eeuw, maar beide transities versterkten deze trend wel. In dit proces eigenden de logementshuizen zich belangrijke functies toe voor de stad, en haar arbeidsmarkt in het bijzonder. Door hun flexibiliteit vormden logementshuizen een cruciale spil in het rijmen van de inherente dynamiek van stedelijke migratie en werk met een relatief meer statische gebouwde stedelijke ruimte. In conclusie laat deze dissertatie zien dat, om processen van migranten en stedelijke verandering in de negentiende eeuw te begrijpen, het logementshuis niet langer kan worden genegeerd.