Letteren en Wijsbegeerte

Departement Wijsbegeerte

Doctoraatsverdedigingen

Ernst Tugendhat: The (Im)Possibility of Non-Religious Mysticism - Johan Serré (16/11/2021)

Johan Serré

  • 16/11/2021: doctoraatsverdediging
  • Promotoren: Walter Van Herck, Veerle Fraeters

Abstract

German philosopher Ernst Tugendhat defines Mystik (mysticism) as “freeing oneself from volitional attachment (or from greed or worry) and this in the face of [the size of] the universe.” Mystik is sought because human beings are in search of peace of mind. Being too attached to what one wants (if one is too egocentric) will cause feelings of frustration, fear and loss of meaning. This study researches to what extent Mystik, Tugendhat’s interpretation of mysticism, is a “real possibility” for people today. It seems that Mystik is problematic for a number of reasons. Therefore, this study proposes a few changes to Tugendhat’s concept. The knowledge on which Mystik is founded is no longer the knowledge that I am relatively unimportant compared to the size of the universe, but an ‘existential dialetheism:’ the knowledge that an existential contradiction is true . The insight that a contradiction is at the heart of mysticism might lead to a better understanding of some mystical and religious phenomena.

Depiction, Realism, and Immersiveness. An Investigation into How Images Represent Objects - Marco Arienti (25/10/2021)

Marco Arienti

  • 25/10/2021: doctoraatsverdediging
  • Promotoren: Arthur Cools, Erik Myin.

Abstract

In this thesis I aim at providing philosophical reflections into how images depict objects. More specifically, I seeks to address two main ideas about depictive images, namely that they amount to a distinctive way to represent objects, and that objects can be depicted in a variety of ways, to serve a variety of informational functions. Regarding the first point, following a proposal by Abell (2009) and Blumson (2014), I argue that a pictorial image depicts a particular object, or an object of some kind, if and only if it resembles such object in some visible aspect because the maker intends the picture to resemble such object in that aspect, in order to communicate something about the object. The communicative character of the maker’s intention consists in bringing the object to the spectators’ mind by enabling the spectators to recognise the underlying intention. With respect to the second point, I show that depictive images can serve different communicative functions in virtue of the kind of information, based on what they depict, that they make relevant to an audience. 

My analysis focuses on two instances of these functions, namely realism and immersiveness. For what concerns realism, I defend Abell’s view (2007) that the function of realistic images is to give information, on the basis of their depictive content, about how objects look like if one sees them, and that the information of this kind provided by a picture has to be relevant to some audience. I then rely on this theory of realism as a blueprint to put forward a novel hypothesis about immersive images. More specifically, I claim that immersive images provide relevant depictive information, to some audience, about how the depicted scene looks like, were it the environment one is acting within.

Interlevel causation from an interventionist point of view: solving problems in philosophy of mind and in philosophy of science - Thomas Lodewyckx (28/06/2021)

Thomas Lodewyckx

  • 28/06/2021: doctoraatsverdediging
  • Promotor: Bert Leuridan

Abstract

Woodward's interventionist theory of causation, which starts from the intuition that causal relations are relations which are potentially exploitable for manipulation and control, has become increasingly popular in philosophy of science in the past years. One of its unique selling propositions is that it dovetails nicely with scientific practice, including the psychological sciences, and with people's everyday causal reasoning. Interventionism has recently been invoked in two distinct yet related philosophical discussions. First, several authors have used it to guard mental causation against the epiphenomenalist's causal exclusion argument. Yet these promising endeavours have been strongly criticized by a number of philosophers in the literature. I focused on two interlevel relations present in these debates: supervenience and emergence. The second discussion concerns Craver's account of constitutive relevance, an interlevel relation at work in mechanisms. Even though his account is inspired by Woodward's interventionist theory of causation, he insists that constitutive relevance relations cannot be causal. This gives rise to a number of problems. The central goal of this project was to find a unifying solution to these related - yet distinct – problems. The central research hypothesis is that this can be done by giving up the assumption that the interlevel relations figuring in these discussions cannot be causal. This is a plausible solution, since we have good independent reasons for interpreting these relations as bidirectional – bottom-up and top-down – causal relations. Approaching these interlevel relations as causal then serves to resolve a number of issues, ranging from the safeguarding of mental causation to the easing of anti-naturalistic tensions between philosophy and science.

Tools for Thought: Free Energy Instrumentalism in an Enactive Framework - Thomas van Es (26/05/2021)

Thomas van Es

  • 26/05/2021
  • Promotor: Erik Myin

Abstract

In deze thesis verken ik de filosofie van de cognitiewetenschappen. Ik verdedig een instrumentalistische interpretatie van het vrije energie principe (VEP), binnen het theoretisch kader van het enactivisme. Het enactivisme is een stroming in de cognitiewetenschappen die het belang van een organismes belichaming, haar omgevingsinbedding en haar interactionele geschiedenis benadrukt. Het VEP voorziet ons van een formalisme waarmee we de activiteit van een organisme in een omgeving kunnen modelleren om statistische relaties in de organisme-omgevingsdynamieken te kunnen ontaarden. De interpretatie van dit formalisme blijft omstreden.

In Deel I bediscussieer ik predictive processing, een representationalistische theoretische voorstelling die het VEP-model geïmplementeerd ziet in het brein om voorspellingen te doen over de omgeving. In Hoofdstuk 2, betwist ik, samen met Erik Myin, de representationele status van predictive processing. Bovendien stel ik in Hoofdstuk 3 dat, als het wel representationalistisch zou zijn, het voorstel intern contradictoir is. In Hoofdstuk 4 beargumenteer ik dat het embedded view of vision een non-representationele verklaring biedt voor de explananda van predictive processing. 

In Deel II verken ik alternatieve interpretaties voor het VEP. In Hoofdstuk 5 suggereer ik dat het gebruik van de term ‘model’ in de VEP-literatuur slechts een zwakkere, instrumentalistische interpretatie ondersteunt. Hoofdstuk 6 vult dit aan met een systematisch overzicht van mogelijke VEP-interpretaties, en concludeert dat slechts de instrumentalistische interpretatie houdbaar is. Een interessante consequentie hiervan is dat de representatiekwestie hiermee naar de achtergrond treedt. In Deel III zet ik het instrumentalisme aan het werk. In Hoofdstuk 7 onderzoek ik samen met Jo Bervoets hoe een enactivistische sensorimotorinterpretatie van autisme als voetstuk kan dienen voor een ethisch appel voor inclusie. In Hoofdstuk bekijk ik met Michael Kirchhoff tot in hoeverre het VEP de kernconcepten van het enactivisme zou kunnen ondervangen. Hieruit blijkt dat niet alles zich even goed leent voor incorporatie in het VEP-formalisme. Deze conclusie reflecteert de algemene conclusie van de thesis: hoewel het VEP statistisch detail biedt, heeft het conceptueel steun nodig vanuit enactivistische hoek.

Over trots. De moraliteit en politiek van een emotie - Martha Claeys (21/05/2021)

Martha Claeys

  • 21/05/2021
  • Promotoren: Guido Vanheeswijck en Katrien Schaubroeck

Abstract

Dit onderzoek tracht de moeilijk grijpbare aspecten van artistieke productie en distributie te begrijpen als kritische en esthetische momenten. Via Fan Fictie als een veld dat steunt op zelf-organisatie, kijk ik naar organisatorische elementen van een kunstwerk voor hun sociale, economische, politieke en artistieke capaciteiten. Op dit snijvlak bevraag ik hoe zichzelf als kunstenaar te organiseren met oneigenlijke methodes en een indirecte aanpak. Om indirect betrokken te zijn zoals in Fan Fictie, om naast iets anders geëngageerd te zijn, is een ingang verhuld als een uitgang. Mijn kunstwerken wijzen niet alleen naar wat anders moet, maar naar wat tegelijkertijd kan. Op deze manier probeer ik te ontsnappen aan binair denken en uit te gaan van het ambigue, het samenvallen en het paradoxale. Ik gebruik een strategie van gelijktijdigheid die zoekt naar kleine afleidingstactieken als permanente, fragiele vormen van productie en distributie. Dit onderzoek zoekt zijn noodzakelijkheid, niet in het afbeelden van lineair probleem-oplossen in een werk, maar creëert disruptieve momenten van paradoxaal denken voorbij het werk. Op deze manier, beschrijf ik indirecte narratieven van engagement. Door de lens van distributie breid ik de vraag van “wat te maken” uit met “hoe iets te maken”. 

Centraal in deze thesis staat het idee dat trots een paraplu-emotie is die door drie verschillende houdingen gewaarborgd wordt: zelfwaardering, zelfrespect, en zelfliefde. Dit conceptuele raamwerk biedt nieuwe inzichten in de morele waarde en gevaren van trots. Deze thesis werpt licht op enkele van de meest markante voorbeelden van trots in onze samenleving, en duidt hun politieke implicaties.

Trots in haar meest paradigmatische vormen is vaak gelegitimeerd door zelfwaardering: een wedstrijd winnen, een kunde beheersen, iets bereiken, en zo voort zijn voorbeelden van positieve waardering van het zelf. Ik bespreek deze vorm van trots als een waardevolle vorm van motivatie, als we tenminste enkele belangrijke overwegingen in acht nemen. In andere voorbeelden van trots is de emotie een motor voor protest, zoals in de Gay Pride of de Black Lives Matter beweging. Ik begrijp zelfrespect als het waardevolle idee dat iemand een bepaalde behandeling verdient die in verhouding staat met het feit dat zij een persoon is, zoals het toekennen van basisrechten en bescherming tegen vernedering. Ik onderscheid zelfrespect van zelfwaardering door te stellen dat zelfwaardering doordrongen is van een hiërarchische logica en een logica van verschil, terwijl bij zelfrespect net gelijkheid centraal staat. Het is bovendien inherent aan respect dat men er recht op heeft, terwijl waardering precies niet iets is dat men kan claimen. Een grote valkuil bij trots is de vermenging van deze twee houdingen: de hiërarchische logica van (zelf)waardering wordt al te vaak verkeerdelijk op de egalitaire houding van (zelf)respect toegepast. Die verwarring leidt tot schadelijke superioriteitsclaims onder de vlag van gelijkheid. Ten slotte werk ik een concept van zelfliefde uit als het echt geïnteresseerd zijn in jezelf. Ik weerleg het gangbare idee dat zelfliefde ons onkritisch maakt en ons verhindert om onszelf te overstijgen. Zelfliefde houdt in dat we de fantasieën die we over onszelf hebben doorprikken en onszelf zien zoals we echt zijn, ingebed in een sociale en normatieve context.

Ik concludeer dat trots als een middel voor empowerment vaak net waardevol en legitiem is bij hen voor wie het niet vanzelfsprekend is om de ruimte in te nemen om trots te zijn. Om die reden is het einddoel niet om trotser te zijn of meer trots te hebben, maar wel om de nood aan trots zelf overbodig te maken.

Mental Action, Control and Responsibility - Nicolas Alzetta (05/03/2021)

Nicolas Alzetta

  • 05/03/2021
  • Promotoren: Bence Nanay (UAntwerpen) en Nico Böhler (UGent)

Abstract

This dissertation attempts to accomplish three things: it develops a control-based account of mental action, a novel argument against free will, and an account of responsibility which is designed to suit both mental and bodily actions. After introducing the central ideas of action theory in chapter 1, the second chapter makes the notion of cognitive control explicit. Five control functions which have been shown to be experimentally separable are discussed. Although these functions specify dimensions along which mental processes can be controlled, the measures which were used to individuate them are too coarse-grained to specify how the processes that fall within the scope of each individual function are themselves controlled. This is illustrated by analyzing the phenomenology of some experiments that were used to individuate the functions. Chapter 3 first develops the concept of attentional episode, which is used in combination with the functions identified in chapter 2 to define mental actions. A taxonomy of mental actions is then provided, and the account is illustrated with examples. Chapter 4 develops a new argument against free will, understood as the principle of alternate possibilities, as applied to mental actions, which is termed the possibility of alternative thought (PAT). It argues that it is impossible for a subject to think differently in a given situation. After introducing the PAT, a taxonomy of content types is offered, based on control structure. The scenarios of content generation are then analyzed for each type of content; it is shown that none can satisfy the PAT. The fifth chapter discusses three well-known conceptions of moral responsibility – the desert-based, the consequentialist and the reactive attitudes approach. An overarching notion of responsibility is then introduced, which can be applied across domains (moral, epistemic, etc.). Chapter 6 develops a hybrid account of responsibility for other-directed cases: it adopts the consequentialist idea that the goal of holding someone responsible is to bring about desired consequences. Still, it doesn’t justify the act of holding responsible by the fact that this will produce desired consequences. Rather, it follows Strawson’s idea that being responsible reduces to the practice of holding responsible. Other than Strawson’s approach, this account takes the objective attitude as starting point, from which an initial responsibility measure is developed, which is then modified by adopting a reactive attitude. This process takes four steps, each of which comports a separate section. The last chapter modifies the account to accommodate self-directed cases

Constructive memory. Rethinking memory to redefine personal identity - Loraine Gérardin-Laverge (24/11/2020)

Loraine Gérardin-Laverge

  • 24/11/2020
  • Dubbeldoctoraat met Université Paris Nanterre

Abstract

In this thesis, I propose to rethink memory in order to rethink personal identity. I start from an interrogation about personal identity. How is it possible that people, despite the changes that affect them, recognize themselves as themselves? A common answer to the diachronic question of personal identity is that memory is what makes the self: memories allow us to connect with ourselves and to have an idea of our diachronic personal identity. But interestingly, the recent empirical research on episodic memory shows that it has a constructive dimension and is not only a storage capacity that allows one to preserve and retrieve accurate representations of the past. What does it change for the question of personal identity? I start with an exploration of John Locke’s memory theory of personal identity, and argue that to be a person, in Locke's view, is to recognize oneself as same at different moments of time and thus, in this act of self-recognition, to constitute oneself as a person with a temporal dimension. I argue that Locke’s preservative view of memory has to be revised, and I propose an empirically informed discussion on the concept of memory. I contend that episodic memory has a constructive dimension and has both epistemic functions and functions related to the constitution of diachronic personal identity. I propose a constructive memory theory of personal identity. Episodic memory is at the same time a capacity which allows me to recognize myself and, because this recognition is not a simple recognition but a construction of a representation of myself through the gathering of information from various sources, it can produce and constitute my personal identity.Keywords: Personal identity; Self-knowledge; Episodic memory; Constructive memory;Mental time travel

Orchestrating Creativity: The Musical Canon as a Regulative Concept - Arne Herman (18/11/2020)

Arne Herman

  • 18/11/2020
  • Promotoren: Pascal Gielen en Marlies De Munck

Abstract (English)

Faced with drastic declines in the cultural sector, the symphony orchestra has often been argued to be in crisis. On the other hand, there is a wealth of indications that the symphony orchestra is very much alive. Thorough analysis reveals that the economic unsustainability is a symptom, not the disease itself. It appears that the crisis of the symphony orchestra is in essence a legitimacy crisis, preceding its financial crisis. The history of the orchestra shows that this legitimacy crisis is structural to the orchestra: as cultural values shift, so does the legitimacy of the institutions that carry out these values.

In recent years, this orchestra crisis has given rise to a dominant logic of what can be called ‘Pragmatized Aesthetics’, which manifests itself in two profoundly intertwined strategic responses: organizational uniformity and artistic uniformity. This twofold strategic logic is clearly present in orchestras’ programming policies, which is the place where pragmatic and aesthetic tensions most tangibly converge. The predominance of a stagnated musical canon is discernible, which gives rise to the question as to whether the symphony orchestra is accumulating an artistic deficit: there is an increasing gap between the cultural narrative that this canon represents and the values of a society in which this narrative is presented. In that sense, it can be argued that the dominant logic of Pragmatized Aesthetics reinforces the legitimacy crisis. If this pragmatic answer to the crisis does not work, can we rethink the idea of musical programming, where an ideal tension between the pragmatic and the aesthetic recalibrates the values of the orchestra and society?

In line with the intertwining of the aesthetic and the pragmatic, the approach to this issue has been twofold. The theoretical approach has addressed the genesis of the musical canon, which reveals how it became an authoritative touchstone for musical practice. An argument is developed that the musical canon is a regulative concept: while it historically emerges from specific practices, it simultaneously assumes a normative role by regulating these practices. Adding credibility to this argument requires an additional empirical approach: how does the idea of a musical canon cut through programming policies of symphony orchestras today? The empirical approach of this study consists of 6 case studies, aimed at determining how the idea of Pragmatized Aesthetics translates to actual programming policies and tendencies, and what role the musical canon plays in that climate, as a regulative concept.

Abstract (Nederlands)

De afgelopen decennia kregen symfonische orkesten in binnen- en buitenland bijzonder zware klappen te verduren. Zo zagen ze hun subsidies drastisch inkrimpen, hun publiek vergrijzen en uitdunnen, en wordt hun cultureel belang door de globaliserende maatschappij steeds meer in vraag gesteld. Hoewel de internationale orkestcultuur sterk in beweging is, kampt het symfonisch orkest al vele decennia met iets wat op een existentiële crisis lijkt. Orkesten staan immers steeds meer onder druk in een maatschappij die de ‘waarde’ van een symfonisch orkest en hun repertoire niet meer als evident beschouwt. Deze bijdrage peilt naar de historische wortels van wat vaak de ‘orkestencrisis’ wordt genoemd, in een poging de vele facetten ervan te begrijpen in een coherent denkkader. Daarbij worden theorie en empirie aan elkaar gekoppeld, in het verlengde van het centrale argument dat esthetiek en pragmatiek twee dialectische krachten zijn die een culturele spanning opleveren waarbinnen een orkest zich voortbeweegt.

Evidence for Causal Claims in Medicine and the Mental Health Sciences - Sydney Katherine Green-Hovda (25/05/2020)

Sydney Katherine Green-Hovda

  • 25 mei 2020
  • Promotor: Bert Leuridan

Abstract

This dissertation explores current debates concerning the evidence used to establish causal claims, with a particular focus on claims made in medicine and the mental health sciences. It consists of three parts:

First, I provide an analysis of the use of evidence hierarchies within evidence-based medicine (EBM). I focus on two kinds of systems for evaluating evidence – systematic ranking schemes like the OCEBM’s Levels of Evidence and GRADE, and Sir Austin Bradford Hill’s informal ‘characteristics’ for demonstrating causation – and weigh the relative merits of each. I also analyze the debate over EBM’s preference for randomized trials. I discuss the major arguments against the primacy of randomization, but ultimately, I argue that, while randomized trials are far from perfect, they nevertheless generally deserve their place at the top of evidence hierarchies. Finally, I move from the theoretical underpinnings of EBM to actual practice. I discuss one area of research in which the primacy of randomized trials – and the methodology of EBM in general – has been challenged, namely, psychotherapy. I dissect the arguments that have been made against using the EBM model in psychotherapy, demonstrating that they do not hold water. I end by proposing and advocating a piecemeal approach to measuring the effectiveness of psychotherapeutic interventions.

Second, I explore the role of mechanistic evidence in establishing causal claims. I analyze the debate over the relative importance of statistical and mechanistic evidence, focusing on the arguments of Federica Russo and Jon Williamson on the one hand and Jeremy Howick on the other. Ultimately, I propose and defend the wRWT, a weakened version of the Russo-Williamson Thesis. Finally, I explore the implications of this debate within the context of psychiatry, using the monoamine hypothesis for depression as a case study to show the importance of mechanistic evidence. Returning to psychotherapy, I argue that the failure of the monoamine hypothesis demonstrates that biomedical explanations for depression should be deemphasized and that our focus should be directed toward furthering the pursuit of a psychosocial understanding of the disorder instead.

Third, I move to evaluating the epistemic value of current approaches to evidence amalgamation. I look at two major organizations that perform evidence amalgamation: the Cochrane Collaboration and the International Agency for Research on Cancer (IARC). I ask whether evidence amalgamation in practice should try to satisfy Carnap’s principle of total evidence. Ultimately, I argue that we should not try to satisfy the PTE simpliciter since it is not a rational principle. However, more nuanced, local, and contextualized versions of the PTE can be rational and should be used.

The Paradox of Interactive Fiction: A New Approach to Imaginative Participation in Light of Interactive Fiction Experiences - Nele Van de Mosselaer (19/05/2020)

Nele Van de Mosselaer

  • 19 mei 2020
  • Promotoren: Arthur Cools en Erik Myin

Abstract

How can we be moved by the fate of Anna Karenina? With this question, Colin Radford introduced the paradox of fiction, or the problem that we can feel emotions towards characters and events which we know do not really exist. Ever since, philosophers have tried to solve this paradox by investigating how fiction might motivate us to feel emotions towards fictional objects without ever motivating us to interact with them: we do not try to save Anna Karenina, nor do we try to run away from monsters in horror movies, even if they scare us.

In the past decennia, however, the medium of interactive fiction has shown this way of handling the paradox of fiction to be outdated. Videogames show us that we can not only be made to feel emotions towards fictional characters or events, but that we can also be motivated to undertake actions towards them, even when we fully know they are not real. As such, videogames introduce a paradox of interactive fiction: a paradox of fictional emotions and actions. In light of interactive fictional works such as videogames, and in a parallel to Radford’s original question, we might now ask: how can we be moved to shoot fictional zombies, when we know they are not real?

In this thesis, I explore the interactive and self-involving imaginative experiences that are offered by videogames. Central to this investigation is the problem presented by the paradox of interactive fiction, which consists of three claims that cannot be true at the same time, as a contradiction would follow: 1) it is impossible to act on fictional objects, 2) videogame objects (such as zombies) are fictional, and 3) players act on videogame objects (for example by shooting zombies). I propose a solution to this paradox by describing how players, and their actions, become fictional themselves when they interact with the worlds presented in videogames. Players can only fictionally shoot zombies. Based on my description of players’ fictional experience of videogames, I re-examine and modify the way philosophers of fiction have conceptual­ized imaginative participation, fictional actions, and desire-like imaginings.

Literature, Truth, and Meaning - Leen Verheyen (14/05/2020)

Leen Verheyen

  • 14 mei 2020
  • Promotoren: Arthur Cools en Vivian Liska

Abstract

Wat is de cognitieve waarde van literatuur en in elke mate is deze verbonden met de literaire waarde en met de fictionaliteit? Om een antwoord te geven op deze vragen wordt in deze thesis vertrokken van het verschil tussen fictie en nonfictie en ligt de focus daarbij op één centraal aspect, namelijk de referentie aan de reële werkelijkheid. Fictionele werken verwijzen namelijk niet direct naar de werkelijkheid, maar nodigen net door deze opschorting van de referentie de lezer uit tot interpretatie: omdat lezers weten dat wat ze lezen niet direct refereert aan de werkelijkheid worden ze uitgenodigd zich de vraag te stellen wat het werk ons op een indirecte manier over de werkelijkheid probeert te vertellen.

Een idee dat in deze thesis centraal staat, is dat het interpreteren van een werk niet alleen invloed heeft op hoe we dit werk zien en ervaren,  maar dat het ook een effect heeft op het referentiekader dat we gebruiken om tot een interpretatie te komen, aangezien literaire werken ons vragen en twijfels bieden, omdat ze ons concrete voorbeelden geven van de abstracte concepten die we gebruiken en ons de grenzen van ons conceptuele kader tonen.

Hoewel in de thesis wordt betoogd dat de cognitieve waarde van literatuur een van de belangrijkste redenen is waarom we literatuur als relevant en waardevol beschouwen, is het echter ook een belangrijk uitgangspunt dat de meeste theorieën over de cognitieve waarde van literatuur problematisch zijn omdat ze deze waarde beschrijven in termen van waarheden of kennis die we uit het werk kunnen halen. Het standpunt dat in deze thesis verdedigd wordt kan dus gezien worden als een zogenaamde neo-cognitivistische benadering. Het idee in zo’n benadering is dat veel vormen van cognitie niet verklaard kunnen worden met de traditionele begrippen van waarheid en kennis. Een neo-cognitivistische benadering gaat er dan ook vanuit dat literaire werken ons niet zozeer waarheid of kennis bijbrengen, maar bijdragen aan ons conceptueel begrijpen van de werkelijkheid. Dit bijdragen aan ons conceptueel begrijpen moet dan beschouwd worden als zowel een cognitieve waarde als een van de belangrijkste redenen waarom we literatuur waardevol vinden.

The Power of Forgiveness: an Arendtian Turn - Els Van Peborgh (28/11/2019)

Els Van Peborgh

  • 28 november 2019
  • Promotor: Geert Van Eekert

Abstract

In mijn proefschrift beargumenteer ik dat Hannah Arendts concept van vergeving een fundamentele revisie mogelijk maakt van de belangrijkste discussies die in de hedendaagse literatuur over vergeving worden gevoerd. Ik toon aan dat er in die discussies allerlei problemen en paradoxen opduiken die het gevolg zijn van bepaalde morele assumpties over vergeving. Hannah Arendts opvatting van het handelen en haar concept van vrijheid maken het mogelijk deze assumpties onderuit te halen. Bovendien wordt het mogelijk om vanuit de alternatieven die zij biedt vergeving als praktijk grondig te herdenken en een oplossing te bieden voor de problemen die in de hedendaagse benaderingen onvermijdelijk lijken. 

In het eerste deel analyseer ik hoe vergeving in de hedendaagse literatuur wordt onderscheiden van vergeten, excuseren en vergoelijken. Dit brengt enkele cruciale kenmerken van vergeving naar voor en staat toe de belangrijkste assumpties over vergeving te bespreken en bevragen. Vervolgens laat ik zien hoe Arendts theorie van het handelen een perspectiefwissel inhoudt die een heel nieuw licht werpt op wat er in de praktijk van vergeving op het spel staat. Haar benadering impliceert een ‘ommekeer naar de act’ die enerzijds een ander beeld schetst van het kwaad waarmee vergeving omgaat en anderzijds laat zien hoe men zich in de act van vergeving precies losmaakt van morele motivaties en attitudes. 

In het tweede deel zet ik enkele van Arendts kernconcepten in om uit te klaren welke bevrijding in vergeving op het spel staat. Haar concept van vrijheid maakt komaf met concepties die uitgaan van zelfbeheersing en een morele transformatie van sentimenten. Ik toon ook aan dat haar concept van vergeving zich niet richt op iemands zuivere innerlijke morele kern maar veronderstelt dat wie iemand echt is pas tot uitdrukking komt in zijn handelen. Vergeving biedt geen loutere verlossing voor de zonden, maar herstelt de mogelijkheid opnieuw te handelen en op een andere manier te verschijnen. Arendts vergevingsconcept gaat uit van hoe mensen in hun uniekheid verschijnen en niet van een moreel subject met identieke morele kwaliteiten. Dit maakt het mogelijk vergeving als een intrinsiek politieke praktijk te begrijpen, waarin men verantwoordelijkheid opneemt voor zichzelf, de ander en de wereld waarin men met die ander samenleeft. Deze politieke praktijk is echter niet almachtig en het onvergeeflijke vormt geen ultieme morele uitdaging maar een grens. Berouw verschijnt bijgevolg als het vermogen om ‘op de stappen terug te keren’ in plaats van afstand te nemen van wat men heeft gedaan.

The International Crisis in Taxation: A Critical Analysis from a Natural Law Perspective - Jo Badisco (03/07/2019)

Jo Badisco

  • 3 juli 2019
  • Promotoren: Willem Lemmens en Bruno Peeters

Abstract

This doctoral dissertation investigates from a philosophical point of view the contemporary crisis in international tax law. In the past decades it has become clear how multinational corporations and persons of considerable wealth are organizing and planning their taxes to pay as little as possible by using mechanisms such as for example double non-taxation (i.e. the exploitation of double tax treaties to avoid paying taxes in either country). These findings have caused the legitimacy of the international tax framework to be questioned by specialists as well as by the larger public. The wide-spread tax avoidance has not been without answer and there have been efforts from the OECD (action plan against base Erosion and Profit Shifting (BEPS)) as well as the EU (The Anti-Tax Avoidance Directives (ATAD)) to combat the issue. 

This dissertation is sub-divided in two distinct parts. The first part is of a fundamental philosophical nature and it defends a specific position in (legal) philosophy: natural law theory. The second part applies this framework of natural law to the contemporary landscape of international tax law by formulating a set of principles that should be adhered to in the international realm of tax law as well as an evaluation of contemporary efforts to combat tax avoidance.

The first part gives an argument for the position of natural law. Natural law (contra legal positivism) is more than a theory of law, it is a theory of ethics and political philosophy that encompasses a theory of law. In this first part I develop such a theory of natural law and I explicate how it overcomes certain shortcomings of other theories. 

The second part zones in on the issue of international tax law and has as its goals: (a) the formulation of a set of principles that should underlie the international tax law framework, (b) the evaluation of the measures already taken by the OECD (and the EU) and (c) the formulation of a set of limits of what can be dictated by ethics or philosophy.

Experiment, Time and Theory: On the Scientific Exploration of the Unobservable - Jan Potters (24/05/2019)

Jan Potters

  • 24 mei 2019
  • Promotor: Bert Leuridan

Abstract

Deze verhandeling betreft een onderzoek naar het epistemologische statuut van experimentele resultaten: hoe kunnen we de informatie die experimenten ons opleveren karakteriseren? Meer specifiek wordt er onderzocht of we kunnen stellen dat een experiment op zich tot feitelijke kennis kan leiden. De motivatie voor deze onderzoeksvraag komt voort uit het wetenschappelijk realisme-debat, dat de vraag betreft of we kunnen stellen dat een succesvolle wetenschappelijke theorie ons kennis oplevert over wat er zich afspeelt voorbij het observeerbare. Vanwege problemen met standaard wetenschappelijk realisme stelden Nancy Cartwright en Ian Hacking voor dat kennis over het onobserveerbare niet moet worden gezocht in wetenschappelijke theorie, maar eerder in succesvolle wetenschappelijke experimenten. Deze suggestie blijkt echter op haar beurt onderhevig aan problemen, wat leidt tot de onderzoeksvraag van deze verhandeling.

Deze onderzoeksvraag wordt dan onderzocht aan de hand van een historisch-filosofische studie van twee reeksen van experimenten: experimenten betreffende de snelheidsafhankelijkheid van de massa van elektronen en experimenten betreffende de magnetische toestand van supergeleiders. Het vertrekpunt in beide reeksen is een experiment waarvan gedurende een bepaalde periode gedacht werd dat het specifieke kennis opleverde, maar waarvan het naderhand bleek dat deze kennis toch niet zo zeker was. Het bestuderen van zulke experimenten kan inzicht bieden in de onderzoeksvraag in die zin dat het toelaat om te onderzoeken welke factoren een rol speelden in de overtuiging dat deze experimenten specifieke kennis opleverden, en hoe deze overtuiging doorheen de tijd veranderde.

Op basis van deze twee hoofdstukken wordt er dan beargumenteerd dat experimenten enkel informatie kunnen opleveren gegeven een theoretische interpretatie van het functioneren van het experiment, en dat deze informatie niet gezien mag worden als feitelijke kennis, maar eerder als kennis over de plausibiliteit van de theorie ten opzichte van andere theoretische interpretaties. Op basis hiervan wordt er dan een filosofisch kader uitgewerkt, een epistemologie van de exploratie, betreffende hoe deze plausibiliteit historisch-filosofisch begrepen moet worden. Meer specifiek wordt er beargumenteerd dat deze informatie over de plausibiliteit van een theoretische interpretatie kan veranderen doorheen de tijd, als een gevolg van de ontwikkeling van nieuwe experimenten en nieuwe theorieën, en dat dit er toe kan leiden dat eerdere experimentele resultaten anders geïnterpreteerd worden. Op basis van de hier ontwikkelde epistemologie van de exploratie wordt er dan beargumenteerd dat wat telt als een wetenschappelijk succes historisch variabel is, en bepaald wordt door wat gezien wordt als eerdere succesvolle theorieën en experimenten.

Adam Smith and Corporate Social Responsibility as a Master Virtue - Regimon Cherian (19/12/2018)

Regimon Cherian

  • 19 december 2018
  • Promotoren: Prof. Luc Van Liedekerke en Prof. Hendrik Opdebeeck

Abstract

In this dissertation the thesis is developed that Adam Smith (1723-1790), the founder of commercial society would endorse virtue ethics-based Corporate Social Responsibility (CSR) despite his support for self-interest, free market and limited government. The first chapter is an enquiry into the political economy of Smith that promotes the free market for its overall benefits. The second chapter looks into the evolution of market economy sans moral character that brought Smith unjustly under fire and necessitated invoking CSR. The third chapter explores the Smithian virtue ethics proviso as explained in his moral philosophy. The fourth chapter evaluates the reactions against the Smithian Thought including the “Adam Smith Problem.”
Finally, the fifth chapter arrives at the conclusion that Smith the virtue ethicist who advocated a more benevolent and responsible society, would definitely stand for CSR as a master virtue. Adam Smith called for a competent regulatory environment that encourages virtue, and a virtuous culture which is both voluntary and mandatory, and which relies on both benevolence and self-interest. The efficiency of the system is in discovering the right mix of regulations and freedoms, or self-interest and benevolence. Virtue alone prevents the “corruption of self-love” that could flow from commercialization of society as this malaise is part of a deeper transformation of character. Sympathy should guide the commercial society. Social responsibility being a master virtue in accordance with the unity of virtues and stemming from the ethic of responsibility, Smithian virtue ethics is a solid foundation for CSR. Smith would not simply leave individuals’ and organizations’ “tendency to avarice’’ to the impersonal market forces. Instead, he would ask the commercial society to encourage its members’ benevolence to protect those who suffer the brunt of their insensitivity, through education and institutions. Nature has provided humans with the passions and filters to consciously choose to be a wise and virtuous ‘sociologus’ who seeks higher virtues for their own sake. It is not impossible to remedy the ills of commercial society and make use of its greater benefits, as virtues are teachable and vices redeemable. Though depending on others’ self-interest is the surer bet to satisfy one’s needs rather than waiting for others’ benevolence, Smith in TMS directs the greedy and selfish to be benevolent and praiseworthy for human flourishing.

The greatest challenge today is to initiate a cultural change predicated upon a revolution in education aimed at convincing a new generation to put virtue above success and others before themselves. The first step toward it is to admit the human capability for altruism which could become a social culture by reinforcement. Until it evolves into a full bloom virtuous society that lives the spirit of the law even in the absence of law, it should develop a CSR culture which relies on benevolence as well as self-interest, which is voluntary and enforced by a government that encourages virtue.

Ecological Psychologies as Philosophies of Perception. On Explaining how we Perceive what we can Do - Jan Van Eemeren (26/06/2018)

Jan Van Eemeren

  • 26 juni 2018
  • Promotor: Prof. dr Erik Myin

Abstract

In Ecological Psychologies as Philosophies of Perception two perspectives on the concept of perception are discussed. The naturalistic perspective, which aims to conceive perception in such a way that it is amenable to naturalistic, scientific explanation is analysed. It is contrasted with the epistemological perspective that constrains the concept of perception such that it might support empiricism, the idea that all knowledge ultimately originates in perception.

These two perspectives play defining roles in Ecological Psychology, the approach to the psychology of perception founded by American psychologist James J. Gibson. Three Ecological Psychologies are distinguished. First, there are the works of Gibson himself. Second, there is the branch of Ecological Psychology led by Michael Turvey and Robert Shaw, which is referred to as “Neogibsonian”. And third, there is a modest but growing branch of research that takes its inspiration from Gibson, but rejects aspects of Neogibsonian orthodoxy. These rejections are fuelled by diverging assumptions about naturalism and epistemology, and the roles they play for the concept of perception.

The philosophy of Willard V. Quine is used as an analytic tool to assess the concepts of knowledge that shape the epistemological perspectives in the three ecological approaches, as well as to assess their naturalistic credentials. It is argued that the epistemological perspective in the Neogibsonian branch is coloured by a concept of knowledge that comprises the idea of “certainty”. The decisiveness with which this view is advanced by the Neogibsonians entails a demotion of the naturalistic perspective. The third, heterodox branch of ecological research—we focus on the work of Alan Costall, Rob Withagen and Anthony Chemero—attributes more weight to the naturalistic perspective, including considerations from evolutionary biology, and it minimises the role of traditional epistemological concerns. This dissertation aims to contribute to the philosophical support for this “evolutionary-ecological” approach.

 

Ecologische Psychologie als Filosofie van Waarnemen bespreekt twee perspectieven op het begrip “waarnemen”. Het natuurwetenschappelijke perspectief dat tracht waarnemen te definiëren zodat het op een naturalistische, wetenschappelijke wijze kan worden bestudeerd en verklaard, wordt geanalyseerd. Daarnaast neemt het het kentheoretische perspectief onder de loep. Dat perspectief bakent het begrip van waarnemen af zodat het de stelling van het empirisme − dat alle kennis zijn oorsprong vindt in waarnemen − kan ondersteunen.

Deze twee perspectieven spelen een bepalende rol in de Ecologische Psychologie, een benadering binnen de waarnemingspsychologie, in het leven geroepen door de Amerikaanse psycholoog James J. Gibson. Drie vormen van Ecologische psychologie onderscheiden zich. Ten eerste, de werken van Gibson zelf. Ten tweede, de tak binnen de Ecologische Psychologie, aangevoerd door Michael Turvey en Robert Shaw, die als “Neogibsoniaans” wordt aangeduid. En ten derde is er een bescheiden maar groeiende tak van onderzoek naar waarnemen, die haar inspiratie ontleend aan Gibson maar bepaalde aspecten van de orthodoxe Neogibsonianen verwerpt. Deze afwijzingen vinden hun grond in onenigheid over de aanspraken die het naturalistische en het kentheoretische perspectief kunnen en mogen maken op het begrip van waarnemen.

De filosofie van Willard V. Quine wordt ingezet als een analytisch instrument om te verduidelijken hoe “kennis” wordt begrepen in de kentheoretische perspectieven van de drie ecologische benaderingen, en tevens om hun naturalistische geloofsbrieven te evalueren. Het resultaat van deze analyses is dat het begrip van kennis dat het Neogibsoniaanse denken kleurt, wordt bepaald door de notie van “zekerheid”. Uit de vasthoudendheid waarmee het deze gedachte verdedigt, volgt dat de Neogibsoniaanse benadering op gespannen voet staat met het naturalistische perspectief op waarnemen. De derde, heterodoxe strekking binnen het ecologische veld − belichaamd door onder meer Alan Costall, Rob Withagen en Anthony Chemero − hecht meer belang naturalistische overwegingen, met name aan argumenten uit de evolutionaire biologie. Mede daarom beperken zij de rol van het klassieke kentheoretische perspectief in hun begripsvorming van waarnemen. Dit proefschrift heeft als doel deze evolutionair-ecologische benadering wijsgerig te schragen.

Mind, Mechanism and Meaning: Reclaiming Social Normativity within Cognitive Science and Philosophy of Mind - Farid Zahnoun (25/06/2018)

Farid Zahnoun

  • 25 juni 2018
  • Promotor: Prof. dr Erik Myin

Abstract

The dissertation, titled Mind, Mechanism and Meaning, critically investigates two central assumptions of mainstream cognitive science and philosophy of mind: the commitment to the notion of internal representation on the one hand, and to the idea of the multiple realizability of the mental on the other. With regard to the notion of internal representation, the dissertation argues that this notion is ultimately untenable in that, to the effect that internal representations are understood as content-carrying vehicles with causal explanatory power, the notion is grounded in a confusion between the descriptive and the prescriptive/normative. The thesis is defended that all content-carrying entities, including representations, are socio-normatively constituted and should therefore be excluded from non-normative causal explanations of cognition. The results of the research support a non-representational approach to mind and cognition, as exemplified in various forms of E-Cognition, particularly in radical enactive/embodied approaches. Understanding human cognition requires taking into account the whole subject, that is, the subject as ‘embrained’, embodied, and embedded within an enacted normative intersubjective niche.

With regard to the idea of the multiple realizability of the mental, the dissertation argues that the idea can only be made intelligible against a particular metaphysical background, one that does not sit well with the intersubjective normative notions the idea of multiple realization conceptually relies on (types). Furthermore, it is argued that, even if we were to accept such a metaphysics, multiple realization is still not capable of providing the argument against identity theory which  has come to be so widely accepted. The thesis is defended that there really is no argument against an identity theory, and that, in addition, assuming a strict identity between the mental and the physical is still a viable, perhaps even the only viable approach to the Hard Problem of Consciousness.

The idea of art in the philosophy of Giorgio Agamben - Virginia Tassinari (05/02/2018)

Virginia Tassinari

  • 5 februari 2018
  • Promotoren: Prof. Vivian Liska en Prof. Peter Reynaert

Abstract

The aim of this thesis is to study the role of art in the philosophy of Giorgio Agamben. An extensive study of the secondary literature on this contemporary Italian philosopher shows that this thesis is possibly the first study to specifically address the role of art in his body of work. After the publication of Homo Sacer, scholars around the world – from Eva Geulen (Geulen, Kaufmann and Mein 2008) to Andrew Norris (Norris 2005) – paid a great deal of attention to Agamben as a political philosopher, but relatively little attention has been paid to his early writings, in which he speaks of art (The Man Without Content, Stanzas and Infancy and History). 

In writing this thesis I have been inspired by the scholar Leyland de la Durantaye, who claims that Agamben’s most recent books should be read as a continuation of his early ones (de la Durantaye 2009, P.10). Specifically, he recognises the idea of ‘potentiality’ as a key topic of Agamben’s philosophy that can be traced back to Agamben’s first book, The Man Without Content: i.e. ‘the possibility for a thing not (cursive in the original) to pass into existence and thereby remain at the level of mere – or “pure” – potentiality’ (ibid., P.5). For Agamben, this is the originary, unmystified idea of ontology, one he juxtaposes with the traditional one, which to him is the ontology of a human subject acting in linear history. According to de la Durantaye, Agamben’s views on art offer a ‘most promising means of envisioning potentiality’ (ibid., P.47). While agreeing with this position, I add that this is also the case for Agamben’s idea of ‘messianic state’, the unmystified idea of history that he juxtaposes with the traditional idea of history, i.e. history considered as a line running from the past towards the future.

In his first book, Agamben argues that both these understandings of history and ontology are today manifested by artworks. There he says that – although art’s original vocation is to communicate the ideas of history and ontology - artworks were until now not able to fulfil this vocation, as what they communicated were not the originary, unmystified ideas of history and ontology, but rather the mystified ones (i.e. linear history and ontology of the subject) (Agamben 1999a, pp.110-111); this, however, is no longer the case. According to him, art’s vocation is now finally fulfilled: today artworks are finally able to communicate the unmystified ideas of history and ontology (Ibid., pp.114-115).

In my opinion, the idea of art that Agamben introduces here does not find a match in the theories of other scholars. He tries to justify it on the basis of his personal reading of some examples arbitrarily chosen from the history of art to prove himself right. In this thesis, I argue that this approach affects the truthful, universal character which he attributes to this concept. The latter is therefore “instrumental” for him to underpinning his philosophy. I strongly disagree with this “instrumental” positioning of the idea of art, as in my opinion it deserves to be researched more in depth rather than being used in such ways.

Another potential obstacle is that Agamben does not explain in his first book what provides artworks today with this possibility. In order to understand his line of reasoning, one needs to make use of concepts that are not explicitly formulated in his first book but are nevertheless indispensable in order to fully understand how artworks can in his opinion succeed today in manifesting the originary ideas of history and ontology. The reader therefore needs to work as an archeologist and find in his first book traces of topics that he will only develop later, and yet cannot be overlooked if the idea of art formulated there and its implications are to be fully understood. Not only do I agree with de la Durantaye that to understand Agamben’s philosophy as a whole one needs also to look at his idea of art and to consider the latter in sequence with the other topics he introduces in his following books (de la Durantaye 2009, P.10), but also the other way around: to fully understand his idea of art, in my opinion, one needs to look at his philosophy as a whole. 

Another difference with de la Durantaye’s approach is that I recognise that the analysis of Agamben’s topic of art brings to light a dogmatic character in his philosophy. In my opinion Agamben does not succeed to prove that artworks today can manifest the ideas of messianism and potentiality: he simply believes it. As these assumptions play a key role in his philosophy, I argue that this gives a dogmatic character to his philosophy. A philosophy based on belief is, in my opinion, not acceptable. I assert that the study of Agamben’s idea of art therefore provides the possibility to critique his philosophy.

Furthermore, not only do I find the manner in which to assess these ideas of ontology and history problematic, but I also have difficulty with their meanings. While de la Durantaye does see some hope in Agamben’s philosophy (de la Durantaye 2009, P.17), I contend that Agamben’s ideas of history and ontology leave no hope. The messianic state - being for him the unmystified idea of history - and therefore also the idea of being in the messianic state envisioned by Agamben are not meant for humans. To him, salvation is only for that which precedes humans: the pre-human. My critique of this idea of salvation is to question what its relevance might be.

Thus, my thesis shows how a closer assessment of Agamben’s views on art also exposes key problematic points in his philosophy in general.

The idea of art in the philosophy of Giorgio Agamben - Virginia Tassinari (05/01/2018)

Virginia Tassinari

  • 5 januari 2018
  • Promotoren: Prof. Vivian Liska en Prof. Peter Reynaert

Abstract

The aim of this thesis is to study the role of art in the philosophy of Giorgio Agamben. An extensive study of the secondary literature on this contemporary Italian philosopher shows that this thesis is possibly the first study to specifically address the role of art in his body of work. After the publication of Homo Sacer, scholars around the world – from Eva Geulen (Geulen, Kaufmann and Mein 2008) to Andrew Norris (Norris 2005) – paid a great deal of attention to Agamben as a political philosopher, but relatively little attention has been paid to his early writings, in which he speaks of art (The Man Without Content, Stanzas and Infancy and History). 

In writing this thesis I have been inspired by the scholar Leyland de la Durantaye, who claims that Agamben’s most recent books should be read as a continuation of his early ones (de la Durantaye 2009, P.10). Specifically, he recognises the idea of ‘potentiality’ as a key topic of Agamben’s philosophy that can be traced back to Agamben’s first book, The Man Without Content: i.e. ‘the possibility for a thing not (cursive in the original) to pass into existence and thereby remain at the level of mere – or “pure” – potentiality’ (ibid., P.5). For Agamben, this is the originary, unmystified idea of ontology, one he juxtaposes with the traditional one, which to him is the ontology of a human subject acting in linear history. According to de la Durantaye, Agamben’s views on art offer a ‘most promising means of envisioning potentiality’ (ibid., P.47). While agreeing with this position, I add that this is also the case for Agamben’s idea of ‘messianic state’, the unmystified idea of history that he juxtaposes with the traditional idea of history, i.e. history considered as a line running from the past towards the future.

In his first book, Agamben argues that both these understandings of history and ontology are today manifested by artworks. There he says that – although art’s original vocation is to communicate the ideas of history and ontology - artworks were until now not able to fulfil this vocation, as what they communicated were not the originary, unmystified ideas of history and ontology, but rather the mystified ones (i.e. linear history and ontology of the subject) (Agamben 1999a, pp.110-111); this, however, is no longer the case. According to him, art’s vocation is now finally fulfilled: today artworks are finally able to communicate the unmystified ideas of history and ontology (Ibid., pp.114-115).

In my opinion, the idea of art that Agamben introduces here does not find a match in the theories of other scholars. He tries to justify it on the basis of his personal reading of some examples arbitrarily chosen from the history of art to prove himself right. In this thesis, I argue that this approach affects the truthful, universal character which he attributes to this concept. The latter is therefore “instrumental” for him to underpinning his philosophy. I strongly disagree with this “instrumental” positioning of the idea of art, as in my opinion it deserves to be researched more in depth rather than being used in such ways.

Another potential obstacle is that Agamben does not explain in his first book what provides artworks today with this possibility. In order to understand his line of reasoning, one needs to make use of concepts that are not explicitly formulated in his first book but are nevertheless indispensable in order to fully understand how artworks can in his opinion succeed today in manifesting the originary ideas of history and ontology. The reader therefore needs to work as an archeologist and find in his first book traces of topics that he will only develop later, and yet cannot be overlooked if the idea of art formulated there and its implications are to be fully understood. Not only do I agree with de la Durantaye that to understand Agamben’s philosophy as a whole one needs also to look at his idea of art and to consider the latter in sequence with the other topics he introduces in his following books (de la Durantaye 2009, P.10), but also the other way around: to fully understand his idea of art, in my opinion, one needs to look at his philosophy as a whole. 

Another difference with de la Durantaye’s approach is that I recognise that the analysis of Agamben’s topic of art brings to light a dogmatic character in his philosophy. In my opinion Agamben does not succeed to prove that artworks today can manifest the ideas of messianism and potentiality: he simply believes it. As these assumptions play a key role in his philosophy, I argue that this gives a dogmatic character to his philosophy. A philosophy based on belief is, in my opinion, not acceptable. I assert that the study of Agamben’s idea of art therefore provides the possibility to critique his philosophy.

Furthermore, not only do I find the manner in which to assess these ideas of ontology and history problematic, but I also have difficulty with their meanings. While de la Durantaye does see some hope in Agamben’s philosophy (de la Durantaye 2009, P.17), I contend that Agamben’s ideas of history and ontology leave no hope. The messianic state - being for him the unmystified idea of history - and therefore also the idea of being in the messianic state envisioned by Agamben are not meant for humans. To him, salvation is only for that which precedes humans: the pre-human. My critique of this idea of salvation is to question what its relevance might be.

Thus, my thesis shows how a closer assessment of Agamben’s views on art also exposes key problematic points in his philosophy in general.

De plaats van religie in het politieke denken van Alexis de Tocqueville. Tussen persoonlijke overtuiging en publiek beleid - Luk Sanders (03/07/2017)

Luk Sanders

  • 3 juli 2017
  • Promotoren: Prof. dr Walter Van Herck (Universiteit Antwerpen) & Prof. dr Carl Ceulemans (Koninklijke Militaire School)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen - Koninklijke Militaire School (KMS)

Abstract

Nadat de Franse Revolutie radicaal had afgerekend met de ontsporingen van koning, adel en clerus was het land ontregeld. Het was Tocquevilles grote betrachting om zijn gedesoriënteerde, postrevolutionaire land om te buigen tot een harmonieuze samenleving.

Het antiklerikalisme en het ongeloof van vele Fransen in zijn tijd beschouwde hij enigszins als een foute remedie ten gevolge van een foute diagnose. Vóór de revolutie had de Franse kerk zich ontwikkeld tot een politieke instelling eerder dan een zuiver religieuze. Tocqueville meende daarom dat Frankrijk geen nood had aan minder kerk, maar meer kerk, zij het in de ware betekenis van het woord, dus als zuiver religieuze instelling.

Hij verdedigde hartstochtelijk de weinig vanzelfsprekende stelling dat een democratie nood heeft aan religie. Hij meende immers dat als in een samenleving veel burgers oprecht in God geloven en als bovendien kerk en staat van elkaar zijn gescheiden, het geloof van die burgers een gunstige invloed heeft op de moraal van die samenleving. In een democratie zou die invloed extra van belang zijn, omdat burgers op die manier minder geneigd zijn om hun democratische vrijheden – waar ze wel degelijk recht op hebben – te gebruiken op manieren die de democratie onstabiel maken.

Dit is meteen een heel algemeen antwoord op de vraag naar de plaats van religie in het politieke denken van Alexis de Tocqueville. Het doel van dit proefschrift is om dit verder te preciseren aan de hand van vier onderzoeksvragen.

Tocquevilles vurige pleidooi voor het belang van religie in een democratie (i.c. in het toenmalige Frankrijk) is weinig vanzelfsprekend op het Europese continent en met behulp van een biografische studie zal vooreerst een antwoord worden gezocht op de vraag op welke modellen hij zich daarvoor had gebaseerd.

Het feit dat Tocqueville zijn geloof op zestienjarige leeftijd grotendeels is verloren, maakt het extra vreemd dat hij zo gebeten was door de gedachte dat niet alleen zijn land, maar ook elke democratie veel nood heeft aan religie. Vandaar dat de tweede onderzoeksvraag luidt of Tocqueville een overdreven belang hechtte aan religie in zijn denken over de democratie.

Zowel Claude Lefort als Marcel Gauchet meenden dat Tocqueville, met zijn pleidooi voor religie, er blijk van gaf dat hij onvoldoende oog had voor de rol van verdeling van de macht in een democratische samenleving. In een derde tijd zal nagegaan worden of dit argument terecht was.

Tot slot zal nog een heel ander thema worden aangesneden. Uit heel Tocquevilles oeuvre blijkt (veelal impliciet) dat hij met zijn pleidooi voor een prominente rol van religie in een democratie vooral de christelijke religie voor ogen had. Niettemin heeft Tocqueville ook gedacht en geschreven over niet-christelijke religies, alleen zijn zijn standpunten daaromtrent veel minder bekend en werd er weinig over gepubliceerd. In het laatste deel zal daarom onderzocht worden welke plaats Tocqueville zag weggelegd voor enkele niet-christelijke religies.

Sternen-Freundschaft. Raakt het wijsgerige denken van Friedrich Nietzsche het christendom? - Wim Verbeeck (23/05/2017)

Wim Verbeeck

  • 23 mei 2017
  • Promotor: Prof. dr Luc Braeckmans

Abstract

Dat Friedrich Nietzsche doorgaat als het icoon van het atheïsme, is genoegzaam bekend. Toch stelt deze thesis een zogenaamde Sternen-Freundschaft[1] met een doordachte visie op het christendom voor. De term, “Sternen-Freundschaft” is eveneens de titel van aforisme 279 van de FW (KSA 3,523). Nietzsche roept het beeld op van een haven waarin verschillende bootjes zijn aangemeerd. Een toevallige voorbijganger krijgt onmiddellijk de indruk dat deze bootjes bij mekaar horen. Het is nooit anders geweest. Toch is het best mogelijk dat de boten nog maar pas naast mekaar zijn gelegd of dat ze de dag daarna uitvaren om mekaar nooit meer tegen te komen. Dat is wat er volgens Nietzsche is gebeurd in de relatie die hij had met een niet bij naam genoemde vriend. Jarenlang waren ze goede vrienden maar nu is de tijd van het afscheid aangebroken. De breuk is onherroepelijk en definitief. Ze zullen mekaar nooit meer tegenkomen, zo klinkt het.

In de literatuur wordt dit aforisme in verband gebracht met de relatie van Nietzsche met Wagner. Nietzsche zag in de componist een vervangende vaderfiguur. Wagner hoopte dat de jonge filologie-professor de intellectuele basis voor zijn muzikaal project kon leveren. De relatie tussen Wagner en Nietzsche bloedt dood en beiden zullen mekaar in oktober 1876 te Sorrento een laatste keer ontmoeten. Er is echter een probleem voor wat deze interpretatie betreft. Ten eerste wordt Wagner noch in aforisme 279, noch in de omringende aforismen vernoemd. Daarenboven kadert de tekst in een betoog over religie. Het is mijn stelling dat aforisme 279 van de FW handelt over de sterrenvriendschap tussen Nietzsche en de religie. Nietzsche kende een religieuze opvoeding. Zijn vader was een predikant en zijn moeder erg gelovig. Teksten van de jeugdige Nietzsche getuigen eveneens van een sterke devotie ten opzichte van God. Stap voor stap vervreemdt Nietzsche van God. Hij wordt atheïst en zal dit blijven tot zijn laatste adem.

Desondanks ontwikkelt er zich in zijn denken een tegenverhaal. Dit tegenverhaal overstijgt de persoon van Friedrich Nietzsche. Het is mijn stelling dat genoemd aforisme inzake de sterrenvriendschap dit voorziet. De tekst stelt dat de breuk tussen beide vrienden wel eens een onderdeel zou kunnen zijn van een traject dat buiten de levensduur van beiden toch een hereniging kent. Om die hereniging te thematiseren maak ik gebruik van een mechanisme dat ik ontleen van Jonathan Sacks. Rabbi Sacks duidt de mimetische begeerte aan als het mechanisme van de broedertwist die aan de basis van het religieuze conflict ligt. Het verhaal van de broers Esau en Jacob thematiseert niet alleen deze broedertwist maar biedt ook een tegenverhaal aan dat de broedertwist kan overstijgen. Eenvoudigweg komt het erop neer dat beide broers, Esau en Jacob deelachtig zijn aan een specifiek perspectief waarin hun leven ontluikt. Dit geldt ook voor wat de sterrenvriendschap tussen de gelovige en de filosofie van Nietzsche betreft. Atheïsme en godsgeloof vormen beiden perspectieven waarin mensen bestaan. Als een gelovige een aspect in het leven met het woord God benoemt, dan is dit volgens het denken van Nietzsche enkel gerechtvaardigd indien datgene wat met het woord God benoemd wordt, zich in het moment telkens weer opnieuw als esthetisch fenomeen toont en dit in een relatie van het zichzelf ontwikkelende subject met datgene wat met God wordt omschreven.

[1] Aforisme 279 van de FW (KSA 3,523), in vertaling: “Sterrenvriendschap” (Nietzsche, 2011:165).

Nooit nergens. Een filosofische zoektocht naar de plaats van de mens - Jasper Van de Vijver (05/05/2017)

Jasper Van de Vijver

  • 5 mei 2017
  • Promotor: Prof. dr Geert Van Eekert

Abstract

Filosofie bestaat van oudsher in het spreken over wat op het eerste gezicht vanzelf spreekt. Dat we als mens, net zoals alle andere zijnden die in de wereld voorkomen, altijd ergens en dus nooit nergens zijn, is zo’n vanzelfsprekendheid. Maar wat betekent het precies voor ons – als wezens die de wereld ervaren, interpreteren en vormgeven – om ergens te zijn? Dit proefschrift ontwikkelt als antwoord op die vraag een filosofische topologie in de letterlijke zin van dat woord: een wijsgerig onderzoek naar de plaats van de mens. Deze zoektocht verloopt in drie etappes.

  1. Hier. De eerste etappe vertrekt vanuit het voor de hand liggende antwoord op de vraag naar de plaats van de mens. We zijn altijd en overal hier. Voor zover we als belichaamd subject een plek hebben in de wereld, ervaren we die plek altijd als hier waar we zijn, in tegenstelling tot daar waar we niet zijn. Of we nu over de wereld spreken en naar wereldse zaken verwijzen aan de hand van deiktische termen, of de wereld waarnemen, steeds doen we dat vanuit een ‘absoluut hier’ dat min of meer lijkt samen te vallen met ons eigen lichaam. Ons perspectief op de dingen als taalgebruiker en waarnemer – en dus als subject – plaatst ons overal in het middelpunt, en alles waarover we spreken of wat we waarnemen omringt ons.
  2. Ergens. Bovenstaand antwoord is echter niet het eindpunt van de filosofische topologie – hoewel het dat traditioneel wel vaak was - maar slechts het begin ervan. Het absolute hier is immers zelf geen plek, het is de manier waarop we ter plekke te zijn. Onze plek is telkens een concreet hier, een ergens. En hoewel elke plek per definitie een plek is, en dus wezenlijk particulier, doe ik in mijn proefschrift een poging om een aantal fundamentele elementen te bespreken die elke plek of plaats (en elk ter-plaatse-zijn) kenmerken. Dit doe ik in verschillende hoofdstukken, om uiteindelijk aan te belanden bij een definitie van plaats als een tegelijk open en begrensde ruimtelijke omgeving, waarin we ons aan de hand van referentiepunten buiten onszelf kunnen oriënteren, en waarin het samenzijn van de elementen die er deel van uitmaken méér behelst dan een zuiver ruimtelijke juxtapositie. Ter-plaatse-zijn betekent bijgevolg dat we ‘in’ een plaats zijn, ons in die plaats oriënteren, en impliciet of expliciet weet hebben van of minstens geïnteresseerd zijn in de betekenisvolle samenhang van de elementen die haar constitueren.
  3. Nergens. In het derde en laatste deel van mijn proefschrift neem ik de bovenstaande definitie mee om twee vormen van ‘nergens-zijn’ te bespreken. Ik meng me ten eerste in de discussie over moderne plaatsloosheid, waarin gesteld wordt dat veel moderne plekken (denk aan luchthavens, snelwegen of woontorens) zo sterk inboeten aan een eigen identiteit, dat ze verworden tot ‘niet-plaatsen’ die geen werkelijk ter-plaatse-zijn meer toelaten. Ik sta kritisch tegenover deze claim, vooral omdat ze een veel te maximaal plaatsconcept veronderstelt. Ten tweede bied ik in het laatste hoofdstuk een interpretatie van wat het precies inhoudt om heimwee te hebben, een ervaring die ons het gevoel kan geven ‘tussen’ twee plekken te zweven en nergens ‘echt’ te zijn. Mijn interpretatie reduceert heimwee niet tot een vorm van nostalgie, maar benadrukt integendeel haar ruimtelijke en lijfelijke dimensie.

Mijn werk neemt de fenomenologie als methodologische leidraad en gaat als zodanig in discussie met de belangrijkste vertegenwoordigers van die filosofische traditie, en in het bijzonder met Husserl en Heidegger. Tegelijk laat ik me inspireren door academische literatuur uit de wijsgerige antropologie, architectuurfilosofie en geografie, en tevens door literaire werken en beeldende kunsten zoals fotografie en film.

The Patterns of Mind - Bas Donders (10/01/2017)

Bas Donders

  • 10 januari 2017
  • Promotor: Prof. dr Erik Myin

Abstract

Mijn dissertatie gaat over twee onderwerpen: de metafysica van cognitie, en de beste manier om deze metafysica te bedrijven. In de metafysica worden argumenten en stellingen vaak getest tegen intuïties die metafysici hebben. Ik beargumenteer dat, als metafysica geïnteresseerd is in de waarheid, dit niet de juiste manier is om die te vinden. Wat betreft de metafysica van cognitie beargumenteer ik dat cognitieve processen het beste kunnen worden begrepen als patronen. Patronen hebben bepaalde eigenschappen: patronen kunnen alleen in iets anders bestaan, niet op zichzelf; patronen hangen af van een patroon-herkenner; en patronen hangen af van de eigenschappen van deze patroon-herkenner, zowel zijn fysieke als mentale.

Daar ik cognitieve processen zie als patronen, en daar ik patronen zie als afhankelijk van observatie voor hun ‘bestaan’, verdedig ik een anti-realistische positie wat betreft het bestaan van cognitie, cognitieve processen, mental states, en de mind. Cognitie is slechts een uitspraak die wordt gedaan door een patroon-herkenner over een patroon; cognitie is niet iets dat echt in de wereld ligt om daar ontdekt te worden.