Letteren en Wijsbegeerte

Departement Taalkunde

Doctoraatsverdedigingen

Meta-framework for understanding multilingual transformation in South African higher education - Tobie van Dyk (1/06/2026)

Tobie van Dyk

  • Doctoraatsverdediging: 1 juni 2026
  • Promotor: Kris Van De Poel

Abstract

Ondanks de omvangrijke wetenschappelijke bijdragen op het gebied van taalplanning en taalbeheer, is er nog steeds een beperkte theoretische vooruitgang in de benadering van systemische institutionele transformatie in meertalige en sociaal ongelijke contexten.

Hoewel eerder onderzoek waardevolle inzichten heeft geboden in de ideologische, economische en ecologische dimensies van taalbeleid, blijft veel van dit werk grotendeels beschrijvend en biedt het onvoldoende houvast voor het navigeren van de complexiteit van hedendaagse hogeronderwijsomgevingen. Deze omgevingen worden gekenmerkt door linguïstische diversiteit, structurele ongelijkheid en politieke spanningsvelden.

Deze studie speelt in op deze lacune door een meta-framework voor te stellen dat taalplanning herconceptualiseert als een transformatief proces, eerder dan als een puur regulerend instrument.

Door de constructen van institutionele voorbereidheid en maturiteit centraal te stellen, maakt het framework een kritische beoordeling mogelijk, niet alleen van het bestaan van beleid en strategische plannen, maar ook van de mate waarin universiteiten in staat zijn om deze op een zinvolle, ethische en duurzame wijze te implementeren.

Verankerd in de toegepaste taalkunde en sociolinguïstiek situeert het framework taalplanning binnen bredere vraagstukken rond macht, epistemische rechtvaardigheid en ervaring. Het herdefinieert taal als epistemische infrastructuur, meertaligheid als transformatieve praktijk en beleid als een mechanisme ter bevordering van sociale rechtvaardigheid, in plaats van als symbolische naleving.

Gestructureerd rond drie onderling afhankelijke niveaus – macro, meso en micro – biedt het framework een geïntegreerde architectuur voor het begrijpen van hoe nationale beleidsomgevingen, institutionele systemen en dagelijkse academische praktijken samenkomen in het vormgeven van meertalige transformatie in het hoger onderwijs.

Het macroniveau bepaalt de normatieve en regulerende oriëntatie voor meertalig engagement. Het mesoniveau bemiddelt deze oriëntatie via institutioneel bestuur, strategische coördinatie en afstemming van middelen. Het microniveau omvat de concrete realisatie van meertaligheid in onderwijs, leren, communicatie en wetenschappelijke interactie. Deze niveaus functioneren als een dynamisch en recursief systeem, waardoor meertaligheid kan worden begrepen als een evoluerende, contextueel verankerde praktijk in plaats van als een door naleving gedreven vereiste.

Centraal in het framework staat een as van innovatie en ethiek, waarbinnen de drie niveaus voortdurend op elkaar inwerken. Innovatie bevordert institutionele responsiviteit, aanpassingsvermogen en creatieve betrokkenheid bij opkomende uitdagingen, terwijl ethiek deze processen verankert in principes van gelijkwaardigheid, inclusie en menselijke waardigheid. Deze interactie waarborgt dat transformatie zowel toekomstgericht als sociaal verantwoord blijft, wat institutioneel leren bevordert, onderbouwde besluitvorming ondersteunt en handelingsbekwaamheid op alle niveaus van de universitaire praktijk cultiveert.

De toepassing van het meta-framework toont aan hoe ethische innovatie constitutionele idealen kan vertalen naar zinvolle onderwijspraktijken. De uitbreiding ervan naar het domein van generatieve artificiële intelligentie benadrukt bovendien de bredere relevantie als richtinggevend kader voor het navigeren van de pedagogische en morele complexiteit van een steeds verder digitaliserend academisch landschap. De studie biedt zo een schaalbaar en overdraagbaar model voor duurzame transformatie in het hoger onderwijs. Hiermee wordt de universiteit bevestigd als een ruimte van ethische verbeelding, waarin diversiteit een collectieve hulpbron vormt en innovatie wordt ingezet ten dienste van een inclusieve, rechtvaardige en sociaal responsieve onderwijstoekomst.

Het draait om de details: De fonetiek van fonologische categorieën in vroege spraakproductie - Jérémy Genette (25/08/2025)

Jérémy Genette

  • Doctoraatsverdediging: 25 augustus 2025
  • Promotoren: Steven Gillis en Jo Verhoeven

Abstract

Dit proefschrift beschrijft hoe kinderen subtiele fonetische informatie verwerven als gevolg van een samenspel van linguïstische ontwikkeling en van biomechanische processen.

De productie van klinkers in de spraak van volwassenen is complex. Sprekers coördineren de beweging van verschillende articulatoren zoals tong of strottenhoofd. Zo geven ze informatie aan luisteraars die hen in staat stelt om bijvoorbeeld de [ɑ] in hand en de [ɔ] in hond te onderscheiden. Dit roept de vraag op of baby’s ook in staat zijn om gebruik te maken van die complexiteit, want ook zij moeten klanken zoals /ɑ/ en /ɔ/ kunnen maken.

Het nauwkeurig positioneren in de mond van de articulatoren is een primaire bron van informatie over welke klinker wordt geproduceerd. Maar onderzoek heeft ook aangetoond dat klinkers subtiele, secundaire informatie bevatten die helpt bij het onderscheiden van verschillende klinkers. Die informatie bestaat uit toonhoogtevariaties, ook wel Intrinsic Vowel Pitch (afgekort IF0) genoemd. De IF0 in de spraak van baby’s is grotendeels onontgonnen terrein.

In deze dissertatie werd de IF0 in de spraak van 30 baby’s tussen 6 en 24 maanden oud ontleed. Het materiaal bestond uit maandelijkse opnames van hun spontane spraak. De ontwikkeling van de IF0 werd onderzocht aan de hand van akoestische analyses van meer dan 30.000 klinkers. De resultaten tonen dat de IF0 aanwezig is in de vroegste spraakproducties en dus een automatisme is dat bepaald wordt door de anatomische structuur van het spraakkanaal en de articulatoren. Deze biomechanische verklaring van IF0 wordt verder ondersteund door de bevinding dat IF0 ook voorkomt in de spraak van kinderen met een gehoorstoornis en dat er geen duidelijk effect is van de gehoorstatus op het ontstaan van IF0.

Verrassend genoeg blijkt de IF0 duidelijker te worden naarmate de woordenschat aangroeit. Dat is mogelijk een strategie om de perceptuele onderscheidbaarheid van klinkers te vergroten, wat de verstaanbaarheid ten goede komt.

Dont make me guess: Automatically detecting and naming topics in large collections of text - Andriy Kosar (26/06/2025)

Andriy Kosar

  • Doctoraatsverdediging: 26 juni 2025
  • Promotoren: Walter Daelemans en Guy De Pauw

Abstract

Met het snel toenemende volume aan informatie is het essentieel geworden om gegevens te categoriseren voor analyse en beheer. Een van de technieken die dit mogelijk maakt is het gebruik van "onderwerpen": semantische snelkoppelingen die ons in staat stellen teksten te labelen, ze te groeperen op label, relevante teksten te vinden, of simpelweg informatie over hun inhoud weer te geven. Huidige methoden voor onderwerpdetectie falen echter vaak in het bieden van zowel betrouwbare inhoudscategorisering als mensvriendelijke labels.

Recente vooruitgang in onderwerpdetectie, waaronder verbeteringen aan methoden die gebruik maken van Latent Dirichlet Allocation (LDA) met neurale embeddings, semantische clustering met top toegekende zoekwoorden, en transformer-gebaseerde zero-shot classifiers toont veelbelovend maar heeft ook noemenswaardige beperkingen. Een belangrijke tekortkoming van deze methoden is de beperkte wereldkennis, wat niet alleen een begrip van entiteiten en feiten in de echte wereld vereist, maar ook een begrip van de categorieën die mensen gewoonlijk gebruiken om informatie te structureren. De onderwerpslabels die deze methoden produceren zijn niet altijd interpreteerbaar. Bovendien zijn ze vaak moeilijk te integreren in dynamische omgevingen vanwege hun zware berekeningen en rigide kaders.

Om deze uitdagingen te overkomen, introduceert dit onderzoek een nieuwe tweeledige benadering die voorgedefinieerde categorisering integreert met het dynamisch genereren van onderwerpen. De eerste benadering maakt gebruik van bestaande taxonomieën of interne taxonomieën, waarbij een gedeelde embedding-ruimte wordt gebruikt om zowel teksten als bekende onderwerpen te transformeren naar een enkele semantische ruimte. Dit maakt unsupervised onderwerp classificatie mogelijk door middel van semantische gelijkenis, waardoor de noodzaak voor continuous learning wegvalt naarmate taxonomieën evolueren. Het maakt ook multi-label toewijzingen mogelijk door label-specifieke drempelwaarden, waardoor teksten op efficiënte wijze tot meerdere relevante categorieën kunnen behoren.

Naast voorgedefinieerde categorisering gebruikt de tweede benadering Large Language Models (LLMs) om context-specifieke onderwerpslabels te genereren voor individuele teksten. Dit onderzoek toont aan dat LLMs onderwerpslabels kunnen genereren die vergelijkbaar zijn met labels gemaakt door mensen. Deze methode kan op simpele wijze onderwerpen identificeren en benoemen die mogelijk niet passen in bestaande taxonomieën. Op basis van de erkenning van de subjectieve en contextuele aard van hoe mensen onderwerpen waarnemen en benoemen, introduceert dit onderzoek een nieuwe methode voor het evalueren van onderwerpen op basis van informatiereconstructie, waarin we de mate beoordelen waarin de toegewezen labels het mogelijk maken om de oorspronkelijke tekst nauwkeurig te reconstrueren.

Exploring the limits of language non-selectivity: Multilinguals' processing of native language versus non-native language cognates and interlingual homographs in isolation and in sentences - Lisan Broekhuis (6/06/2025)

Lisan Broekhuis

  • Doctoraatsverdediging: 6 juni 2025
  • Promotor: Dominiek Sandra​

Abstract

Veel Vlamingen zijn meertalig: ze spreken naast het Nederlands vaak ook Engels en Frans. Op het eerste gezicht lijkt het alsof ze hun Nederlandse, Engelse en Franse woordenschat perfect van elkaar gescheiden houden, want tijdens een gesprek schakelen ze vrijwel nooit per ongeluk tussen talen. Dit doet vermoeden dat meertaligen een specifieke taal kunnen “aanzetten” en de andere talen “uitschakelen”. Maar klopt dat wel?

Onderzoek suggereert dat meertaligen hun talen toch niet volledig gescheiden houden. In experimenten waarbij ze voor een letterreeks zo snel mogelijk moeten bepalen of het een echt Engels woord is (door te drukken op een “ja”-knop) of niet (door te drukken op een “nee”-knop) blijken ze nóg sneller te reageren op woorden die in zowel het Engels als Nederlands voorkomen met dezelfde betekenis, zoals “water”. Deze zogenaamde cognaten activeren blijkbaar niet alleen de Engelse, maar ook de (beter gekende) Nederlandse betekenis van de cognaat, zelfs wanneer het experiment volledig in het Engels verloopt. Dit wijst erop dat meertaligen de woorden van verschillende talen in één gedeeld “mentaal woordenboek” opslaan.

Mijn onderzoek ging onder andere na of het echt geheel onmogelijk is om bijvoorbeeld het Nederlands tijdelijk “uit te schakelen”, zelfs in een puur Engelse zinscontext. Moedertaalsprekers van het Nederlands luisterden naar een bijna complete Engelse zin, waarna het laatste woord van de zin, bv. “woman”, plots op het scherm verscheen. Voor dit laatste woord moesten ze beslissen of het een echt Engels woord was. Wat bleek: ook aan het einde van een Engelse zin werden cognaten als “water” sneller herkend dan puur Engelse woorden die alleen in het Engels bestaan. De Nederlandse kennis blijft dus actief, zelfs in een volledig Engelse context.

Wel bleek de voorspelbaarheid van de zin een belangrijke factor. Als de Engelse zin sterk voorspelbaar was en het laatste woord bijna vanzelfsprekend (“He is drinking a glass of…”), werden cognaten en niet-cognaten even snel herkend. Reacties op cognaten (“water”) en puur Engelse woorden (“woman”) waren door deze voorspelbare zinscontext misschien al zó sterk versneld dat de betekenisoverlap van “water” tussen het Engels en de zeer vertrouwde moedertaal de reacties van de meertaligen niet nóg verder kon versnellen.

Bij de minder voorspelbare zinnen (“I am looking at the…”) duurde het wat langer voordat de meertaligen de Engelse woorden (zowel cognaten als puur Engelse woorden) herkenden. Hierdoor hadden ze genoeg tijd om bij het lezen van “water” zowel het Engels als het Nederlands te activeren en konden ze door de betekenisoverlap met het Nederlands deze cognaat sneller identificeren als een Engels woord (dan “woman”). Kortom, zelfs in een volledig Engelstalige context kunnen meertaligen hun moedertaal niet volledig “uitzetten”.

De paradox van de perfectieve tegenwoordige tijd: Een typologische studie van de uitdrukking van de tegenwoordige tijd - Tom Koss (26/05/2025)

Tom Koss

  • Doctoraatsverdediging: 26 mei 2025
  • Promotoren: Astrid De Wit en Johan Van der Auwera​

Abstract

De Engelse simple present kan veel dingen doen, maar wordt – paradoxaal genoeg – zelden gebruikt om te verwijzen naar het heden. Om precies te zijn, verwijzing naar het moment van het spreken is alleen mogelijk met een specifieke groep werkwoorden, namelijk de werkwoorden die verwijzen naar situaties waarin niets beweegt of verandert (de zogenaamde “statische werkwoorden”): I have my laptop with me right now is een grammaticale Engelse zin omdat het hebben van een laptop een toestand is in plaats van een dynamisch proces. Met werkwoorden die naar dynamische situaties verwijzen, kan de simple present echter geen verwijzing naar de tegenwoordige tijd uitdrukken: I run to the bus station right now klinkt nogal vreemd. In de plaats daarvan verwijzen dynamische werkwoorden in de simple present naar gewoontes, zoals in I run to the bus station every morning. Iets dergelijks gebeurt in Slavische talen zoals het Pools en het Russisch, waar de tegenwoordige tijd dikwijls een toekomstige tijdsinterpretatie genereert (in plaats van een wederkerende situatie zoals in het Engels). Dit fenomeen, waarbij de tegenwoordige tijd systematisch wordt gebruikt voor iets anders dan het heden, wordt de “paradox van de perfectieve tegenwoordige tijd” (voortaan: “PPTT”) genoemd. Het was tot nu toe echter onduidelijk of dit patroon ook buiten de goed bestudeerde talen van Europa voorkomt, en zo ja, in welke mate. Dit proefschrift is de eerste grootschalige cross-linguïstische studie van de PPTT, waarbij een steekproef van 180 niet-verwante talen van over de hele wereld wordt onderzocht.

De resultaten geven aan dat de PPTT een cross-linguïstisch relevant fenomeen is: het komt voor in ongeveer een derde van de onderzochte talen en lijkt niet gebonden te zijn aan een specifieke regio of taaltype. Maar terwijl de tegenwoordige tijd van de bovengenoemde Europese talen kan verwijzen naar gewoontes of naar situaties in de toekomst, blijkt dat wereldwijd de tegenwoordige tijd met bijkomende niet-tegenwoordige betekenissen gebruikt wordt voor situaties in de verleden tijd. Deze systematische co-expressie van verleden en heden illustreert hoe grammatica menselijke cognitie kan weerspiegelen: terwijl situaties in het verleden en heden beide beschikbaar zijn voor menselijke ervaring, kan de toekomst niet worden ervaren maar alleen worden ingebeeld.

Voortbouwend op deze en andere cross-linguïstische bevindingen over de PPTT, ontwikkelt dit proefschrift een nieuw theoretisch kader voor de analyse van werkwoordbetekenissen. Het illustreert hoe het kijken naar talen door de lens van de PPTT ons meer kan vertellen over grammatica en werkwoorden in het algemeen.

Tolerantie onderwijzen door literatuur: Een studie in Engelstalige klassen in Indonesische islamitische hogeronderwijsinstellingen - Miftahul Huda (1/04/2025)

Miftahul Huda

Abstract

Dit onderzoek onderzocht hoe religieuze tolerantie wordt geïntegreerd in EFL-klaspraktijken door middel van literatuur. Het analyseerde de relatie tussen de overtuigingen van docenten en hun didactische en interactieactiviteiten, en hoe deze praktijken aansluiten bij of afwijken van het bestaande beleid. Door de docent te positioneren als de sleutelfiguur die beleid omzet in praktijk, onderzoekt het onderzoek de wisselwerking op verschillende niveaus: het macro-niveau (staatsniveau), het meso-niveau (institutioneel niveau) en het micro-niveau (individueel docentniveau). Met behulp van het geïntegreerde paradigma van Kritische Pedagogiek en Linguïstische Etnografie werd deze ingebedde single-case study uitgevoerd in 2022 tijdens de cursus Inferential Reading aan een Indonesische islamitische hogeronderwijsinstelling.

De resultaten onthullen enkele belangrijke bevindingen. Ten eerste spelen docenten in zekere mate een actieve rol bij het introduceren van religieuze tolerantie, hoewel deze rol tot uiting komt in geïndividualiseerde praktijken en uiteenlopende graden van ‘activiteit,’ beïnvloed door hun begrip van het beleid en hun persoonlijke overtuigingen. De vertaling van deze overtuigingen naar de praktijk verloopt echter niet altijd consistent. Er komen vaak tegenstrijdigheden naar voren tussen wat docenten geloven en wat ze daadwerkelijk doen. Op institutioneel niveau biedt het ontbreken van beleid onvoldoende ondersteuning voor de operationalisering van op waarden gebaseerde EFL-lessen. Op individueel niveau wordt de handelingsvrijheid van docenten voortdurend gevormd door factoren zoals overtuigingen, biografieën, ervaringen en pedagogische voorkeuren.

Ten tweede hanteren docenten verschillende didactische benaderingen om religieuze tolerantie te introduceren. De effectiviteit van een specifieke aanpak hangt af van de mate waarin studenten de leerstof kunnen verbinden met (religieuze) tolerantie en een klasomgeving ontstaat die deze waarde daadwerkelijk weerspiegelt. De gebruikte materialen zijn echter vaak niet bewust geselecteerd op hun potentieel om deze waarde te bevorderen, maar worden voornamelijk bepaald door praktische overwegingen zoals de taalvaardigheid van de studenten.

Ten derde is het gebruik van literatuur om religieuze tolerantie bij te brengen contextafhankelijk. Hoewel de syllabus de aanleiding vormt voor het integreren van literatuur, wordt het succes in het bevorderen van tolerantie beïnvloed door de beschikbaarheid van relevante literaire teksten, de taalvaardigheid van studenten en de literaire competentie van de docenten. Ook hun didactische en interactieve strategieën om religieuze tolerantie bespreekbaar te maken, bepalen hoe klassendynamiek kan bijdragen aan het bespreken van dit onderwerp.

Tot slot wordt de integratie van religieuze tolerantie in EFL-literatuurklassen beïnvloed door een complexe wisselwerking van verschillende factoren, waaronder institutioneel beleid, individuele kenmerken van de docent en contextuele elementen zoals de taalvaardigheid en de interesse van studenten in literatuur.

The Many Faces of a Text: Applications and Enhancements of Multi-Label Text Classification Algorithms - Jens Van Nooten (7/03/2025)

Jens Van Nooten

  • Doctoraatsverdediging: 7 maart 2025
  • Promotoren: Walter Daelemans

Abstract

Multi-Label Tekstclassificatie (MLTC) is een uitdagende, maar essentiële component bij het analyseren van grote tekstcollecties. Het doel van MLTC is om één of meerdere passende labels —bv. topics, emoties of medische codes­— aan een tekst toe te kennen. Dit brengt verschillende uitdagingen met zich mee, zoals ongebalanceerde labelsets, domeinspecifieke terminologie, complexiteit in de labelset, en de toenemende complexiteit van modellen. Daarom onderzoekt dit proefschrift state-of-the-art technieken om deze problemen aan te pakken enerzijds en evalueert het bestaande methoden anderzijds.

Deel I van het proefschrift behandelt de classificatie van argumenten voor vaccinatietwijfel met MLTC-modellen. Eerst beschrijven we  de ontwikkeling van een monitor om trends in vaccinatietwijfel in kaart te brengen (Vaccinpraat) en de taak om argumenten over vaccinatietwijfel te detecteren in X-posts en facebookreacties. Bovendien introduceren we CoNTACT, een Nederlandstalig Groot Taalmodel (GTM) dat is aangepast aan het taalgebruik in X-posts gerelateerd aan COVID-19. In vergelijking met andere basismodellen, verbetert CoNTACT de detectie van vaccinatietwijfel als de multi-label classificatie van argumenten voor vaccinatietwijfel. Tot slot breiden we de Vaccinpraat dataset uit met door GTM-gegenereerde X-posts die zijn geannoteerd met multi-label argumenten voor vaccinatietwijfel. We constateren dat de toevoeging van deze data, ondanks de prototypische aard,  de prestaties van verschillende modellen op de classificatie van argumenten verbetert.

Deel II van het proefschrift verbreedt de onderzoeksfocus door de schaarste aan tekstdata, complexiteit van de labelruimte en computationele efficiëntie te onderzoeken voor meerdere domeinen. We vergelijken de prestaties van generatieve GTM’s met kleinere getrainde GTM’s voor topicclassificatie van nieuwsartikels gerelateerd aan Corporate Social Responsibility (CSR). Om de prestaties van getrainde GTM’s verder te verbeteren, trainen we deze modellen met gespecialiseerde kostfuncties en verrijken we de trainingsdata met GTM-gegenereerde parafrases van de trainingsdata. We observeren dat kleinere getrainde GTM’s betere prestaties leveren dan generatieve GTM’s. Om de complexiteit van de labelruimte aan te kaarten, modelleren we labelhiërarchieën door GTM’s te trainen met hiërarchiebewuste kostfuncties. We verkennen twee geometrische ruimtes om de gelijkenis tussen labels te meten voor deze kostfuncties, namelijk de Euclidische en de hyperbolische ruimtes. We constateren dat beide ruimtes gelijke resultaten opleveren voor beide types kostfuncties. Tot slot onderzoeken we een computationeel efficiënte classificatiemethode die gebruik maakt van de semantische gelijkenis tussen teksten en labels. We optimaliseren label-specifieke drempelwaardes, wat consequent beter presteert dan bestaande drempelmethodes op meerdere datasets.

Samengevat biedt dit proefschrift inzicht in de complexiteit van multi-label tekstclassificatie door meerdere uitdagingen binnen MLTC aan te kaarten, bestaande methodes voor deze uitdagingen te evalueren en nieuwe potentiële oplossingen voor te stellen.

Turn-taking management in video-mediated interpreting and face-to-face interpreting: A comparative study using eye tracking - Mathijs Verhaegen (21/02/2025)

Mathijs Verhaegen

  • Doctoraatsverdediging: 21 februari 2025
  • Promotoren: Nina Reviers en Esther de Boe

Abstract

Bij face-to-face gesprekstolken (F2FI) is de organisatie van de beurtwisseling van vitaal belang voor een vlotte interactie tussen alle deelnemers. Een groot deel van dit proces verloopt multimodaal (Vranjes & Bot, 2021). Bij videotolken (VMI) kan dit multimodale aspect echter verschillen op vlak van de middelen die deelnemers gebruiken alsook de locatie van elke deelnemer (bijv. Licoppe & Veyrier, 2020). In het bijzonder kan het effect van belichaamde middelen (zoals kijkrichting) afnemen als manier om de beurtwisseling te organiseren (Davitti, 2019). In dit verband hebben verschillende studies reeds video remote interpreting (VRI) onderzocht, waarbij alleen de tolk op afstand deelneemt. Andere configuraties blijven daarentegen onderbelicht, zoals three-point video interpreting (3VI), waarbij elke deelnemer zich op een andere locatie bevindt. Bovendien bestaat er weinig onderzoek dat verschillende VMI-configuraties vergelijkt (Verhaegen, 2024).

Om deze redenen werd de multimodale organisatie van beurtwisseling onderzocht tussen deelnemers in 3VI. Daarnaast werden de bevindingen met betrekking tot de multimodale organisatie van beurtwisseling in 3VI ook vergeleken met vergelijkbare interacties in VRI en F2FI. Deze vragen werden onderzocht aan de hand van een qualitative dominant mixed-methods onderzoek. De dataset omvatte negen gesimuleerde getolkte gesprekken tussen een Nederlandstalige CLB-medewerker en een Russische moedertaalspreker die de rol van een moeder speelde. Drie gesprekstolken Nederlands-Russisch namen deel aan deze simulaties. Elke simulatie vond plaats in een andere configuratie (F2FI, VRI en 3VI). Er werden zowel kwalitatieve als kwantitatieve gegevens verzameld en getrianguleerd in de vorm van video-opnamen, eye-trackingdata en semigestructureerde interviews met de deelnemers.

De belangrijkste bevindingen tonen dat het gebruik van kijkrichting een positieve invloed kan hebben op de organisatie van beurtwisseling in alle drie de configuraties, maar dat kijkrichting geen vereiste is voor een vlotte en succesvolle beurtwissel. Bovendien laten de bevindingen de inherent multimodale aard zien van de organisatie van beurtwisseling in de drie configuraties. Het merendeel van de verschillen in multimodaal gedrag werd gevonden tussen enerzijds F2FI en anderzijds VMI in het algemeen, maar er werden ook kleine verschillen gevonden tussen VRI en 3VI. Tot slot wordt de invloed gedemonstreerd van het bewustzijn van deelnemers over de mogelijkheden van videotolken en de ervaring van de institutionele deelnemer met getolkte gesprekken en videotolken.

Via zijn bevindingen biedt dit proefschrift empirische observaties van een voorheen onderbelichte configuratie van videotolken (3VI), dient het als een oproep voor meer interdisciplinaire training in tolkopleidingen, en draagt het uitgebreid bij aan het beperkte corpus van onderzoek dat eyetracking en (video-gemedieerd) gesprekstolken combineert.

Echte woorden werden niet opgenomen: Oraliteit, schriftelijkheid en entekstualisering in historische strafdossiers (1700-1900) - Magda Serwadczak (17/01/2025)

Magda Serwadczak

Abstract

Zowel in het verleden als het heden wordt gesproken taal omgezet in geschreven vorm om institutionele documentatie te produceren. Zo leggen politie- en rechtbankfunctionarissen bij strafrechtelijke procedures mondelinge verklaringen van getuigen en verdachten schriftelijk vast en vervolgens worden die verslagen gebruikt als onderdeel van bureaucratische routines. Wel suggereert de bestaande wetenschappelijke literatuur dat de transcriptie van gesproken taal naar schrift een ingrijpend effect heeft op de vorm en inhoud van de oorspronkelijke mondelinge communicatie. Dat zorgt ervoor dat de nauwkeurigheid van deze documenten als weergave van gesproken taal in twijfel wordt getrokken.

Deze dissertatie bestudeert 18de- en 19de-eeuwse strafdossiers uit Brugge met een specifieke aandacht voor de dynamiek tussen gesproken en geschreven taal. Deze bronnen bieden waardevolle inzichten in het taalgebruik van een brede laag van de Vlaamse samenleving in de Vroegmoderne en Laatmoderne periode. De studie combineert historische sociolinguïstiek en historische pragmatiek via een integratieve aanpak waarbij kwantitatieve corpusanalyses met diepgaandere, discoursanalytische benaderingen worden aangevuld. Vier empirische casestudy’s belichten de uitdagingen van het omzetten van gesproken taal in schrift binnen de institutionele context van strafrechtelijke procedures.

De eerste casestudy onderzoekt de linguïstische kenmerken van oraliteit en schriftelijkheid om te bepalen in welke mate de documenten in het corpus (conceptueel) gesproken of geschreven zijn en om na te gaan of kenmerken die geassocieerd worden met gesproken taal volledig worden uitgefilterd door het transcriptieproces. In de tweede casestudy worden de processen van entekstualisering onder de loep genomen door verschillende getuigenverklaringen te vergelijken die door dezelfde spreker in verschillende fases van de strafrechtelijke procedure zijn afgelegd. De resultaten van de analyse bieden meer inzicht in de veranderingen die getuigenverklaringen ondergaan als ze door het juridische proces heen reizen. De derde casestudy richt zich op de verschillende strategieën van speech reporting. Daarbij ligt de nadruk op de rol van de scribent bij het schriftelijk vastleggen van mondelinge verklaringen. Ten slotte onderzoekt de vierde casestudy de discursieve constructie van misdrijf als juridische en sociale categorie. Ik zoom in op verschillende manieren waarop men criminele zaken een (schriftelijke) vorm geeft en hoe dit proces beïnvloedt wordt door dominante juridische en socioculturele paradigmata.

De conclusie stelt dat de strafdossiers vooral de bureaucratische praktijken van hun tijd weerspiegelen, eerder dan de oorspronkelijke spraakgebeurtenissen. Toch blijven ze waardevol voor historisch en sociaal georiënteerd linguïstisch onderzoek: ze bieden nieuwe inzichten in institutionele communicatie uit het verleden, en in de transformatieve processen die de praktijk van documentatievorming hebben beïnvloed.

Verhalen binnengaan. Over het ontcijferen van digitaal fictie-schrijven door middel van toetsaanslagregistratiesoftware - Floor Buschenhenke (17/01/2025)

Floor Buschenhenke

  • Doctoraatsverdediging: 17 januari 2025
  • Promotoren: Karina van Dalen-Oskam (Universiteit van Amsterdam), Dirk Van Hulle en Luuk Van Waes (Universiteit Antwerpen)

Abstract

Deze dissertatie duikt in de complexe dynamiek van digitale schrijfprocessen om te onderzoeken hoe elf Nederlandse en Vlaamse fictieschrijvers hun teksten creëren. Renée van Marissing, Jens Meijen, Arnoud Rigter, Ellen Van Pelt, Niels 't Hooft, Jente Posthuma, David Troch, Roos van Rijswijk, Vincent Merckx, Aafke Romeijn en Dirk Speelman schreven korte verhalen, en Gie Bogaert stelde de compositie van zijn roman Roosevelt beschikbaar voor onderzoek. Met behulp van een theoretische basis die voortkomt uit critique génétique en schrijfprocesonderzoek, werden de volgende kernvragen behandeld: Hoe zetten we cognitieve en literaire theorieën in om tekstuele veranderingen te duiden? Hoe structureren schrijvers hun activiteiten in de loop van de tijd? Wat zijn de overeenkomsten en verschillen in de werkwijzes van deze schrijvers?

Na een introductie van toetsaanslagregistratie als middel om digitaal schrijven vast te leggen, werden vier archetypische schrijfstrategieën gebruikt om de aanpak van deze schrijvers te karakteriseren. De traditionele indeling in fasen (precompositioneel, compositorisch en redactioneel) wordt nog steeds door veel schrijvers gebruikt. Daarnaast is revisie cruciaal tijdens het gehele schrijfproces. Planning en revisie zijn geen uitersten van hetzelfde spectrum, maar twee dimensies waarmee processen kunnen worden gekarakteriseerd. Ten tweede werd een nieuw ontwikkelde maat voor non-lineariteit toegepast op de toetsaanslaggegevens. Er werden verschillende non-lineariteitsprofielen gevonden, van een meer traditionele gefaseerde aanpak tot een variatie op kleinere schaal. De fasen van werken aan een eerste concept (drafting) en het bewerken van die eerste opzet (post-draft) waren duidelijk te herkennen aan de non-lineariteitsprofielen, waardoor een nieuwe link werd gelegd tussen tekstontwikkeling en procesregistratiedynamiek. Deze datagestuurde aanpak werd gevolgd door een diepgaande blik op de rol die revisie speelt bij het schrijven. Revisies werden gecategoriseerd aan de hand van een narratologische taxonomie. Hoewel er in de loop van de tijd een verschuiving werd waargenomen van betekenisveranderende naar meer stilistische revisies, kwamen alle soorten revisies nog steeds voor in de post-draftfase. Ten tweede werden er correlaties gevonden tussen de dynamiek van het schrijfproces en de semantische categorisering van de revisies. De grote aandacht voor stijl die veel schrijvers door hun revisies lieten zien, houdt verband met de speciale rol van taal, en meer ongrijpbaar 'stem' of 'toon' in fictie vergeleken met non-narratieve non-fictie. Dit proefschrift heeft nieuwe verbanden gelegd tussen de fijnmazige informatie van het loggen van toetsaanslagen en de cognitieve en narratologische aspecten van schrijfstrategieën bij ervaren fictieschrijvers die gedurende meerdere schrijfsessies aan hun verhalen werkten.