Departement Letterkunde
Doctoraatsverdedigingen
Emoties in de Middelnederlandse ridderroman: een scripttheoretisch perspectief - Laurent Breeus-Loos (19/06/2026)
Laurent Breeus-Loos
- Doctoraatsverdediging: 19 juni 2026
- Promotoren: Remco Sleiderink (UAntwerpen) en Frank Brandsma (Universiteit Utrecht)
Abstract
Hoe spelen middeleeuwse ridderromans in op de emoties van het publiek? Welke invloed hebben genderpatronen op de vormgeving van de emoties van personages? En welke hoofse gedragscodes sturen het emotioneel handelen in de literaire verbeelding? Dit proefschrift biedt de eerste structurele studie naar emoties in het genre van de Middelnederlandse ridderroman (ca. 1250-1350). Centraal daarin staat het theoretisch concept van het ‘emotief script’, een onderzoeksmethode die werd ontwikkeld door Sif Rikhardsdottir, maar in deze studie verder werd uitgewerkt via de integratie van concepten uit de cognitieve psychologie en narratologie (hoofdstuk 2). Deze theorie suggereert dat literaire teksten onderliggende ‘scripts’ bevatten die structureren hoe emotionaliteit wordt gerepresenteerd en ingezet in vertelstrategieën, en die tegelijkertijd inzicht bieden in ideologische opvattingen over emoties.
Om zulke ‘emotieve scripts’ in de ridderroman te bestuderen, richt deze studie zich op drie onderzoekslijnen: (1) narratieve strategieën, (2) personagegebonden patronen en (3) intra-tekstuele ideologische opvattingen. In elk van de analysehoofdstukken (hoofdstuk 3-5) staat telkens één lijn centraal, benaderd vanuit een specifieke invalshoek. Vanuit de invalshoek van de ‘middeleeuwse nieuwscyclus’ wordt in hoofdstuk 3 onderzocht hoe ooggetuigen- en bodepersonages worden ingezet in twee narratieve strategieën – respectievelijk benoemd als het ‘spiegelscript’ en het ‘bodescript’ – die aansturen op een breed scala aan affectieve publieksresponsen, zoals identificatie, sympathie en responsen die voortkomen uit de assimilatie van een vertrouwd scenario (o.a. nieuwsgierigheid).
Hoofdstuk 4 richt zich vervolgens op personagegebonden emotionele patronen, met bijzondere aandacht voor de genderdynamiek in het zogenaamde script van de ‘jonkvrouw in nood’. De analyses illustreren hoe dit gendergecodeerd script niet alleen fungeert als een vertelstrategie, maar ook opvattingen onthult over gender en emotie, waarbij handelingsbekwaamheid in de regel aan mannelijkheid wordt gekoppeld en emotionele labiliteit aan vrouwelijkheid. Hoofdstuk 5 behandelt emotionaliteit vanuit ethisch perspectief en onderzoekt hoe de hoofs-ideologische gedragscode rond ‘gematigdheid’ doorwerkt in de ridderroman. De hoofse mate wordt niet primair geconcipieerd als een gedragscode gericht op het onderdrukken van emoties, als wel op de regulering ervan tot handelingen die in overeenstemming zijn met de hoofse ethiek.
In haar geheel illustreert de studie, die afsluit met een synthese (hoofdstuk 6) over de grenzen van de afzonderlijke analyses heen, hoe intra-tekstuele emotionaliteit een cruciale bouwsteen vormt in affectieve vertelstrategieën en hoe zij is ingebed in middeleeuwse denkbeelden over gender, gedrag en ethiek. Daarbij worden zowel transhistorische als cultuurspecifieke emotionele tendensen blootgelegd.
De geschiedenis van het eindresultaat: Literaire traditie, experiment en creatieve inventie in het werk van Willem Frederik Hermans - Peter Kegel (12/06/2026)
Peter Kegel
- Doctoraatsverdediging: 12 juni 2026
- Promotor: Dirk Van Hulle
Abstract
De geschiedenis van het eindresultaat. Literaire traditie, experiment en creatieve inventie in het werk van Willem Frederik Hermans maakt de inzichten uit de methodologieën van genetic criticism en textual scholarship productief voor de interpretatie van het werk van Willem Frederik Hermans (1921-1995). De studie presenteert vanuit een beschrijving en analyse van het ontstaansproces van Hermans’ teksten nieuwe leesstrategieën en nieuwe interpretaties van dat werk. Het onderzoek richt zich op Hermans’ vroege oeuvre en bestrijkt de periode van circa 1938 tot en met 1958.
‘Schrijven is een onophoudelijk op voorafgegane gedachten terugkomen’, het eerste deel van De geschiedenis van het eindresultaat, beschrijft een eerste fase van Hermans’ schrijverschap. De jonge Hermans was niet alleen een experimenterende schrijver, maar ook een gretig lezer. Vroege agenda’s, notitieboekjes, correspondenties met vrienden en talrijke essays en beschouwingen in naoorlogse kranten en tijdschriften laten zien hoe Hermans zich verdiepte in het werk van internationale, vooral negentiende- en twintigste-eeuwse schrijvers. Daarnaast had Hermans een grote belangstelling voor muziek en vooral film. Hermans’ schrijven blijkt een proces van voortdurend aanscherpen, om de aanvankelijk intuïtief geschreven literaire tekst uiteindelijk zo geraffineerd mogelijk te laten zijn.
In ‘Het wordt heel anders dan mijn andere werk’, het tweede deel van dit proefschrift, laat ik zien hoe Hermans zich met zijn ambitieuze roman Ik heb altijd gelijk nadrukkelijk verhoudt tot de door hem hooggewaardeerde romans Voyage au bout de la nuit en Mort à crédit van Louis-Ferdinand Céline. Op basis van Hermans’ essays, notitieboekjes en vooral een kladtyposcript van Ik heb altijd gelijk stel ik een leesstrategie voor die radicaal afwijkt van de gangbare receptiegeschiedenis van de roman. In een alleen op het oog traditionele vertelvorm schrijft Hermans zich met Ik heb altijd gelijk in de literaire anti-traditie van het groteske in, waarin alle aandacht komt te liggen op het inherente tekort van het menselijk bestaan.
Het laatste deel van het proefschrift, ‘Een fantastisch amalgama van diverse elementen’, presenteert De donkere kamer van Damokles als een roman die geworteld is in een melodramatische verteltraditie. Hermans werkte een vroeg verhaal om tot een voor een groot deel intuïtief geschreven roman. Daarin werkte niet alleen de traditie van het literaire melodrama door, maar vooral ook de deels uit het melodrama voortkomende traditie van de Franse en Amerikaanse film noir. De op het filmische melodrama geïnspireerde leesstrategie maakt Hermans’ beroemde roman – decennialang geïnterpreteerd als een roman waarin alles draaide om de personages Osewoudt en Dorbeck – op geheel nieuwe wijze toegankelijk. De donkere kamer laat zich lezen als een nihilistische roman waarin de verteller centraal staat, een roman bovendien waarin Hermans speelt met de conventies, thema’s en motieven van het literaire melodrama én met de cinematografische uitgangspunten en vormgevingsprincipes van de Franse en Amerikaanse film noir. En al net zo speels gaat Hermans om met de clichés van de verzetsroman en met allerlei historische referenties, die onder andere terugvoeren op zijn intensieve lezing van literatuur over de Tweede Wereldoorlog.
De geschiedenis van het eindresultaat maakt de esthetische werking van Hermans’ werk zichtbaar. De studie laat zien hoe Hermans’ literatuur ‘werkt’: hoe inhoud en vorm van zijn literaire teksten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, hoe zijn werk is geschreven vanuit een sterk bewustzijn van de literaire traditie, en hoe dat werk leesbaar is als een ‘onophoudelijk’ grotesk en melodramatisch oeuvre.
Droomdeeltjes van de moderniteit: De toverlantaarn en de representatie van plaats, 1880-1939 - Eleonora Paklons (2/04/2026)
Eleonora Paklons
- Doctoraatsverdediging: 2 april 2026
- Promotoren: Kurt Vanhoutte en Thomas Smits
Abstract
De toverlantaarn travelogue was een cruciaal maar onderbelicht medium voor ruimtelijke verbeelding in West-Europa rond het fin de siècle. Meer dan een voorloper van cinema of een bron van entertainment, produceerde de lantaarn actief moderne ervaringen van plaats. Door het verweven van projectie, vertelling en performance transformeerde de travelogue toeschouwerschap in een immersieve ontmoeting die ruimte en tijd deed samensmelten. Vanuit lokale zalen betrad het publiek virtuele werelden. Zo hielp de travelogue de kaders te vormen waarbinnen West-Europeanen de wereld en hun positie daarin begrepen.
Om deze dynamieken te belichten, beweegt de thesis door vier kruispunten van de moderniteit. Hoofdstuk 1, over religie, onderzoekt concurrerende representaties van het Heilige Land en laat zien hoe deze religieuze en politieke spanningen blootlegden. Hoofdstuk 2, over erfgoed en traditie, onderzoekt lantaarnvoorstellingen van burgemeester Charles Buls om te tonen hoe omgang met de oudheid de Belgische natievorming vormgaf en hoe representaties verbonden waren met stedenbouwkundige debatten. Hoofdstuk 3, over het occulte, analyseert de lantaarnvoorstellingen van George R. Tweedie en toont hoe hij folklore en spektakel samensmeedde om het occulte te legitimeren en te commercialiseren. Hoofdstuk 4, over exploratie, volgt de IJslandtravelogues van Olive Murray Chapman uit de jaren 1930, die zowel de aspiraties als de grenzen onthullen van een vrouwelijke herverbeelding van exploratie op een moment van imperiale onzekerheid. De epiloog brengt de studie naar Parijs, waar Jean-Martin Charcots gebruik van de lantaarn in het Salpêtrière ziekenhuis de disciplinerende kracht van het medium blootlegt en zo de machtsdynamieken onthult die besloten liggen in projectie.
Gezamenlijk tonen deze hoofdstukken hoe travelogues krachtige virtuele werelden genereerden die culturele, politieke en affectieve vormen van plaatsbegrip beïnvloedden. Over de casestudies heen verschijnt de lantaarn als een apparaat dat werelden projecteerde in de geesten van het publiek – virtuele werelden die overtuigend maar breekbaar waren, immersief maar inherent contradictorisch. Door te tonen hoe deze virtuele werelden percepties van religie, erfgoed, het occulte en exploratie vormden, onthult de thesis de spanningen waarmee de moderniteit zichzelf verbeeldde, betwijfelde en definieerde. In plaats van de materiële vooroordelen te herhalen die het moderniteitsonderzoek lang hebben gedomineerd, benadrukt deze thesis het belang van mentale en imaginaire technologieën zoals de lantaarn. De lantaarn ontpopt zich als één van de vormende motoren van de moderniteit: een apparaat dat de moderne geest herschiep door het publiek te leren dromen van werelden die net voorbij de rand van het scherm werden geprojecteerd.
Wat ligt er achter de herkenningsmuur. Open-source tools voor HTR-nabewerking en publicatie in digitale wetenschappelijke edities - Nooshin Shahidzadeh Asadi (26/01/2026)
Nooshin Shahidzadeh Asadi
- Doctoraatsverdediging: 26 januari 2026
- Promotoren: Dirk Van Hulle en Joshua Schäuble
Abstract
Recente vooruitgang in Handwritten Text Recognition (HTR) heeft veel onderzoekers in staat gesteld het proces van het transcriberen van hun grote manuscriptcollecties te versnellen. Dit proefschrift beoogt aan te pakken wat na deze transcriptiefase komt, waar annotaties moeten worden gemaakt en het product van deze arbeid moet worden gepubliceerd. Het gebruikt de gevestigde FAIR-principes en de grondbeginselen van Open Source als stevige fundamenten om een methodologie te construeren voor het ontwikkelen van tools, niet alleen voor digitale wetenschappelijke, maar voor onderzoekssoftware in bredere zin.
Als dubbele casestudies en voorgestelde oplossingen voor de problemen van HTR-nabewerking, beschrijft dit onderzoek de ontwikkeling van twee open-source onderzoekssoftwaretools en hun gebruikssituaties. Deze tools zijn Axolotl, een collaboratieveTEI-XML editor, en Necturus, een TEI-XML publicatieplatform met een plug-and-play sjabloonvariant. Beide tools behouden de verbinding tussen de gescande afbeelding van het manuscript en de geëxtraheerde tekst, een verbinding die een bijproduct is van het gebruik van HTR-platforms voor transcriptie. Ze zijn ingezet in praktijkprojecten variërend van individuele wetenschappelijke edities tot institutionele collecties van 90.000+ manuscriptpagina’s.
Axolotl en Necturus trachten een duurzame pipeline op te bouwen waarmee onderzoekers HTR-output kunnen nabewerken door oplossingen te bieden voor annotatie en publicatie, maar ze zijn ook emblematisch voor het principe dat onderzoekssoftware niet als een begeleiding van onderzoek moet worden behandeld, maar als onderzoek an sich.
Classical Latin verse: Style beyond lexis - Ben Nagy (5/12/2025)
Ben Nagy
- Doctoraatsverdediging: 5 december 2025
- Promotor: Mike Kestemont
Abstract
Deze dissertatie beoogt een systematisch onderzoek naar het potentieel van niet-lexicale kenmerken om de resultaten van computationele stilometrie te verbeteren wanneer deze wordt toegepast op het klassieke Latijnse vers. Naast de traditionele toepassing van stilometrie op auteurskwesties tonen sommige onderzoeksgebieden potentieel voor gebruik in vergelijkende literaire analyse, culturele evolutie en algemene literatuurkritiek. Het proefschrift omvat zes ongewijzigde artikelen. De resultataten van twee auteursverificaties vormen de kern. Daarbij is de analyse van niet-lexicale (d.w.z. poëtische) kenmerken van cruciaal belang. Het eerste artikel versterkt de huidige opvatting dat de Epistula Sapphus, algemeen bekend als Ovidius' Heroides 15, evenals de 'Dubbele' Heroides (brieven 16-21), authentieke werken van Ovidius zijn. Deze kwestie is in het moderne wetenschappelijke onderzoek goed beargumenteerd, maar hedendaagse computationele technieken werden niet eerder toegepast. Het verrassendere (en daarom wellicht significantere) resultaat betreft het gedicht bekend als Nux of De Nuce, dat sinds de 19de-20ste eeuw door de meeste geleerden als pseudo-epigrafisch wordt beschouwd. De toepassing van computationele stilometrie, die steunt op nieuwe technieken ontwikkeld tijdens dit onderzoek, heeft nieuw bewijs opgeleverd om opnieuw te suggereren dat het vrijwel zeker een authentiek ballingschapsgedicht van Ovidius is. Deze twee studies berusten op eerder door de auteur gepubliceerde methoden. Daaraan werd een nieuwe algemene stilometrische methode toegevoegd die de bekende General-Impostersmethode uitbreidt. Het artikel dat deze methode beschrijft (Bootstrap Distance Imposters, of BDI) is eveneens opgenomen. De overige artikelen zijn meer experimenteel van aard. De benadering die nu 'Metronome' wordt genoemd, vergelijkt gedichten als DNA-strengen en biedt een 'bottom-up' metrische analyse in plaats van het vocabularium en theoretische kader te gebruiken dat voortkomt uit traditionele metriek en filologie (cesuren, diaeresen, voetpatronen, enzovoort). Deze techniek toont veelbelovend potentieel als vergelijkend instrument over talen heen en is nuttig om bijvoorbeeld veranderingen in een formeel metrisch schema in de loop van de tijd bloot te leggen, of relaties tussen schema's--een voorbeeld hiervan voor het Latijn wordt gepresenteerd als case study in dat artikel. Tot slot verkent een artikel het potentieel van syntactische kenmerken. Zoals verwacht maken de syntactische verstoringen in poëzie ze minder bruikbaar voor auteursattributie dan bestaand onderzoek naar proza zou suggereren. Het blijkt echter dat ze in sommige gevallen een sterk potentieel hebben als instrument ter ondersteuning van kritische literaire analyse of vergelijkende studie.
"A Many-Splendored Thing": De vertaling van multimodale kinderliteratuur - Maureen Hosay (30/10/2025)
Maureen Hosay
- Doctoraatsverdediging: 30 oktober 2025
- Promotoren: Vanessa Joosen en Francis Mus
Abstract
“Hoe smaakt een Gruffalo?” “Welk geluid maakt gras?” “Wat zie je als je luistert?” Dit zijn vragen die een kind zou kunnen stellen over zijn favoriete prentenboek. Het zijn ook vragen die een kinderliteratuurwetenschapper met interesse in intermedialiteit zichzelf zou kunnen stellen.
Dergelijke vragen benadrukken hoe rijk en gevarieerd verhalen voor kinderen kunnen zijn. Prentenboeken worden bijvoorbeeld gekenmerkt door het creatieve samenspel tussen tekst en illustratie, en maken deel uit van een breder netwerk van multimodale producten van kinderliteratuur, dat wil zeggen producten die betekenis creëren door de combinatie van twee of meer semiotische middelen (of “modes”). Tegelijkertijd bevatten audioboeken voor kinderen naast stemmen vaak ook geluidseffecten en muziek, streven uitgevers van e-books ernaar interactieve audiovisuele werken te creëren om een jonger publiek aan te spreken, en bieden populaire franchises hun fans tal van merchandise-artikelen aan om hun favoriete verhalen na te spelen of hun interesse erin te tonen (bijvoorbeeld kostuums, speelgoed, knuffels). Binnen dit netwerk is elke versie van het verhaal het verhaal, maar is het ook onderscheidend en uniek in termen van modale combinaties, materiële kenmerken, mediale mogelijkheden, generieke conventies, zintuiglijke ervaring, culturele context en gesitueerd publiek.
Gezien deze rijkdom aan materiaal is er behoefte aan een allesomvattend kader om te bestuderen hoe multimodale producten van kinderliteratuur betekenis creëren en hoe deze betekenis van de ene versie naar de andere wordt vertaald. In dit proefschrift analyseer ik de overdrachten tussen verschillende versies van een kinderboek aan de hand van een multimodaal vertaalkader, dat steunt op drie pijlers: modus, medium en genre (Kaindl 2013, 2020). Ik pas dit kader toe op twee beroemde kinderboeken: We're Going on a Bear Hunt (Rosen en Oxenbury 1989) en The Gruffalo (Donaldson en Sheffler 1999). Meer specifiek bespreek ik prentenboeken, audioboeken, films, tv-commercials, kookboeken, en vrijetijdsactiviteiten. Het resultaat van dit onderzoek wordt perfect samengevat in de uitspraak van Riita Oittinen dat “het vertalen van prentenboeken” – en ik zou zeggen kinderliteratuur in brede zin – “een veelzijdig iets is [a many-splendored thing]” (Oittinen 2003, 128).
Enquêtes diffractives et dramaturgies intra-actives: Les agents robotiques dans les arts vivants autres qu'humains - Julie-Michèle Morin (19/06/2025)
Julie-Michèle Morin
- Doctoraatsverdediging: 19 juni 2025
- Promotoren: Jean-Marc Larrue (University of Montréal) en Kurt Vanhoutte (UAnwerpen)
Abstract
Dit proefschrift onderzoekt hoe de podiumkunsten fungeren als proeflocaties voor het kritisch bevragen van robottechnologieën en hun sociopolitieke implicaties. Uitgaande van de premisse dat robots actief bijdragen aan de co-constructie van menselijke culturen, wordt gekeken hoe hedendaagse dramaturgieën relaties tussen mens en robot ensceneren die in staat zijn technosolutionistische, technopatriarchale, technoracistische en technokapitalistische narratieven te destabiliseren. Aan de hand van het concept van diffractief onderzoek voor de observatie van intra-actieve dramaturgieën van robots, stel ik methodologische trajecten voor om de discursieve materialiteit van robots op het toneel en de culturele en politieke samenhang die deze configuraties onthullen te analyseren. Door het bestuderen van werken van Kris Verdonck, Sun Yuan en Peng Yu, Hirata Oriza, Stefan Kaegi, Bill Vorn, Louis-Philippe Demers en Éric Minh Cuong Castaing, benadrukt dit onderzoek hoe deze kunstenaars de mens-robotrelaties opnieuw vorm geven door de dominante assen van robot-innovatie te ondermijnen: arbeidsoptimalisatie, zorg-automatisering en robotisering van samenwerking. Deze performances brengen alternatieve, bredere, meervoudige en solidaire manieren van samenzijn aan het licht door af te wijken van de neoliberale efficiëntielogica en de toxiciteit van vertrouwdheid en normaliteit die inherent is aan robotica zichtbaar te maken. Dit onderzoek nodigt uit tot een heroverweging van onze politieke verantwoordelijkheden ten opzichte van technologieën en vraagt zorg te dragen voor onze robotische denkbeeldigen. Het pleit voor het erkennen van technologische agency om gevoeligere, bewustere en duurzamere relaties te bouwen tussen mensen, robots en de culturele ecosystemen waarin we evolueren.
Digitale schimmen van de kolonie: Securisatie, Moro's en het tijdperk van sociale media - Frances Cruz (16/06/2025)
Frances Cruz
- Doctoraatsverdediging: 16 juni 2025
- Promotoren: Mike Kestemont, Rocío Ortuño Casanova en Jeroen Adam
Abstract
Deze dissertatie onderzoekt de "securitisatie" van Moro's (een collectieve term voor groepen van etnische moslim in de Filippijnen) op het discursieve raakvlak van het global en lokale niveau, en van heden en verleden. Het onderzoek maakt gebruik van een combinatie van kritische discoursanalyse (CDA) en computationele tekstanalytische methoden, zoals semantische woordrepresentaties, emotieclassificeerders en collocatie-analyse. Het materiaal behelst drie tekstsoorten: officiële toespraken, traditionele media en sociale media, uit de jaren 2015, 2017 en 2019. In deze periodes vonden belangrijke gebeurtenissen plaats die leidden tot de oprichting van de autonome politieke entiteit Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM), namelijk de Mamasapano Encounter, de belegering van Marawi en de aanname van de Bangsamoro Organic Law. Methodologisch maken computationele tekstanalytische methoden het mogelijk om semantische velden en emoties te onderzoeken die geassocieerd worden met de identiteit van een van de meerderheden in het land (Filipijnnen, christenen en katholieken) en de Moro-identiteit, evenals differentiatie tussen conflict- en niet-conflictgerichte teksten, regionale en nationale kranten en de overgang tussen de regeringen. Hoewel het huidige discours enkele parallellen vertoont met de vertogen over de Moro's uit de koloniale periode, die historisch gezien de basis vormden voor concepten van het behoren tot de 'natie', duidt onze analyse ook op het belang van de grotere geglobaliseerde context. Deze omvatten het discours rond de 'Global War on Terror' en de versterking van negatieve debatten in de media over de islam en moslims via sociale media (Törnberg and Törnberg 2016), die zijn waargenomen naast nieuwe kenmerken, zoals affectief taalgebruik en het centraal stellen van het 'zelf' via nieuwe media. Samengevat laat dit project zien hoe sociale media de banden tussen identiteit, veiligheid en affect kunnen versterken, terwijl ze tegelijkertijd minder zones van betekenisvol contact met de 'ander' bieden en de dimensies van materiële grieven en horizontale conflicten over het hoofd zien.
Een verhaal met een staartje: Onderzoekingen over de Middelnederlandse Parthonopeus van Bloys, gevolgd door een synoptische uitgave van alle bekende handschriftfragmenten - Viorica Van der Roest (26/05/2025)
Viorica Van der Roest
- Doctoraatsverdediging: 26 mei 2025
- Promotor: Remco Sleiderink
Abstract
De dertiende-eeuwse Middelnederlandse ridderroman Parthonopeus van Bloys - een bewerking van de twaalfde-eeuwse Oudfranse roman Partonopeus de Blois - vertelt het verhaal van de zesde-eeuwse held Parthonopeus en zijn geliefde Melior. Door een fout van Parthonopeus raakt hij zijn geliefde kwijt, maar uiteindelijk lukt het hem om een toernooi om Meliors hand te winnen. De oorspronkelijke Oudfranse roman heeft nog een aanvulling gekregen, die ook in de Middelnederlandse bewerking is opgenomen. Hierin valt de belangrijkste tegenstander van Parthonopeus in het toernooi, de sultan van Perzië, het rijk van Melior binnen om haar alsnog als echtgenote op te eisen: het startpunt voor een oorlog.
De Middelnederlandse Parthonopeus is overgeleverd in een groot aantal fragmenten, die afkomstig zijn uit vijf Middelnederlandse handschriften en een Ripuarisch handschrift. Vanwege het tot nu toe ontbreken van een moderne editie gaat dit onderzoek vergezeld van een diplomatische editie van alle bekende fragmenten, inclusief uitgebreide handschriftbeschrijvingen, dateringen van de Middelnederlandse handschriften, en lokaliseringen van zowel de taal van de auteur als die van de kopiisten van de Middelnederlandse handschriften.
Het slot van de Parthonopeus van Bloys lijkt het originele werk van de Middelnederlandse bewerker: zijn Oudfranse voorbeeldtekst was waarschijnlijk onvoltooid. In het Middelnederlandse slot is een duidelijke invloed van de retorica aan te wijzen. Thematisch legt de bewerker verbanden met de oorspronkelijke Oudfranse Partonopeus, waarin vooral de hoofse liefde centraal stond. Het Middelnederlandse slot laat zo een bewust ontwerp zien, waarin hoofse minne als literaire drijvende kracht het uiteindelijk wint van krijgslust. De manier waarop de bewerker zijn zelf geschreven slot thematisch laat aanhaken bij de oorspronkelijke Oudfranse Partonopeus en de zorgvuldige opbouw en uitwerking ervan zorgen ervoor dat het verhaal op een bevredigende manier wordt afgerond.
De franquistische hispanidad en haar marges: Natie, ras en gender in de Spaanse literaire productie over de Filipijnen en Equatoriaal-Guinea tijdens het vroeg-franquisme (1939-1959) - Emilio Pedro Vivó Capdevila (3/02/2025)
Emilio Pedro Vivó Capdevila
- Doctoraatsverdediging: 3 februari 2025
- Promotoren: Diana Arbaiza en Rocío Ortuño
Abstract
Deze thesis analyseert tien literaire werken over Equatoriaal-Guinea en de Filipijnen uit de eerste periode van het Franco-regime (1939–1959). De werken omvatten zes literaire genres: reisromans, missionaire romans, essays, romans geïnspireerd op de koloniale oorlogen rond 1898, plantageromans en biografieën. Elk hoofdstuk vergelijkt twee werken per genre, waarbij één werk per gebied wordt geanalyseerd. De studie belicht gedeelde thema’s en contrasterende maar complementaire elementen in de representaties van beide gebieden en onderzoekt de koloniale ideologieën die worden overgebracht in relatie met gender, ras en natie.
De thesis stelt dat de representatie van zowel Equatoriaal-Guinea als de Filipijnen in de Spaanse literatuur van de tijd opvallende overeenkomsten vertoont, ondanks de verschillende relaties tussen het regime en elk gebied (terwijl Equatoriaal-Guinea een Spaanse kolonie bleef, kregen de Filipijnen in 1946 hun onafhankelijkheid van de VS.). De analyse suggereert dat de Franquisme negentiende-eeuwse raciale ideologieën nieuw leven inblies en een geïdealiseerde voorstelling van het Spaanse koloniale verleden in de Filipijnen gebruikte als bewijs van Spanje’s welwillende beschavingsmissie in Afrika en de noodzakelijke eenheid tussen kerk en staat in de metropool. De thesis betoogt dat de relaties met de Filipijnen en de culturele erfenissen van hun Spaanse kolonisatie zowel het beleid van het Franco-regime in Equatoriaal-Guinea als het bredere kader van het Spaanse koloniale discours diep beïnvloedden.
Hoewel het Franco-regime openlijk racistische retoriek tegenover de Filipijnen vermeed en hen afschilderde als een meer beschaafde en Hispanische model-natie, werden nog steeds stereotyperingen en literaire genres uit de koloniale periode gereproduceerd, vooral als er gesproken werd over de niet-katholieke inwoners van het archipel of zijn onafhankelijkheidsoorlog. De bevolking van Equatoriaal-Guinea werd daarentegen als raciaal inferieur afgebeeld en afhankelijk van “verheffing” door Spaans kolonialisme. Deze “verheffing” werd gepresenteerd als vergelijkbaar met wat gebeurde met Spaanssprekende Filipino’s, maar de mogelijkheid en timing van acculturatie, evenals hoe de metropool hiermee moest omgaan, bleven onderwerp van debat.
De thesis concludeert dat, ondanks de claims van exceptionalisme, het Franco-regime sterk leunde op Europese koloniale ideologieën en deze aanpaste aan zijn symbolische visie op Spanje’s imperiale verleden Dit resulteerde in een Eurocentrische beschavingshiërarchie met fascistische en katholieke Spanjaarden aan de top en Afrikanen en “ongeaccultureerde” Filipino’s aan de onderkant. Bovendien toont deze thesis aan dat, door mimetische subjecten (gekoloniseerde eliten) hogere posities binnen deze hiërarchie toe te laten, het franquisme een ambivalent narratief creëerde dat zowel zijn kolonisatie van Afrika als zijn diplomatieke en culturele banden met voormalige Spaanse koloniën legitimeerde.