Doctoraatsverdedigingen
Woon een doctoraatsverdediging bij of raadpleeg de voorbije verdedigingen
De geschiedenis van het eindresultaat: Literaire traditie, experiment en creatieve inventie in het werk van Willem Frederik Hermans - Peter Kegel (12/06/2026)
Peter Kegel
- Doctoraatsverdediging: 12 juni 2026 om 14 uur
- UAntwerpen, Promotiezaal Grauwzusters
- Promotor: Dirk Van Hulle
- Inschrijven voor 4 juni via mail
Abstract
De geschiedenis van het eindresultaat. Literaire traditie, experiment en creatieve inventie in het werk van Willem Frederik Hermans maakt de inzichten uit de methodologieën van genetic criticism en textual scholarship productief voor de interpretatie van het werk van Willem Frederik Hermans (1921-1995). De studie presenteert vanuit een beschrijving en analyse van het ontstaansproces van Hermans’ teksten nieuwe leesstrategieën en nieuwe interpretaties van dat werk. Het onderzoek richt zich op Hermans’ vroege oeuvre en bestrijkt de periode van circa 1938 tot en met 1958.
‘Schrijven is een onophoudelijk op voorafgegane gedachten terugkomen’, het eerste deel van De geschiedenis van het eindresultaat, beschrijft een eerste fase van Hermans’ schrijverschap. De jonge Hermans was niet alleen een experimenterende schrijver, maar ook een gretig lezer. Vroege agenda’s, notitieboekjes, correspondenties met vrienden en talrijke essays en beschouwingen in naoorlogse kranten en tijdschriften laten zien hoe Hermans zich verdiepte in het werk van internationale, vooral negentiende- en twintigste-eeuwse schrijvers. Daarnaast had Hermans een grote belangstelling voor muziek en vooral film. Hermans’ schrijven blijkt een proces van voortdurend aanscherpen, om de aanvankelijk intuïtief geschreven literaire tekst uiteindelijk zo geraffineerd mogelijk te laten zijn.
In ‘Het wordt heel anders dan mijn andere werk’, het tweede deel van dit proefschrift, laat ik zien hoe Hermans zich met zijn ambitieuze roman Ik heb altijd gelijk nadrukkelijk verhoudt tot de door hem hooggewaardeerde romans Voyage au bout de la nuit en Mort à crédit van Louis-Ferdinand Céline. Op basis van Hermans’ essays, notitieboekjes en vooral een kladtyposcript van Ik heb altijd gelijk stel ik een leesstrategie voor die radicaal afwijkt van de gangbare receptiegeschiedenis van de roman. In een alleen op het oog traditionele vertelvorm schrijft Hermans zich met Ik heb altijd gelijk in de literaire anti-traditie van het groteske in, waarin alle aandacht komt te liggen op het inherente tekort van het menselijk bestaan.
Het laatste deel van het proefschrift, ‘Een fantastisch amalgama van diverse elementen’, presenteert De donkere kamer van Damokles als een roman die geworteld is in een melodramatische verteltraditie. Hermans werkte een vroeg verhaal om tot een voor een groot deel intuïtief geschreven roman. Daarin werkte niet alleen de traditie van het literaire melodrama door, maar vooral ook de deels uit het melodrama voortkomende traditie van de Franse en Amerikaanse film noir. De op het filmische melodrama geïnspireerde leesstrategie maakt Hermans’ beroemde roman – decennialang geïnterpreteerd als een roman waarin alles draaide om de personages Osewoudt en Dorbeck – op geheel nieuwe wijze toegankelijk. De donkere kamer laat zich lezen als een nihilistische roman waarin de verteller centraal staat, een roman bovendien waarin Hermans speelt met de conventies, thema’s en motieven van het literaire melodrama én met de cinematografische uitgangspunten en vormgevingsprincipes van de Franse en Amerikaanse film noir. En al net zo speels gaat Hermans om met de clichés van de verzetsroman en met allerlei historische referenties, die onder andere terugvoeren op zijn intensieve lezing van literatuur over de Tweede Wereldoorlog.
De geschiedenis van het eindresultaat maakt de esthetische werking van Hermans’ werk zichtbaar. De studie laat zien hoe Hermans’ literatuur ‘werkt’: hoe inhoud en vorm van zijn literaire teksten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, hoe zijn werk is geschreven vanuit een sterk bewustzijn van de literaire traditie, en hoe dat werk leesbaar is als een ‘onophoudelijk’ grotesk en melodramatisch oeuvre.
Emoties in de Middelnederlandse ridderroman: een scripttheoretisch perspectief - Laurent Breeus-Loos (19/06/2026)
Laurent Breeus-Loos
- Doctoraatsverdediging: 19 juni 2026 om 15 uur
- UAntwerpen Hof van Liere, W. Elsschotzaal
- Promotoren: Remco Sleiderink (UAntwerpen) en Frank Brandsma (Universiteit Utrecht)
- Bevestig je aanwezigheid
Abstract
Hoe spelen middeleeuwse ridderromans in op de emoties van het publiek? Welke invloed hebben genderpatronen op de vormgeving van de emoties van personages? En welke hoofse gedragscodes sturen het emotioneel handelen in de literaire verbeelding? Dit proefschrift biedt de eerste structurele studie naar emoties in het genre van de Middelnederlandse ridderroman (ca. 1250-1350). Centraal daarin staat het theoretisch concept van het ‘emotief script’, een onderzoeksmethode die werd ontwikkeld door Sif Rikhardsdottir, maar in deze studie verder werd uitgewerkt via de integratie van concepten uit de cognitieve psychologie en narratologie (hoofdstuk 2). Deze theorie suggereert dat literaire teksten onderliggende ‘scripts’ bevatten die structureren hoe emotionaliteit wordt gerepresenteerd en ingezet in vertelstrategieën, en die tegelijkertijd inzicht bieden in ideologische opvattingen over emoties.
Om zulke ‘emotieve scripts’ in de ridderroman te bestuderen, richt deze studie zich op drie onderzoekslijnen: (1) narratieve strategieën, (2) personagegebonden patronen en (3) intra-tekstuele ideologische opvattingen. In elk van de analysehoofdstukken (hoofdstuk 3-5) staat telkens één lijn centraal, benaderd vanuit een specifieke invalshoek. Vanuit de invalshoek van de ‘middeleeuwse nieuwscyclus’ wordt in hoofdstuk 3 onderzocht hoe ooggetuigen- en bodepersonages worden ingezet in twee narratieve strategieën – respectievelijk benoemd als het ‘spiegelscript’ en het ‘bodescript’ – die aansturen op een breed scala aan affectieve publieksresponsen, zoals identificatie, sympathie en responsen die voortkomen uit de assimilatie van een vertrouwd scenario (o.a. nieuwsgierigheid).
Hoofdstuk 4 richt zich vervolgens op personagegebonden emotionele patronen, met bijzondere aandacht voor de genderdynamiek in het zogenaamde script van de ‘jonkvrouw in nood’. De analyses illustreren hoe dit gendergecodeerd script niet alleen fungeert als een vertelstrategie, maar ook opvattingen onthult over gender en emotie, waarbij handelingsbekwaamheid in de regel aan mannelijkheid wordt gekoppeld en emotionele labiliteit aan vrouwelijkheid. Hoofdstuk 5 behandelt emotionaliteit vanuit ethisch perspectief en onderzoekt hoe de hoofs-ideologische gedragscode rond ‘gematigdheid’ doorwerkt in de ridderroman. De hoofse mate wordt niet primair geconcipieerd als een gedragscode gericht op het onderdrukken van emoties, als wel op de regulering ervan tot handelingen die in overeenstemming zijn met de hoofse ethiek.
In haar geheel illustreert de studie, die afsluit met een synthese (hoofdstuk 6) over de grenzen van de afzonderlijke analyses heen, hoe intra-tekstuele emotionaliteit een cruciale bouwsteen vormt in affectieve vertelstrategieën en hoe zij is ingebed in middeleeuwse denkbeelden over gender, gedrag en ethiek. Daarbij worden zowel transhistorische als cultuurspecifieke emotionele tendensen blootgelegd.
A taste for land: how access to land shaped access to food in late Medieval Antwerp - Cecile Bruyet (26/06/2026)
Cecile Bruyet
- Doctoraatsverdediging: 26 juni om 15 uur
- UAntwerpen Stadscampus, KS.203
- Promotoren: Tim Soens en Peter Stabel
- Inschrijven voor 19 juni via mail
Abstract
Hoe heeft toegang tot land de toegang tot voedsel vormgegeven in laatmiddeleeuws Antwerpen? Dit proefschrift onderzoekt de rol van korte voedselketens, gebaseerd op toegang tot land, in de bevoorradingsstrategieën van huishoudens in een laatmiddeleeuwse stad. Dat stadslandbouw en directe bevoorrading uit het platteland belangrijk waren in de vele kleine half-agrarische steden van Europa spreekt voor zich, maar wat met de bewoners van grotere steden? De veronderstelling is dat marktafhankelijkheid inzake voedselbevoorrading toenam wanneer een stad groeide. Antwerpen in de vijftiende en zestiende eeuw biedt hiervoor een unieke casestudy, aangezien de stad groeide van een middelgrote stad tot een commercial gateway van de Noordzeehandel.
Ik onderzocht twee soorten contracten die de toegang tot land en de exploitatie ervan reguleerden, pachten en renten, en de mate waarin die in natura uitgedrukt waren. Het bezit van dergelijke renten en pachten in natura bezorgde stedelijke huishoudens een potentiële claim – entitlement - op voedsel. Ik toonde aan dat natura-renten en -pachten in de eerste plaats bedoeld waren voor de eigen voedselbevoorrading en niet voor het verwerven van bijkomend inkomen via verkoop. In de jaren 1430 werden betalingen in natura, zowel uit pachten als uit renten, door een aanzienlijk deel van de stedelijke bevolking gebruikt om hun graanvoorziening te verzekeren. Enkel de pachten in natura bleven tot in de zestiende eeuw belangrijk. In tegenstelling tot de renten waren de pachten echter zo goed als uitsluitend bestemd voor de rijkere stedelijke huishoudens die (grotere) boerderijen op het platteland bezaten. Tegen de jaren 1490 verdwenen renten in natura vrijwel volledig, waardoor de stedelijke middengroepen hun directe toegang tot graan verloren, en bijgevolg een belangrijke mogelijkheid om een eventuele voedselschaarste te bufferen.
Wat de eigenlijke stadslandbouw – de voedselproductie in of rond de stad – betrof, toonden vooral de middengroepen interesse in toegang tot een hof — een binnenplaats met potentieel voor voedselproductie. Tegelijkertijd ontwikkelde de commerciële stedelijke landbouw zich, maar de hoveniers waren (nog) geen gespecialiseerde tuinders, eerder landbouwers die ook groenten en, vaker nog, fruit vermarkten.
Kortom, dit proefschrift biedt een historisch perspectief op actuele vraagstukken omtrent stadslandbouw en korte-keten voedselsystemen. De sturende rol van ongelijkheid is daarbij opvallend: alternatieve voedselsystemen boden in de late middeleeuwen zeker geen garantie op meer voedselzekerheid voor iedereen. Korte-keten-voedselstromen waren vaak behoorlijk elitair. Het was wellicht geen toeval dat ze net in de iets minder ongelijke vijftiende eeuw, via de alomverspreide lijfrenten-in-natura, ook de stedelijke middengroepen bereikten.
Smoldering Decay: A philosophy of withering relations - Franlu Vulliermet (2/07/2026)
Franlu Vulliermet
- Doctoraatsverdediging: 2 juli 2026 om 13 uur
- UAntwerpen Stadscampus, C.204
- Promotor: Kristien Hens
- Inschrijven voor 29 juni via mail
Abstract
Dit proefschrift neemt relaties als rode draad om over milieuproblemen te denken en ontwikkelt een "filosofie van verwelkende relaties". Bij nader toezien lijken veel van de concepten (omgeving, organismen, vervuiling) waarmee milieuproblemen worden besproken, geen stand te houden als op zichzelf staande gehelen. Ik verdedig dat relaties niet secundair zijn. Integendeel: relaties zijn constitutief. Zij bepalen wat wezens zijn, hoe zij zich ontwikkelen en hoe werelden samenhang krijgen.
Deel I onderzoekt het concept van omgeving via genealogische en metafysische analyse. Vanuit de hedendaagse biologie, met name de epigenetica en het concept van het holobiont, betoog ik dat organismen en omgevingen elkaar wederzijds constitueren.
Deel II verschuift van theoretische analyse naar veldwerk en een onderzoeksverblijf bij de Kichwa in de Boven-Napo-regio van Ecuador. In deze context krijgt relationaliteit een concrete vorm in sumak kawsay, dat niet verschijnt als een abstract ideaal maar als geleefde praktijk van samenleven, voedsel, gezondheid, arbeid en de circulatie van vitaliteit in het dagelijks leven. Ik argumenteer dat vervuiling niet in de eerste plaats begrepen moet worden als de aanwezigheid van een schadelijke, vreemde stof, maar als een vorm van solastalgie: het doorsnijden van relaties. In de woorden van de Kichwa is "vervuiling" geen technische term. Zij drukt daarentegen een verlies uit: minder vis, minder vruchten, dieren die zich terugtrekken, een bos dat minder responsief wordt.
Deel III zet de reflectie over vervuiling voort via het leven en denken van Tanaka Shōzō, de eerste Japanse milieuactivist die zich tijdens de Meiji-periode verzette tegen de milieuschade die werd veroorzaakt door de Ashio-kopermijn ten noorden van Tokio. Via zijn begrippen doku (gif) en nagare (stroom/flow) wordt vervuiling beter begrijpelijk als een verstoring van stromen die tegelijk materieel, sociaal, ecologisch en politiek zijn. Daarna stel ik, via conceptuele engineering, voor om vervuiling te begrijpen als een "breed" (thick) concept dat politieke, scalaire, symbolische, ecologische en lichamelijke dimensies omvat.
Deel IV geeft het onderzoek een metafysische ruggengraat die steunt op Gilbert Simondons theorie van individuatie, Nishida Kitarō's concept basho (plaats/veld) en Watsuji Tetsurō's idee van aidagara (het tussengebied / "tussen-zijn"). Op deze ontologische basis ontwikkel ik een "ethiek van verval" (ethics of decay): een normatief kader dat ethische eisen niet lokaliseert in bepaalde vermogens van individuele wezens, maar in de voorwaarden die velden leefbaar houden ondanks hun kwetsbaarheid en onomkeerbaarheid.