Letteren en Wijsbegeerte

Doctoraatsverdedigingen

Woon een doctoraatsverdediging bij of raadpleeg de voorbije verdedigingen

A taste for land: how access to land shaped access to food in late Medieval Antwerp - Cecile Bruyet (26/06/2026)

Cecile Bruyet


Abstract

Hoe heeft toegang tot land de toegang tot voedsel vormgegeven in laatmiddeleeuws Antwerpen? Dit proefschrift onderzoekt de rol van korte voedselketens, gebaseerd op toegang tot land, in de bevoorradingsstrategieën van huishoudens in een laatmiddeleeuwse stad. Dat stadslandbouw en directe bevoorrading uit het platteland belangrijk waren in de vele kleine half-agrarische steden van Europa spreekt voor zich, maar wat met de bewoners van grotere steden? De veronderstelling is dat marktafhankelijkheid inzake voedselbevoorrading toenam wanneer een stad groeide. Antwerpen in de vijftiende en zestiende eeuw biedt hiervoor een unieke casestudy, aangezien de stad groeide van een middelgrote stad tot een commercial gateway van de Noordzeehandel.

Ik onderzocht twee soorten contracten die de toegang tot land en de exploitatie ervan reguleerden, pachten en renten, en de mate waarin die in natura uitgedrukt waren. Het bezit van dergelijke renten en pachten in natura bezorgde stedelijke huishoudens een potentiële claim – entitlement - op voedsel. Ik toonde aan dat natura-renten en -pachten in de eerste plaats bedoeld waren voor de eigen voedselbevoorrading en niet voor het verwerven van bijkomend inkomen via verkoop. In de jaren 1430 werden betalingen in natura, zowel uit pachten als uit renten, door een aanzienlijk deel van de stedelijke bevolking gebruikt om hun graanvoorziening te verzekeren. Enkel de pachten in natura bleven tot in de zestiende eeuw belangrijk. In tegenstelling tot de renten waren de pachten echter zo goed als uitsluitend bestemd voor de rijkere stedelijke huishoudens die (grotere) boerderijen op het platteland bezaten. Tegen de jaren 1490 verdwenen renten in natura vrijwel volledig, waardoor de stedelijke middengroepen hun directe toegang tot graan verloren, en bijgevolg een belangrijke mogelijkheid om een eventuele voedselschaarste te bufferen.

Wat de eigenlijke stadslandbouw – de voedselproductie in of rond de stad – betrof, toonden vooral de middengroepen interesse in toegang tot een hof — een binnenplaats met potentieel voor voedselproductie. Tegelijkertijd ontwikkelde de commerciële stedelijke landbouw zich, maar de hoveniers waren (nog) geen gespecialiseerde tuinders, eerder landbouwers die ook groenten en, vaker nog, fruit vermarkten.

Kortom, dit proefschrift biedt een historisch perspectief op actuele vraagstukken omtrent stadslandbouw en korte-keten voedselsystemen. De sturende rol van ongelijkheid is daarbij opvallend: alternatieve voedselsystemen boden in de late middeleeuwen zeker geen garantie op meer voedselzekerheid voor iedereen. Korte-keten-voedselstromen waren vaak behoorlijk elitair. Het was wellicht geen toeval dat ze net in de iets minder ongelijke vijftiende eeuw, via de alomverspreide lijfrenten-in-natura, ook de stedelijke middengroepen bereikten.

Smoldering Decay: A philosophy of withering relations - Franlu Vulliermet (2/07/2026)

Franlu Vulliermet

Abstract

Dit proefschrift neemt relaties als rode draad om over milieuproblemen te denken en ontwikkelt een "filosofie van verwelkende relaties". Bij nader toezien lijken veel van de concepten (omgeving, organismen, vervuiling) waarmee milieuproblemen worden besproken, geen stand te houden als op zichzelf staande gehelen. Ik verdedig dat relaties niet secundair zijn. Integendeel: relaties zijn constitutief. Zij bepalen wat wezens zijn, hoe zij zich ontwikkelen en hoe werelden samenhang krijgen.

Deel I onderzoekt het concept van omgeving via genealogische en metafysische analyse. Vanuit de hedendaagse biologie, met name de epigenetica en het concept van het holobiont, betoog ik dat organismen en omgevingen elkaar wederzijds constitueren.

Deel II verschuift van theoretische analyse naar veldwerk en een onderzoeksverblijf bij de Kichwa in de Boven-Napo-regio van Ecuador. In deze context krijgt relationaliteit een concrete vorm in sumak kawsay, dat niet verschijnt als een abstract ideaal maar als geleefde praktijk van samenleven, voedsel, gezondheid, arbeid en de circulatie van vitaliteit in het dagelijks leven. Ik argumenteer dat vervuiling niet in de eerste plaats begrepen moet worden als de aanwezigheid van een schadelijke, vreemde stof, maar als een vorm van solastalgie: het doorsnijden van relaties. In de woorden van de Kichwa is "vervuiling" geen technische term. Zij drukt daarentegen een verlies uit: minder vis, minder vruchten, dieren die zich terugtrekken, een bos dat minder responsief wordt.

Deel III zet de reflectie over vervuiling voort via het leven en denken van Tanaka Shōzō, de eerste Japanse milieuactivist die zich tijdens de Meiji-periode verzette tegen de milieuschade die werd veroorzaakt door de Ashio-kopermijn ten noorden van Tokio. Via zijn begrippen doku (gif) en nagare (stroom/flow) wordt vervuiling beter begrijpelijk als een verstoring van stromen die tegelijk materieel, sociaal, ecologisch en politiek zijn. Daarna stel ik, via conceptuele engineering, voor om vervuiling te begrijpen als een "breed" (thick) concept dat politieke, scalaire, symbolische, ecologische en lichamelijke dimensies omvat.

Deel IV geeft het onderzoek een metafysische ruggengraat die steunt op Gilbert Simondons theorie van individuatie, Nishida Kitarō's concept basho (plaats/veld) en Watsuji Tetsurō's idee van aidagara (het tussengebied / "tussen-zijn"). Op deze ontologische basis ontwikkel ik een "ethiek van verval" (ethics of decay): een normatief kader dat ethische eisen niet lokaliseert in bepaalde vermogens van individuele wezens, maar in de voorwaarden die velden leefbaar houden ondanks hun kwetsbaarheid en onomkeerbaarheid.

Voorbije doctoraatsverdedigingen