Rechten

Doctoraten 2022

Woon een doctoraat bij of raadpleeg de voorbije verdedigingen

Transport services in the digital era. Consumer Protection and the Concept of ‘Mobility-as-a-Service' - Bregtje Dikker-Pavlovski (30/6/2022)

​Doctoraatsverdediging Bregtje Dikker-Pavlovski

  • 30 juni 2022 - 17 uur
  • Promotor: prof. dr. Wouter Verheyen
  • Wenst u de verdediging fysiek bij te wonen ? Inschrijven kan hier.
  • Wil u digitaal deelnemen ? Schrijf in via deze link.

Abstract

The emergence of online platforms has radically changed the services sector. In the platform economy for transport services, the 'Mobility-as-a-Service (MaaS)' model plays an important role. MaaS strives to offer mobility via an online platform that connects the demand side (passengers) with the supply side (available means of transport). Consumers can choose the quickest, cheapest or least polluting way to get from a to b. MaaS is thus expected to contribute to reducing congestion and pollution.

Over the past two decades, the EU has developed a comprehensive legal system that focuses, among other things, on protecting consumers from commercial manipulation and ensuring a safe and timely journey. Specific rules, pertaining to  inter alia small claims and alternative dispute resolution, strive to enable consumers to enforce their rights. However, the system is often not designed with the interference of platforms in mind. The central question in this thesis is therefore whether the current legal framework offers a high level of consumer protection when using transport services in the digital era. 

The thesis concludes that the level of consumer protection can indeed be improved. It is proposed, among other things, to enshrine the position of the (online) transport intermediary as well as the rights of passengers in case of multimodal journeys in the EU passenger rights acquis. It also highlights the great importance of both public and private enforcement mechanisms for consumers. After all, effective protection stands or falls with the enforceability of consumer rights in practice.

Kwaliteitscontrole doorheen de wetgevingscyclus - Laura Martens (29/6/2022)

Doctoraatsverdediging Laura Martens

  • 22 juni 2022 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Patricia Popelier en prof. dr. Wim Marneffe (UHasselt)
  • Dubbeldoctoraat UAntwerpen (Faculteit Rechten) en UHasselt (Faculteit Bedrijfseconomische Wetenschappen)
  • Wenst u de verdediging fysiek bij te wonen ? Inschrijven kan hier.​
  • Wil u digitaal deelnemen ? Schrijf u in via deze link.

Abstract

We leven in een snel veranderende maatschappij. De wetgever moet dit hoog tempo volgen en voorzien in wetgeving die aan de noden van de huidige maatschappij kan voldoen. Daarbij moet aandacht uitgaan naar de kwaliteit van de wetgeving. De wetgever schiet namelijk tekort wanneer wetgeving wordt vernietigd door het Grondwettelijk Hof of om andere redenen het vooropgestelde doel niet bereikt. Om de kwaliteit van wetgeving te garanderen, werden er specifieke instrumenten en procedures in het leven geroepen. Een voorbeeld hiervan is de reguleringsimpactanalyse (hierna: RIA). Dit instrument controleert of wetgeving nodig is en schat in of ze effectief zal zijn.

De concrete implementatie van deze instrumenten verschilt van land tot land. Zelfs binnen bepaalde rechtssystemen kan het toepassingsgebied van deze instrumenten variëren. Zo zijn de procedures in Vlaanderen om de kwaliteit van de wetgeving te bewaken niet dezelfde als de procedures op federaal niveau. De empirische component in dit onderzoek maakt een selectie noodzakelijk. Omdat het Vlaamse wetgevingsbeleid een voorloper is in België, maar de Vlaamse instrumenten - en de manier waarop de Vlaamse Regering hier mee omgaat - nog nooit uitgebreid werden onderzocht, focust dit doctoraatsproefschrift uitsluitend op de Vlaamse wetgevingscyclus. Niet alleen de empirische studie van de werking van de verschillende instrumenten in de praktijk maakt dit een uniek onderzoek. Ook de link tussen het Grondwettelijk Hof en de procedures zorgt voor een nieuwe invalshoek. Zo wordt nagegaan in welke mate het Hof effectief de verschillende instrumenten in rekening brengt bij de beoordeling van de proportionaliteit.

De instrumenten die de kwaliteit van de Vlaamse wetgevingscyclus bewaken, zijn de reguleringsimpactanalyse, de adviezen van de Raad van State en de adviezen van de strategische adviesraden. Wat betreft de impact van de RIA, bleek uit enquêtes en interviews dat de implementatie van de RIA zeer beperkt is, terwijl er wel een sterk geloof is in het potentieel ervan. Ook de impact van de adviezen van de strategische adviesraden was eerder beperkt in de praktijk. De decreetgever antwoordde op de helft van de gemaakte opmerkingen niet, ondanks de decretale verplichting hiertoe. Wat betreft het gebruik van de instrumenten voor en door het Grondwettelijk Hof, viel vooral de invloed van de adviezen van de Raad van State op te merken. Het gewicht van de adviezen van de strategische adviesraden en de reguleringsimpactanalyse op het uiteindelijke oordeel van het Grondwettelijk Hof was eerder beperkt.

De rol en de betekenis van de openbare orde in het burgerlijk procesrecht. Een zwanenzang - Frédéric Dupon (22/06/2022)

Doctoraatsverdediging Frédéric Dupon

  • 22 juni 2022 - 17 uur
  • Promotoren: prof. dr. Stefan Rutten en prof. dr. Beatrix Vanlerberghe
  • Wenst u de verdediging fysiek bij te wonen ? Inschrijven kan hier
  • Wil u digitaal deelnemen ? Schrijf u in via deze link.

Abstract

De aard van de rechtsregels was lange tijd bepalend voor de omvang van de taak van de feitenrechter om er ambtshalve toepassing van te maken. In een klassieke leer mocht de rechter enkel rechtsregels van openbare orde ambtshalve toepassen, zelfs wanneer partijen de toepassing ervan hadden uitgesloten. Sedert 2005 wijzigde het Hof van Cassatie zijn rechtspraak op dit punt voor wat betreft het materiële recht. De aard van de materieelrechtelijke rechtsregel biedt niet langer het antwoord op de vraag of de rechter er ambtshalve toepassing van moet maken. Het antwoord op deze vraag vindt men aan de hand van de intensiteit waarmee partijen feiten in het debat brachten. De rechter is sedert 2005 namelijk verplicht om ambtshalve toepassing te maken van de rechtsregels waartoe de in het bijzonder aangevoerde feiten tot staving van de eis aanleiding gaven.

Deze evolutie ging voorbij aan de rechtsregels van procesrecht. Wanneer de proceswet geen eigen handhavingsleer op sanctieregeling voorschrijft, doet de rechtspraak nog steeds een beroep op de drieledige indeling van de rechtsregels om uit te maken of de rechter deze of gene rechtsregel van procesrecht ambtshalve moet toepassen dan wel er geen ambtshalve toepassing van mag maken. De aard van de rechtsregel bleef ook na 2005 van belang in het raam van het leerstuk van de ambtshalve toepassing van rechtsregels.

Sedert 2008 voltrok zich een belangwekkende wijziging in de rechtspraak van het Hof van Cassatie voor wat de rechtsregels van procesrecht betreft. Hoewel de eiseres tot cassatie een middel afleidde uit de miskenning van een rechtsregel van procesrecht van openbare orde, ging het hof niet over tot de vernietiging van de bestreden rechterlijke uitspraak, omdat deze uitspraak in overeenstemming met de conclusie van de eiseres tot cassatie was gewezen. De rechtspraak wekt verwondering op, aangezien het Hof van Cassatie in de mogelijkheid verkeerde om de miskenning van een rechtsregel van openbare orde te verhelpen, maar dit niet deed. Hoewel deze rechtspraak goedkeuring verdient, valt zij onmogelijk in te passen in de klassieke leer van de openbare orde, de drieledige indeling van de rechtsregels en de procesrechtelijke gevolgen ervan. Om die reden moet de toepassing van voornoemde – veeleer privaatrechtelijke – leerstukken in het procesrecht in twijfel worden getrokken.

Onderzoek van de belangrijkste rechtsregels van procesrecht wijst uit dat de rechtspraak deze rechtsregels doorgaans onderbracht in de drieledige indeling van de rechtsregels, louter met het oog op de realisering van de procesrechtelijke gevolgen die een klassieke leer aan deze of gene kwalificatie verbond. Vanuit een conceptuele invalshoek, valt de kwalificatie van een rechtsregel van procesrecht als van openbare orde, aanvullend of louter dwingend recht doorgaans niet te verantwoorden.

Het alternatief is een eigen geïndividualiseerde handhavingsleer en sanctieregeling voor rechtsregels van formeel procesrecht die een rechterlijke plicht tot ambtshalve toepassing van de rechtsregel verzoent met de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat partijen geen cassatiemiddel kunnen afleiden uit de miskenning van een rechtsregel van procesrecht wanneer de bestreden beslissing in overeenstemming met hun conclusie werd gewezen. Deze geïndividualiseerde handhavingsleer en sanctieregeling dient uit te gaan van een unitaire opvatting van de proceswet en kan enkel door een ingrijpen van de wetgever tot stand komen.   

Ensuring reparation for arbitrary displacement: the role of international (quasi-) judicial mechanisms - Deborah Casalin (2/6/2022)

Doctoraatsverdediging Deborah Casalin

  • 2 juni 2022 - 17 uur
  • Promotor: prof. dr. Koen de Feyter
  • Wenst u de verdediging fysiek bij te wonen ? Inschrijven kan hier.
  • Wil u digitaal deelnemen ? Schrijf u in via deze link.

Abstract

In ensuring reparation for arbitrary displacement, what role has been played by international (quasi-)judicial mechanisms, such as regional human rights courts and commissions and UN treaty bodies?

The rationale for examining this central research question is twofold:

Firstly, reparation for arbitrary displacement had been relatively under-examined from a legal/rights-based perspective, especially since the adoption of key soft law instruments in 2005, i.e. the Van Boven/Bassiouni Principles on reparation and the Pinheiro Principles on housing, land and property restitution. Given the protraction and scope of displacement situations globally, this aspect requires attention in addition to prevention, protection and assistance.

Secondly, international (quasi-)judicial mechanisms were also under-analysed as avenues for reparation for displacement, despite a wealth of relevant decisions resulting from displaced people’s claims. These bodies are permanent; allow access to individuals/groups; and are mandated to apply relevant norms and order/recommend reparation. This makes them particularly interesting fora for displaced people in contexts where reparation is unavailable domestically, and/or where there is insufficient political will for ad hoc reparation processes.

Different aspects of the central research question were approached via three sub-questions:

What could a comprehensive right to reparation for arbitrary displacement entail?To set out an analytical framework for the case law analysis, this sub-question was examined via a legal doctrinal study based on the right to reparation and the right not to be displaced (two emerging, comprehensive frameworks centred on the rights-holder).

How have the mechanisms’ decisions contributed to developing the scope of such a right?To examine how the mechanisms’ decisions have contributed to international law on displacement reparations, a systematic case law analysis was conducted on 70+ decisions on arbitrary displacement (broadly defined as coerced/involuntary population movement contrary to a norm of international law).

How have these decisions contributed to realizing reparation for displacement in practice?To gain insights into the role of the mechanisms’ decisions in specific displacement contexts, three desk-based case studies were conducted, focusing on the implementation phase of comprehensive and diverse displacement reparation decisions. These were: Moiwana v. Suriname (Inter-American Court, 2005 – conflict displacement); Endorois v. Kenya (African Commission, 2010 – development-induced displacement); IDG v Spain (CESCR, 2015 – forced evictions). The analysis focused on compliance and extra-compliance effects, as well as related contextual conditions. Sources included public documentation produced by official follow-up processes and stakeholders; academic and grey literature; and media reports.

Convention through States' Eyes: Embedding of the European Convention on Human Rights in States Parties - Sarah Lambrecht (31/5/2022)

Doctoraatsverdediging Sarah Lambrecht

  • 31 mei 2022 - 17 uur
  • Promotor: prof. dr. Patricia Popelier

Abstract

​The European Convention on Human Rights entered into force in 1953 at a time when Europe was a war-shattered continent. Since its creation, the European Court of Human Rights has issued close to 25,000 judgments and decided on around a million applications.

In her dissertation, Sarah Lambrecht explores the different ways States have embedded the European Convention on Human Rights in their legal systems, how well States comply with the Convention standards, and what factors explain why differences between States remain so significant.

Lambrecht first tracks how States have engaged with the development of the Convention system and how they have contributed to the consolidation of its core functions—individual justice, supervision of States and the setting of a European minimum standard of rights protection.

Next, she details the gradual embedding of the Convention system in national legal systems. Particular attention is paid to the evolutions that contributed to the rise in importance of the Convention system for the protection of fundamental rights in Europe, as well as the influence of the constitutional design and traditions of States on the embedding process.

In the third part, Lambrecht develops a model for measuring the level of embeddedness of the Convention system in Sates, both in law and in practice. Based on several indicators, she evaluates the level of legal embeddedness, as well as the performance of States before the European Court of Human Rights. Based on the findings of the first two parts, she also identifies the different factors—grounded in constitutional traditions and design, or beyond the law—that might affect the embedding process. In closing, she discerns several patterns and classifies these patterns in different models of embedding.

Lambrecht’s findings, based on a comparative study of 43 States Parties, show how the European Convention on Human Rights has never been more firmly embedded. Nevertheless, the consolidation of its embedding in national legal systems is under pressure due to criticism of overreach, political unwillingness to embrace limits on sovereignty and democratic backsliding. The more these counter-dynamics influence States’ behaviour, the likelier the deep level embedding of the Convention system will be affected.

The role of constitutional courts in furthering democracy in Latin America. The cases of Colombia, Costa Rica and Mexico - Aída Araceli Patiño Álvarez (12/1/2022)

Doctoraatsverdediging Aída Araceli Patiño Álvarez

  • 12 januari 2022 - 17 uur
  • Promotor: prof. dr. Patricia Popelier

Abstract

Do constitutional courts created after the fall of the Berlin Wall (late third democratic wave) promote democracy by enforcing human rights? This question was approached from an empirical perspective. The cases of Colombia, Costa Rica and Mexico were used to observe whether courts have been responsive to rights claims, what factors explain the responsiveness of courts and whether the judicial enforcement of rights has improved democratic performance. The analysis was based on a random sample of judicial decisions on human rights (amparo proceedings) issued since the creation of the courts in the 1990s until 2012. In total, 1 137 amparo judgments were analysed using statistical techniques. 

The results reflect quite divergent behaviour of the courts when deciding human rights issues across the three countries. A strong commitment to human rights protection can be observed in Colombia (a hybrid regime) and in Costa Rica (a stable democracy) while in Mexico (a hybrid regime) the sample shows a high rate of dismissals and the lowest number of cases in which protection was granted. The findings confirm that a legal opportunity structure is the key factor in explaining the responsiveness of courts to rights claims. In Colombia and Costa Rica, where the rules of admissibility and procedure materialise the right to an effective remedy, the courts respond more assertively to rights claims. In Mexico, in contrast, amparo proceedings are expensive and inaccessible to the population at large due to complex procedures and strict rules.
Contrary to what has been argued in previous studies, external factors, such as the economic, political or social context, are not linked to how courts decide. For example, the case of Colombia demonstrated that high levels of violence and political instability did not prevent the court from being highly active in the protection of rights. Finally, the exploratory study of the relationship between the judicial enforcement of rights and democratic performance revealed that courts contribute to democracy to a very small extent.

Based on these findings, I argue that constitutional courts in hybrid regimes can be catalysts of democracy. Crucially, a legal opportunity structure is a prerequisite in order to facilitate access to justice. In addition, courts are required not only to decide cases at an individual level, but also to identify structural problems rooted in a systematic violation of rights, adopt a deliberative approach by issuing measures to prevent further human rights violations, pave the way for a public debate with those who were not heard in the decision-making process and implement a monitoring system for the enforcement of judgments open to public scrutiny.