Letteren en Wijsbegeerte

Doctoraatsverdedigingen

Woon een doctoraatsverdediging bij of raadpleeg de voorbije verdedigingen

Landschap van Verlies: Wildernisnarratieven en de Ethiek van Rewilding - Linde De Vroey (26/03/2026)

Linde De Vroey

Abstract

Dit proefschrift onderzoekt de filosofische, ethische en politieke aspecten van rewilding of verwildering, met een bijzondere focus op het Schotse landschap. Het bestaat uit een reeks gerelateerde papers die samen een ethisch kader ontwikkelen om rewilding te begrijpen als een vorm van transformatieve verandering in de moderne cultuur en samenleving. Het behandelt kwesties zoals de wortels van rewilding in de wildernisbeweging, nostalgie en herbetovering, landeigendom en de integratie van lokale cultuur en erfgoed in een ‘bioculturele’ benadering van rewilding. Daardoor reikt dit proefschrift veel verder dan de ecologische aspecten van natuurherstel, maar onderzoekt het hoe rewilding al dan niet kan bijdragen aan een rechtvaardige ecologische, politieke en culturele transformatie.

Rewilding won de laatste jaren snel aan populariteit als een nieuwe, proactieve benaderingen het natuurherstel die inzet op het herstel van ecosystemen, klimaatmitigatie- en adaptatie, menselijk welzijn, en zelfs op een paradigmaverschuiving in de relatie tussen mens en natuur. Maar rewilding roept ook een aantal filosofische problemen op: van wetenschappelijke incoherentie over conceptueel dualisme tot de ethische en politieke dimensies van transformatieve verandering. Dit proefschrift biedt een kritische verkenning van deze centrale kwesties in het debat over rewilding. Aan de hand van inzichten uit theorie en praktijk beoordeelt het veelvoorkomende verhalen die de rewilding-beweging hebben gevormd waarbij de waardekaders van rewilding worden blootgelegd om zo de morele en politieke belangen van gangbare rewilding-visies te beoordelen.

Een centraal uitgangspunt in dit proefschrift is dat dergelijke beoordelingen altijd binnen een specifieke context gemaakt moeten worden. Daarom staat het Schotse landschap centraal in dit proefschrift. Als levende realiteit, rijk aan verschillende casestudy's, daagt het omstreden landschap van Schotland de centrale theorieën en concepten van rewilding actief uit en verfijnt het deze. Het transformatieve potentieel van rewilding wordt volgens dit proefschrift grotendeels bepaald door de allianties die rewilding smeedt (of weigert te smeden) met de lokale verhalen en structuren die gevormd werden in dialoog met het landschap. Dit inzicht maakt de weg vrij voor een meer plaatsgebonden beoordeling van rewilding als een mogelijk antwoord op concrete ecologische, culturele en politieke uitdagingen, die altijd tegelijkertijd een mondiale en een lokale dimensie hebben. Door de laatste te benadrukken in relatie tot de eerste, biedt deze thesis een nieuwe reeks filosofische instrumenten voor het (her)beoordelen van de morele en politieke dilemma's waarmee ecologisch herstel in historisch omstreden landschappen wordt geconfronteerd.

Lees ook: Linde De Vroey vertelde op de faculteitsblog Bladspiegel eerder al over haar onderzoek en de podcast die ze errond maakte.

Embedding a consumer revolution: Shifting values in the language of London auction advertisements, c.1730-1830 - Alessandra De Mulder (27/03/2026)

Alessandra De Mulder

  • Doctoraatsverdediging: 27 maart 2026 om 14.30 uur
  • Felixarchief
  • Promotoren: Bruno Blondé en Ilja Van Damme

Abstract

Dit proefschrift onderzoekt het ontstaan van de moderne consumptiecultuur in het achttiende-eeuwse Londen via een historische en linguïstische analyse van advertenties voor veilingen. Het uitgangspunt is dat de alledaagse talige praktijken van kopen en verkopen een cruciale rol speelden, en dat enkel een combinatie van digitale onderzoeksmethoden met traditionele historische analyses het mogelijk maakt om te achterhalen welke waarden er werkelijk toe deden voor Georgiaanse consumenten.

Dit onderzoek nuanceert ons begrip van de zogenaamde consumptierevolutie door aan te tonen dat de moderne consumentencultuur niet alleen getriggerd werd door aardverschuivende economische of sociale transformaties, maar dat die ook vorm kreeg via alledaagse praktijken van kopen, verkopen en beschrijven van materiële goederen; praktijken die fundamenteel talig van aard waren. De focus op veilingmarkten, waar tweedehandsgoederen circuleerden, onthult dat de constructie van waarde steeds meer afhankelijk was van sociale conventies en esthetisch oordeel in plaats van uitsluitend intrinsieke materiële kwaliteiten.

Methodologisch ontwikkelt de dissertatie een kader dat computationele taalkundige analyse combineert met rigoureuze historische contextualisering. Het onderzoek analyseert duizenden veilingadvertenties uit Londense kranten die de periode van 1730 tot 1830 bestrijken. Deze benadering onthult patronen die onzichtbaar zijn voor traditionele close reading, terwijl deze patronen betekenis krijgen door de combinatie met een analyse van de historische context via achttiende-eeuwse woordenboeken, meubel- en filosofische traktaten.

De studie stelt gevestigde narratieven over de achttiende-eeuwse consumptiecultuur in een ander licht door een inductieve benadering te hanteren. Hoewel talloze historici al hebben onderzocht wat mensen bezaten aan de hand van boedelinventarissen, en al heel wat aandacht besteed werd aan contemporaine filosofische traktaten over consumptie, weten we nog verrassend weinig over waarom mensen er exact voor kozen om bepaalde goederen te kopen. Veilingadvertenties vullen dit hiaat op door consumptie in de praktijk weer te geven. Geschreven om aan te sluiten bij het denkkader van potentiële kopers, onthullen ze de gedeelde talige waardenkaders die de besluitvorming op de markt vormgaf.

De studie toont aan dat veilingmeesters functioneerden als actieve ‘smaakmakers’ in plaats van passieve tussenpersonen. Ze vormden gedeelde evaluatiekaders die bepaalde consumptiepatronen succesvol maakten terwijl andere verdwenen. Hun taal evolueerde aanzienlijk in de loop van de achttiende eeuw, waarbij evaluatieve (subjectieve) beschrijvingen steeds vaker louter beschrijvende (objectieve) taal vervingen of nuanceerden. Hun evoluerende taal tekent het ontstaan van een complexer en meer verfijnd consumptie-vocabularium, in de context van de immer uitdijende wereld van goederen.

Cruciaal is dat de studie pleit voor methodologische bescheidenheid, waarbij zowel de kracht als de beperkingen van digitale benaderingen worden erkend. Geen enkele methode volstaat op zich: terwijl distant reading brede patronen onthult, valideert intermediate reading via systematische annotatie deze bevindingen. Close reading via historische bronnen biedt vervolgens de essentiële verankering. Deze meerschalige benadering erkent dat verschillende analytische methoden verschillende facetten van de historische realiteit onthullen, waarbij de rijkste inzichten voortkomen uit hun combinatie.

Door de kloof te overbruggen tussen theoretische kaders over consumentenwaarden en het feitelijke taalkundige bewijs van marktpraktijken, biedt deze studie nieuwe perspectieven op hoe Georgiaanse Londenaren zich een weg baanden door een steeds complexere materiële wereld, betekenissen construeerden rond huishoudelijke goederen, en deelnamen aan de geboorte van de moderne consumentenmaatschappij via de taal die ze gebruikten om objecten te beschrijven, te begeren en te verwerven.

Intersecting Injustices: Re-storying Sexual Harassment in Academia - Sofie Avery (1/04/2026)

Sofie Avery

  • Doctoraatsverdediging: 1 april 2026 om 13.30 uur
  • Stadscampus, Gebouw R, lokaal R.230
  • Promotor: Katrien Schaubroeck
  • Co-promotoren: Sarah Van de Velde (UAntwerpen, Departement Sociologie) en Sigrid Sterckx (UGent)
  • Inschrijven voor 27 maart via dit formulier

Abstract

Op basis van feministische filosofie vertrekt dit proefschrift van de volgende onderzoeksvraag: hoe moet seksuele intimidatie in de academische wereld worden geconceptualiseerd als een vorm van structurele onrechtvaardigheid, en welke institutionele verantwoordelijkheden vloeien voort uit deze karakterisering? Om deze vraag te beantwoorden, maak ik gebruik van de perspectieven van Intersectionaliteit, Dominante Discoursen en Epistemische Onrechtvaardigheid, en Institutionele Macht en Verantwoordelijkheid. De belangrijkste theoretische bijdragen van het proefschrift liggen in het conceptualiseren van seksuele intimidatie in de academische wereld als niet louter een interpersoonlijke kwestie, maar als een structurele onrechtvaardigheid, en in het theoretiseren van de specifieke institutionele verantwoordelijkheden van universiteiten voor deze onrechtvaardigheid.

Deze verhandeling onderzoekt seksuele intimidatie als een product van agency en van structuur, en gaat na hoe en waarom verschillende vormen van onrecht elkaar kruisen. Uit de bevindingen blijkt dat deze onrechtvaardigheden de schade van seksuele intimidatie in de academische wereld nog vergroten: een gebrek aan aandacht voor intersectionaliteit; conceptuele vaagheid en ambiguïteit met betrekking tot het label van seksueel grensoverschrijdend gedrag; het afwijzen van getuigenissen van slachtoffers, vooral wanneer deze afwijken van een ‘standaardverhaal’; en het ontbreken van institutionele waarden die aangeven dat seksuele intimidatie onaanvaardbaar is.

Door empirisch onderzoek naar de Vlaamse universitaire context te combineren met filosofische argumentatie over problemen die verder reiken dan de Vlaamse academische wereld, benadrukt mijn analyse de complexe aard van het probleem en de dringende noodzaak van verder onderzoek, beleidsontwikkeling en het herzien van institutionele responsen, met name—maar niet uitsluitend—in de context van het Vlaamse hoger onderwijs. Door de institutionele verantwoordelijkheid van universiteiten voor deze structurele onrechtvaardigheid te theoretiseren en wegen naar institutionele moed in kaart te brengen, nodigt dit proefschrift universiteitsleiders uit om de morele schade van seksuele intimidatie in de academische wereld aan te pakken en de noodzaak van structurele verandering te erkennen.

Dit proefschrift heeft tot doel vertegenwoordigers van universiteiten en beleidsmakers te inspireren door verschillende wegen naar institutionele moed in kaart te brengen: de ontwikkeling van een robuust beleidskader dat de invloed van macht en privileges erkent door aandacht te besteden aan intersectionaliteit en machtsmisbruik; het formuleren van een duidelijk institutioneel standpunt over wat grensoverschrijdend gedrag is; het tegengaan van institutioneel zwijgen door ruimte te creëren voor de ervaringen van slachtoffers buiten disciplinaire hoorzittingen om; het vergroten van de competentie van universiteitsleden in het ontvangen van getuigenissen; het communiceren en institutionaliseren van organisatorische waarden die aangeven dat seksuele intimidatie onaanvaardbaar is; en het veroordelen van schendingen van deze gedeelde waarden door middel van sancties. Kortom, dit proefschrift dringt er bij universiteitsleiders op aan om seksuele intimidatie in de academische wereld niet te benaderen als een incidenteel ongelukje dat niet kan worden voorkomen, maar als een structurele onrechtvaardigheid die kan en moet worden aangepakt.

Droomdeeltjes van de moderniteit: De toverlantaarn en de representatie van plaats, 1880-1939 - Eleonora Paklons (2/04/2026)

Eleonora Paklons

Abstract

De toverlantaarn travelogue was een cruciaal maar onderbelicht medium voor ruimtelijke verbeelding in West-Europa rond het fin de siècle. Meer dan een voorloper van cinema of een bron van entertainment, produceerde de lantaarn actief moderne ervaringen van plaats. Door het verweven van projectie, vertelling en performance transformeerde de travelogue toeschouwerschap in een immersieve ontmoeting die ruimte en tijd deed samensmelten. Vanuit lokale zalen betrad het publiek virtuele werelden. Zo hielp de travelogue de kaders te vormen waarbinnen West-Europeanen de wereld en hun positie daarin begrepen.

Om deze dynamieken te belichten, beweegt de thesis door vier kruispunten van de moderniteit. Hoofdstuk 1, over religie, onderzoekt concurrerende representaties van het Heilige Land en laat zien hoe deze religieuze en politieke spanningen blootlegden. Hoofdstuk 2, over erfgoed en traditie, onderzoekt lantaarnvoorstellingen van burgemeester Charles Buls om te tonen hoe omgang met de oudheid de Belgische natievorming vormgaf en hoe representaties verbonden waren met stedenbouwkundige debatten. Hoofdstuk 3, over het occulte, analyseert de lantaarnvoorstellingen van George R. Tweedie en toont hoe hij folklore en spektakel samensmeedde om het occulte te legitimeren en te commercialiseren. Hoofdstuk 4, over exploratie, volgt de IJslandtravelogues van Olive Murray Chapman uit de jaren 1930, die zowel de aspiraties als de grenzen onthullen van een vrouwelijke herverbeelding van exploratie op een moment van imperiale onzekerheid. De epiloog brengt de studie naar Parijs, waar Jean-Martin Charcots gebruik van de lantaarn in het Salpêtrière ziekenhuis de disciplinerende kracht van het medium blootlegt en zo de machtsdynamieken onthult die besloten liggen in projectie. 

Gezamenlijk tonen deze hoofdstukken hoe travelogues krachtige virtuele werelden genereerden die culturele, politieke en affectieve vormen van plaatsbegrip beïnvloedden. Over de casestudies heen verschijnt de lantaarn als een apparaat dat werelden projecteerde in de geesten van het publiek – virtuele werelden die overtuigend maar breekbaar waren, immersief maar inherent contradictorisch. Door te tonen hoe deze virtuele werelden percepties van religie, erfgoed, het occulte en exploratie vormden, onthult de thesis de spanningen waarmee de moderniteit zichzelf verbeeldde, betwijfelde en definieerde. In plaats van de materiële vooroordelen te herhalen die het moderniteitsonderzoek lang hebben gedomineerd, benadrukt deze thesis het belang van mentale en imaginaire technologieën zoals de lantaarn. De lantaarn ontpopt zich als één van de vormende motoren van de moderniteit: een apparaat dat de moderne geest herschiep door het publiek te leren dromen van werelden die net voorbij de rand van het scherm werden geprojecteerd.

Betovering, betekenisgeving, levensverhaal: Filosofische perspectieven op een hedendaagse betoveringservaring - Evelien Van Beeck (24/04/2026)

Evelien Van Beeck

  • Doctoraatsverdediging: 24 april 2026 om 14 uur
  • Stadscampus, Grauwzusters, Promotiezaal
  • Promotoren: Herbert De Vriese (UAntwerpen) en Paul Cortois (KU Leuven)
  • Inschrijven voor 1 april via mail

Abstract

Webers analyse van onttovering in de moderne samenleving, als een schijnbaar onvermijdelijk gevolg van de toenemende dominantie van de rationaliteit in de moderne tijd, vormt het theoretisch kader van dit proefschrift. Het specifieke onderzoeksthema is het zinverlies dat de onttovering vergezelt en karakteriseert. Anders dan in de sociologische en cultuurhistorische analyses van Weber, en van velen in zijn kielzog, is de leidende ambitie van dit proefschrift om het individuele perspectief te beschouwen en dieper in te gaan op de consequenties van onttovering en zinverlies voor het moderne individu. Daarbij gaat de aandacht ook uit naar vruchtbare strategieën om dit verlies te herstellen.

Tegen de achtergrond van de dubbele premisse dat het persoonlijke leven in de moderne tijd door zinverlies bedreigd wordt, en dat de zoektocht naar betekenis en zin niets minder is dan een existentiële behoefte, onderzoekt dit proefschrift het belang van betovering voor een nieuwe betekenisgeving. De onderzoekshypothese luidt dat onttovering niet alleen de ervaring van zin bedreigt, maar voor de moderne mens ook nieuwe ervaringen van betovering mogelijk maakt, in evenwichtigere en beter overwogen vorm.

Voor de theoretische uitwerking worden twee cruciale deelanalyses uitgevoerd en op elkaar afgestemd. De eerste gaat na wat het verband is tussen betovering en de dynamiek van ‘dépossession’, als een dynamiek die constitutief is voor de menselijke conditie. De tweede bestudeert de plaats van betovering in het levensverhaal en in de narratieve identiteit van de moderne mens, met bijzondere aandacht voor de verankering in de werkelijkheid die door betoveringservaringen wordt teweeggebracht.

Het voornaamste resultaat van dit onderzoek is dat betovering in de moderne tijd een noodzakelijk element blijft van de menselijke zoektocht naar betekenis en een nieuwe, significante rol speelt bij de integratie van betoveringservaringen in de narratieve identiteit.

Voorbije doctoraatsverdedigingen