Component leraarschap in de educatieve masteropleidingen

Praktijk en theorie wisselen elkaar af en haken op elkaar in in je opleiding tot leraar. Elke praktijkervaring is een kapstok voor theorie (reflectie). De theorie is een springplank naar een volgend praktijkmoment (prospectie).

Theorie krijg je onder andere in de vorm van vakdidactieken. Dat betekent dat je leert lesgeven in jouw vakgebied. Want lesgeven in wiskunde, bijvoorbeeld, is helemaal anders dan lesgeven in Frans. Je kan twee vakdidactieken opnemen of je kan één vakdidactiek vervangen door een profileringspakket, dat inzoomt op een actueel thema uit het onderwijslandschap.

Naast vakdidactische vorming staan er ook algemene onderwijskundige inhouden op het programma. Zes thema's – onder andere klasmanagement, diversiteit op school, leerlingbegeleiding... – vormen de rode draad.

Het praktijkgedeelte bestaat uit oefenlessen en drie verschillende stages. Je start met een verkennende oriënteringsstage. Daarna volgen twee groeistages, die gekoppeld zijn aan je vakdidactieken. Je sluit af met een profileringsstage waarvoor je zelf de klemtoon mag bepalen.

De kennis en inzichten uit de component leraarschap breng je samen met de kennis en inzichten uit jouw vakgebied in de masterproef.