Tip 22: Hoe studenten indelen bij groepswerk

Docenten vragen zich vaak af wat de beste manier is om studenten in te delen bij groepswerk. De ideale manier om dit te doen bestaat echter niet. De wijze waarop groepen ingedeeld worden, hangt onder meer af van de grootte van de studentengroep, het doel van de opdracht, de duurtijd en de grootte van de opdracht.

Op welke manieren kunnen studenten in groepen ingedeeld worden?

  • De docent deelt de groepen random in:  op basis van bijvoorbeeld alfabetische volgorde, of het studentennummer van de student. Deze manier van indelen is makkelijk hanteerbaar en wordt dan ook het meeste toegepast bij grote groepen studenten. De zitplaats van de student in het klaslokaal kan ook als basis dienen voor het vormen van groepjes. Een mogelijk nadeel hiervan is dat studenten in de groepjes niet voldoende complementaire vaardigheden bezitten om de opdracht tot een goed einde te brengen. 
  • De docent maakt de groepsindeling op basis van criteria zoals:
    • de (voor)opleiding: afhankelijk van het doel van de opdracht kunnen studenten met gelijkaardige of verschillende voorkennis in groepen geclusterd worden.  In het kader van interdisciplinaire projecten wordt er bijvoorbeeld voor gekozen om studenten uit verschillende disciplines te laten samenwerken met het oog op inter-professioneel leren.
    • de studieresultaten: studenten kunnen geclusterd worden op basis van hun voorafgaande prestaties op een inhoudelijk verwant opleidingsonderdeel.
    • de voorkeur van de student: studenten worden eerst gevraagd een voorkeurslijst door te geven van studenten met wie ze graag willen samenwerken. Samenwerken met een medestudent die men kent werkt immers motiverend. Bij de groepsindeling kunt u hier als docent in meer of in mindere mate vervolgens rekening mee houden. Deze manier van indelen is echter wel tijdsintensief en is moeilijker bij grotere studentengroepen
  • De studenten vormen zelf hun groep.
    • Studenten vormen een groep op basis van hun interesse voor een welbepaald topic.
    • Studenten stellen zelf hun groep samen, onafhankelijk van het onderwerp. Dit werkt het beste in hogere opleidingsjaren wanneer studenten elkaar al wat beter kennen en de studentengroep al wat kleiner geworden is. Ook bij langdurige opdrachten wordt er vaak geopteerd om studenten zelf hun groep te laten kiezen. Het voordeel van een zelfgekozen groep is dat de studenten al van bij het begin een grotere samenhorigheid hebben, wat kan leiden tot beter presteren en minder conflicten. Studenten zelf hun groep laten kiezen kan echter soms ook nadelig zijn voor het groepsproduct. Wanneer studenten elkaar namelijk te goed kennen, is het mogelijk dat ze niet voldoende kritisch zijn voor elkaars werk.

Hoe groot mogen groepen zijn?

  • Een groepsgrootte van vier tot zes studenten is ideaal. Grotere groepen hebben soms het nadeel dat niet alle studenten actief kunnen of willen participeren aan het groepswerk. Kleine opdrachten voer je dan ook het beste uit in een beperkte groepsgrootte om meeliften zoveel mogelijk te beperken.
  • Kiezen voor vier of vijf studenten? Groepjes van vier studenten hebben het voordeel dat er onderling in de groepen gemakkelijker in duo gewerkt kan worden.  Groepjes van vijf hebben dan weer het voordeel dat er bij het stemmen over een probleem makkelijker beslissingen genomen kunnen worden.
  • De groepsgrootte hangt ook af van infrastructuur zoals bijvoorbeeld het aantal tafels, de mogelijkheid om stoelen te verplaatsen, de beschikbare ruimte om in groep te werken. 
  • Ook het type van opdracht bepaalt of er best meer of minder studenten in een groep zitten. Bijvoorbeeld: het observeren van een arts in een ziekenhuis doe je in beperkte groep, maar het houden van een brainstorm kan dan weer wel in grote groep.

Eens een groep, altijd een groep?

  • Het is af te raden om een groep te ontbinden wanneer hij slecht functioneert. Studenten uit deze groep kunnen namelijk moeilijker terecht bij een andere, reeds gevormde groep waar er al een groepsdynamiek gegroeid is.
  • Studenten moeten ook kunnen leren omgaan met groepsconflicten, die wellicht ook in de latere beroepspraktijk zullen plaatsvinden. Het is dan ook eerder aan te raden om bij groepswerk een feedback- en/of beoordelingssysteem in te voeren zoals bijvoorbeeld peer assessment waar het groepsproces in kaart gebracht wordt.
  • Bij de start van een nieuwe opdracht kunt u er bijvoorbeeld wel voor kiezen de groepsindeling te veranderen.

Meer weten?

ExpertiseCentrum Hoger Onderwijs (2013). Vijftig onderwijstips . Antwerpen-Apeldoorn: Garant

Hoogeveen, P., & Winkels, J. (2011). Het didactische werkvormenboek: Variatie en differentiatie in de praktijk. Assen: Van Gorcum

Verheul, I. (2002). Alles over opdrachten. Houten/Mechelen: Bohn Stafleu Van Loghum

 

(Onderwijstip januari 2014)